Van Gils, Gemeentesecretaris Amsterdam: ‘Externe inhuur is geen zwaktebod’. Geplaatst 3 oktober 2014 door Hugo-Jan Ruts Gemeenten liggen onder vuur vanwege het inhuren van externen. Meest recentelijk nog vanwege het inhuren van advies voor in het kader de door het kabinet ingezette decentralisaties. Arjan van Gils, gemeentesecretaris van Amsterdam – als grootste gemeente ook een grote inhuurder, reageert op die kritiek in een interview in Binnenlands Bestuur. Van Gils stelt dat het inhuren van mensen noodzakelijk is om een dergelijke grote en complexe operatie als de decentralisatie mogelijk te maken. “Het hoort bij bijzondere gevallen. Tijdelijke experts voor tijdelijke klussen. Wij, grote steden, leunen niet op externen. Zij komen ons helpen. Externe inhuur is geen zwaktebod. Het is logisch experts naar je toe te halen voor zaken die je niet eerder deed, zodat je het goed doet, bijvoorbeeld met de decentralisaties. Je moet ze natuurlijk wel strategisch inzetten.” Amsterdam besteedde in 2013 en 2014 3,6 miljoen euro aan inhuur. Dergelijke absolute bedragen zeggen Van Gils niets. Binnen de gemeente Amsterdam zijn ook geen maximum bedragen afgesproken. “We hebben in het protocol argumenten en afwegingscriteria gemaakt. Is het werk naar zijn aard tijdelijk? Is het een bijzonder expertise? Je hebt bij pieken een flexibele schil nodig bij gladheidbestrijding of evenementen. Tegelijkertijd willen we niet dat het bestaande personeel de deur uitwandelt: mensen in verbinding met de Amsterdammers, die aanspreekbaar zijn en bepaalde kennis hebben.” Visie op organiseren, visie op inhuur Het is goed dat een topambtenaar zich zo uitlaat over deze thematiek. Vaak blijft het muisstil als er weer een storm van verontwaardiging opsteekt over inhuur cijfers. Verontwaardiging waarin vaak de nuance ver te zoeken is. Ongebreideld en vooral ondoordacht inhuren is natuurlijk verre van een goede zaak. Dat je als overheid niet afhankelijk moet zijn van externen, dat maakt de tumult rond de ICT bedrijven deze week ook wel duidelijk. Maar dat wil nog niet per se zeggen dat je zo min mogelijk moet inhuren. Misschien moet je juist veel meer inhuren, mogelijk werkt dat veel effectiever? Het zal per situatie en zelf gemeente verschillen. Feit is dat er nog al wat taken op gemeenten afkomen en dat in combinatie met bezuinigingen en een sterk vergrijzend ambtenarenkorps, met nauwelijks instroom van nieuw personeel is. Dat dat een gevaarlijke mix is heeft Joop Vorst al eens treffend beschreven in zijn artikel “Wie staat er straks nog overeind?” Een paar jaar geleden wees Prof Henk Volberda als op de noodzaak tot een flexibele organisatie. Vooral ook vanwege het toenemend aantal taken waar gemeente voor staan. Dat “en de interactie met een steeds complexere omgeving vragen om een herijking van de wijze waarop gemeenten invulling geven aan de inrichting van hun organisatie. Vooral de flexibiliteit is hierbij een interessante factor: hoe flexibel zijn gemeenten en in welke mate passen zij zich aan de omgeving aan”, zo schreef hij (zie artikel “Flexibilisering van gemeenten loont. Nu nog vertalen naar een inhuurstrategie‘). Deze gedachtegang van Volberda is een mooi uitgangspunt om keuzes te maken over de strategie met betrekking een tot de inhuur externen. Flexibiliteit valt om verschillende manieren te organiseren. Inhuur kan daar een uitstekende plek in hebben. Zolang je maar weet waarom. Geplaatst in Professioneel inhuren, Toekomst van Werk | Tags inhuur, organisatie ontwikkeling | 7s Reacties
De (on)mogelijkheden tot het eenzijdig wijzigen van arbeidsvoorwaarden Geplaatst 3 oktober 2014 door ZiPredactie Mag een werkgever het loon van een werknemer eenzijdig verlagen? Deze vraag wordt steeds vaker gesteld nu veel werkgevers sinds de economische crisis hun omzet zien dalen terwijl hun (loon)kosten gelijk zijn gebleven. Masterstudente Civiel Recht Adriana Bolle (1984) deed aan de Universiteit Leiden onderzoek naar de juridische mogelijkheid tot het eenzijdig verlagen van het loon door een werkgever. Hiermee staat ze op de shortlist van de ZiPconomy Scriptieprijs die op 13 november wordt uitgereikt tijdens het seminar ‘Anders Werken, Anders Organiseren’. Het loon is de meest primaire prestatie van de werkgever tegenover de arbeid die wordt verricht door de werknemer. Hoewel het loon redelijkerwijs niet eenzijdig kan worden verlaagd, is deze mogelijkheid niet geheel uitgesloten. Wettelijke grondslagen Op basis van onderzochte jurisprudentie is onder meer gebleken dat een werkgever op grond van artikel 7:613 BW een wijziging kan doorvoeren in een arbeidsovereenkomst. Dit kan echter alleen als hij hierin een zogeheten wijzigingsbeding heeft opgenomen. Dit wijzigingsbeding lijkt echter niet van toepassing op primaire arbeidsvoorwaarden, waaronder het loon. Toch wordt deze mogelijkheid in de wetsgeschiedenis niet expliciet uitgesloten. Uit de jurisprudentie is gebleken dat een beroep op een wijzigingsbeding slaagt als de werkgever hierbij een ‘zwaarwichtig belang’ heeft. Hiervan is bijvoorbeeld sprake wanneer bedrijfseconomische omstandigheden zodanig veranderen dat het noodzakelijk is de arbeidsovereenkomst te wijzigen Artikel 7:611 BW biedt wel ruimte voor het wijzigen van een primaire arbeidsvoorwaarde. De werkgever en werknemer dienen zich op grond van dit artikel als een ‘goed werkgever’ en ‘goed werknemer’ te gedragen. De werkgever kan hierop een beroep doen als sprake is van gewijzigde omstandigheden op het werk. Ook artikel 6:248 lid 2 BW en artikel 6:258 BW worden in verband gebracht met het doorvoeren van een zogeheten loonoffer. Het eerste artikel stelt dat een werkgever een overeengekomen afspraak mag wijzigen als het door veranderde omstandigheden onaanvaardbaar is om deze te handhaven. Het tweede artikel biedt de mogelijkheid om aan de rechter te vragen de inhoud van de arbeidsovereenkomst te wijzigen op grond van onvoorziene omstandigheden. Gerechtvaardigd loonoffer Op 13 december 2013 kwam de kantonrechter Midden-Nederland met een opmerkelijke uitspraak in een zaak rondom een ontwerpbureau dat zijn werknemers had gevraagd om een loonsverlaging van zes procent. Op grond van artikel 7:611 BW en de criteria uit het arrest Stoof/Mammoet werd een loonoffer in deze zaak voor het eerst redelijk geacht. De bedrijfseconomische omstandigheden van deze onderneming waren daarbij van groot belang. De rechter achtte overtuigend bewezen dat een loonoffer in deze situatie gerechtvaardigd was, nu de werkgever eerder al alternatieve maatregelen had genomen om de crisis het hoofd te bieden. Duidelijk was dat de financiële situatie van het bedrijf vroeg om nieuwe maatregelen. Daarbij was het bedrijf zorgvuldig te werk gegaan tijdens de besluitvorming rondom de loonmaatregelen. Er had overleg plaatsgevonden met de ondernemingsraad en de werknemers waren uitgebreid geïnformeerd over de stand van zaken. Ook was er een peiling georganiseerd, waarmee onder de werknemers draagvlak ontstond voor een loonsverlaging. Bij de beoordeling van de vraag of het loonoffer een redelijke maatregel was, werd gekeken naar alle omstandigheden. De loonmatiging werd gefaseerd doorgevoerd en de rechter woog mee dat de werknemers zelf belang hadden bij de loonsverlaging. Daarmee werd immers de onderneming in stand gehouden en werd voorkomen dat de werknemers zouden zijn aangewezen op een nog lagere WW-uitkering. Conclusie Uit de onderzochte jurisprudentie is gebleken dat artikel 7:611 BW ruimte biedt voor het afdwingen van een loonoffer. Dit is interessant voor werkgevers die kampen met de gevolgen van de economische crisis. Als de vraag naar de mogelijkheden tot een loonoffer wordt toegepast op de bouwsector, kan er mogelijk ook een beroep worden gedaan op onvoorziene omstandigheden door middel van artikel 6:258 BW. Immers heeft de economische crisis met name de bouwsector hard getroffen. Daarnaast is er met name binnen de schildersbranche – bij gebrek aan een degelijke functie- en loonstructuur – de afgelopen jaren een wildgroei aan toeslagen en salarissen ontstaan. Dat maakt voor veel schildersbedrijven de bedrijfseconomische omstandigheden nu nijpend. Deze hoge loonkosten in combinatie met de gevolgen van de economische crisis zorgen voor een negatieve katalyserende werking op de levensvatbaarheid van veel schildersbedrijven. Wil een loonoffer echter kans van slagen hebben, dan dient de werkgever aan te tonen dat hij, ondanks zijn financiële situatie, de belangen van de werknemer(s) nooit uit het oog heeft verloren en aantoonbaar zorgvuldig met deze belangen is omgegaan. Wilt u deelnemen aan het ZiPconomy seminar over Goed Opdrachtgeverschap op 13 november? Kijk hier voor meer informatie. De foto’s die in dit artikel zijn gebruikt komen van Flickr – Creative Commons Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags Scriptieprijs 2014, verloning | 1 Reactie
“Ik wil nooit meer via zo’n bureau werken” Geplaatst 2 oktober 2014 door ZiPredactie Goed Opdrachtgeverschap: het zorgen voor de juiste randvoorwaarden waardoor de samenwerking met een interim professionals optimaal wordt. Wat vinden ZiP’ers zelf van ‘Goed Opdrachtgeverschap’ , wat ervaren ze? ZiPconomy laat elke week een zelfstandig interim professional aan het woord over dit thema. Deze aflevering Ricardo Buitinga, bij wie het in opdrachten draait om de balans: tussen ruimte en focus, werk en privé. Wat betekent Goed Opdrachtgeverschap voor jou? “Wat ik nu meemaak bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie is een mooi voorbeeld. Aan het begin van dit jaar vroeg ik: ‘wat verwachten jullie van me?’ Dat doe ik altijd. Zij antwoordden: ‘we hebben je nu een halfjaar bezig gezien en je krijgt van ons de ruimte om te doen waar je goed in bent, omdat het enorm bijdraagt aan ons verandertraject.’ Voor het eerst in mijn leven heb ik zo’n vrije opdracht gekregen. Dat zit niet in een organisatie, maar in de mensen. Ga maar doen waar je goed in bent. Wauw!” Die ruimte werkt voor Ricardo het beste in combinatie met focus. “In grote projecten kun je verdwalen. Als je alle overleggen bijwoont en alle rapportages schrijft, kun je makkelijk je dagen vullen. Maar dan ben ik net een gewone ambtenaar. Goed opdrachtgeverschap betekent ook dat je je realiseert dat ik iets extra’s kom brengen en niet tijdelijk hetzelfde kom doen als de vaste medewerkers. Ik vind het fijn als een opdrachtgever daarover nadenkt en zegt: ‘hier ben je voor, maar dit hoef je niet te doen’.” Of je een leuke vent bent is belangrijker dan wat je moet opleveren. Wat vind je prettig bij het wervingsproces? “In een intakegesprek vraag ik altijd: ’wanneer ben je aan het eind van mijn opdracht blij?’ Mensen raken soms verward van die vraag. Ze hebben geen idee en ze zijn het niet gewend om daarover na te denken. Dat vind ik opvallend. Een opdrachtgever steekt een hoop tijd, geld en energie in een externe, maar vraagt zich niet af wat hij moet opleveren. Goed opdrachtgeverschap is ook dat je dat helder hebt. Alleen dan kun je er de juiste persoon bij zoeken. Vaak is er vooral aandacht voor de relatie. Of je een leuke vent bent is belangrijker dan wat je moet opleveren. Dat klopt eigenlijk niet. Ook tijdens een opdracht zou een opdrachtgever steeds in de gaten moeten houden of een interimmer nog wel de juiste persoon is voor de klus. In verschillende fasen van een project heb je andere mensen nodig. Mij moet je bijvoorbeeld hebben aan het begin van een project om mensen enthousiast te maken en een netwerk op te bouwen. Niet als de communicatiestrategie er al ligt en die alleen nog maar hoeft te worden uitgevoerd.” En zijn opdrachtgevers blij aan het einde van je opdracht? “Ik krijg in elk geval goede rapportcijfers”, lacht Ricardo “Letterlijk. Bij de opdrachten die ik krijg via de communicatiepool van de rijksoverheid, wordt aan het eind een standaard evaluatieformulier ingevuld waar ook wordt gevraagd naar een rapportcijfer. Het is ook een mooi moment om samen te bespreken wat het heeft opgeleverd. Ik vraag dan altijd wat ik goed heb gedaan en wat ze me nog zouden willen meegeven. Een opdrachtgever zei eens: ‘als jij iets doet, weet ik dat het goed komt. Maar dat mag je ook meer laten zien’. Ik vond dat een mooi compliment.” Wat vind je belangrijk bij de start van een opdracht? “Dat ik me welkom voel. Dat zit in kleine dingen, zoals kunnen inloggen in het systeem en een toegangspasje krijgen om het gebouw binnen te komen. Die kleine praktische dingen geven een fijn gevoel, ze hebben aan me gedacht. Het heeft wel eens twee maanden geduurd voor ik een toegangspas had. Bij een ministerie kostte het me elke ochtend tien minuten om me aan te melden. Elke keer als ik naar buiten ging voor een afspraak en terugkwam, moest ik weer in de rij staan. Ik voelde me niet eens een gast, maar een ongewenst figuur.” Opdrachtgevers vinden Ricardo in het begin soms lastig. “Omdat ik vragen stel die anderen niet stellen, zoals ‘waarom doen we dit project? Wat moet het opleveren?’ Vaak is een programma voor een maatschappelijk probleem opgericht onder politieke druk en gaat iedereen snel aan de slag. Dan kom ik binnen en stel het allemaal ter discussie. Dat willen mensen vaak niet, maar het is juist mijn meerwaarde om die vragen te stellen.” Een opdrachtgever moet snappen dat ik op bepaalde tijden niet beschikbaar ben. Wanneer doe je een opdracht niet? “Als de klik met de ander ontbreekt. Dat merk ik meestal vrij snel. Ook moet duidelijk zijn wie mijn opdrachtgever is. Ik werd een keer ingehuurd door een communicatieafdeling, die mij vervolgens weer ‘uitleende’ aan een programma. Er moest een bedrijfsfilm worden gemaakt en daarvoor schakelde ik een bureau in. De programmadirecteur had de offerte goedgekeurd, maar een dag later keurde Communicatie de offerte af. Ik dacht: ‘voor wie werk ik nou?’ Het schaadt bovendien mijn relatie met het bureau. Na twee maanden ben ik daar vertrokken. Ik heb er wel veel van geleerd.” Ricardo leerde ook van zijn ervaringen met intermediaire bureaus. “Ik wil nooit meer via zo’n bureau werken. Toen ik begon als ondernemer heb ik daar veel tijd in geïnvesteerd. De netwerkbijeenkomsten en opleidingen waar die bureaus mee adverteerden trokken me aan, maar er was er niet één die dat waarmaakte. Je bent gewoon een nummer in een kaartenbak. Bij een bureau moest ik in het wervingstraject alles zelf doen: het gesprek, mijn cv. Toen ik was aangenomen op de opdracht, werd ik tot mijn verbazing een keer ‘die dure externe’ genoemd. Mijn tarief was helemaal niet zo hoog. Toen bleek dat het bureau maar liefst 40 procent commissie rekende bovenop mijn tarief! Dat wil ik niet meer.” Je bedrijf heet Balans Communicatie; hoe helpen opdrachtgevers jou bij het vinden van balans? “Dat moet ik natuurlijk vooral zelf doen. Balans tussen werk en privé is voor mij belangrijk. Een opdrachtgever moet snappen dat ik op bepaalde tijden niet beschikbaar ben. Vroeger ging ik wel eens naar een overleg als ik eigenlijk een dag met mijn zoontje had gepland. Thuis dacht ik alvast aan die afspraak en tijdens het overleg wilde ik eigenlijk bij mijn zoontje zijn. Dat is heel onrustig. Tegenwoordig zijn de tijden dat ik niet beschikbaar ben geblokkeerd in mijn agenda. Dat heb ik moeten leren en sinds twee jaar klopt het. Dit is niet alleen belangrijk voor zelfstandigen, maar ook voor medewerkers in loondienst. Het valt me op dat die hun overwerk vaak niet compenseren. Het wordt gelukkig steeds normaler dat mensen ook eens een halve dag iets anders gaan doen. Je kunt niet alleen maar werken.” (Wil je laten weten wat jij vindt van Goed Opdrachtgeverschap? Doe dan mee aan het onderzoek daarover van de Univ Tilburg. Zie deze pagina voor meer informatie en een korte vragenlijst) Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags goed opdrachtgeverschap, serie | 3s Reacties
Interim manager van nu: ontketen de kracht! De toegevoegde waarde van interim-management volgens Leeuwendaal. Geplaatst 1 oktober 2014 door Joke Twigt Advies- en bemiddelingsbureaus hebben het moeilijk, zeker in een tijd waarin steeds meer opdrachtgevers hun zoekopdrachten via sociale media proberen in te vullen. ‘Een advies- en bemiddelingsbureau heeft een multidisciplinaire aanpak’. Die kreet horen we vaker. Evenals de termen ‘waarde toevoeging’ en ‘schaduwmanagement’. Welke interim-manager is er nog van overtuigd dat bemiddeling via een multidisciplinaire aanpak voor hem of haar waarde heeft? We vragen adviesbureau Leeuwendaal naar hun visie op interim-management. Bij Leeuwendaal werken hoogopgeleide adviseurs uit tal van disciplines met veel kennis en ervaring in het publieke domein. Leeuwendaal heeft heel consequent voor een aantal sectoren gekozen, namelijk de overheid, onderwijs en zorg. Daarbij hebben ze een overzichtelijke omvang. “Groot genoeg voor grote klantorganisaties, klein genoeg om aantrekkelijk te zijn voor consultants en interim-professionals”, zo stellen ze zelf. Joke Twigt, interim manager, in gesprek met directeur interim-management Douwe Wijbenga en adviseur Elizabeth de Jong van Leeuwendaal. Traditionele bemiddeling is passé Traditionele bemiddeling verdwijnt, menen Douwe en Elizabeth. Iedereen kan immers beschikken over de online netwerken, waarmee een match te maken is op basis van kennis en ervaring. De interim-manager wordt echter gevraagd voor meer dan dat. Niet kennis en kunde staan centraal, zelfs de kosten niet. Het draait allemaal om de persoon en zijn of haar competentie om invulling te geven aan wat werkelijk nodig is en om zich naadloos aan te passen en weer geruisloos te vertrekken. De multidisciplinaire aanpak van Leeuwendaal biedt synergievoordelen. Niet alleen de interim-vraag ligt op tafel. Die is natuurlijk leidend, maar via meervoudige vraagstelling analyseert Leeuwendaal de context van de opdracht. Rondom die vraag of dat thema groepeert Leeuwendaal teams van specialisten die garant staan voor een succesvolle integrale benadering. Zo kan de vertaalslag worden gemaakt naar wat nodig is, om samen tot betere oplossingen te komen. De opdrachtgever profiteert op deze manier van een goede analyse op zijn vraag door een vertrouwenspartner. Deze zoekt vervolgens in een warm netwerk naar de oplossing . Opdrachtanalyse en -selectie zijn kortom verenigd in één partner, die ook nog eens gedegen kennis van de sector heeft. De opdrachtgever krijgt volgens Douwe de kortste route naar het beste resultaat. Maar waar ligt het voordeel voor de interim-manager? Schaduwmanagement Een interim-manager moet kunnen bogen op bewezen resultaten en succes. Douwe en Elizabeth zijn er van overtuigd dat een professional dit niet alleen kan bereiken. De interimmer die die denkt het wel alleen aan te kunnen zal zich niet snel thuis voelen bij Leeuwendaal. De filosofie van Leeuwendaal kenmerkt zich door drie begrippen: ontketen de kracht, borg deze in de organisatie en vertrek! Om dit te bereiken komt opnieuw de integrale benadering van interim-vraagstukken in beeld. Daarvoor zal nagenoeg nooit de kennis en kunde van één persoon voldoen, maar met 150 collega’s – Leeuwendalers – krijgt de interim-manager toegang tot alle kennis en inhoudelijke expertise die Leeuwendaal te bieden heeft. De interim-manager zoals Leeuwendaal deze voor ogen heeft, weet dat hij niet alles weet en durft tijdig advies te vragen. Daarom staat naast elke interim-manager een schaduwmanager. Dat is niet per definitie degene die de match tot stand bracht. Het kan ook een organisatieadviseur, jurist, HR-expert of financiële deskundige zijn. Al naar gelang de inhoud van de interim-opdracht hierom vraagt. “Het is een sparringpartner die op inhoud en strategie meedenkt en –doet met als doel: samen bikkelen, samen delen in het succes. De interim-manager en de schaduwmanager vormen samen een combinatie van leadership en followship. Deze kritische ruggensteun brengt de interim-manager verder. Want ‘alleen ga je sneller, maar samen kom je verder’. Leeuwendaal heeft deze visie ook verbeeld in dit filmpje. Los op, borg en vertrek! Een trend in interim-management is dat vast en interim steeds dichter bij elkaar komen. Menige organisatie bouwt eigen veranderkracht op. Wat betekent dit voor de interim-manager volgens Douwe en Elizabeth? Zij halen opnieuw de drie begrippen aan: door de krachten in een organisatie te ontketenen kweekt de interim-manager een lerende organisatie. Daarbij is het van belang dat hij geen afhankelijkheid creëert van zijn eigen rol en aanwezigheid. Vandaar het motto: ‘los op, borg en vertrek!’. Elizabeth voegt hier aan toe: “Alleen een interim-manager die hieraan voldoet, verdient zichzelf terug en creëert toegevoegde waarde. Niet alleen in economische zin, maar ook in sociale, maatschappelijke zin. Komen om weer te vertrekken en iets moois en waardevols achterlaten. Iets dat blijft en meer is dan alleen het harde resultaat….” Reflector Als laatste onderwerp komt onherroepelijk de toekomst ter sprake. Ligt de interim-markt op zijn gat? Zo ja, voor wie; de interim manager zelf of voor het bemiddelingsbureau, voor beiden? “Absoluut niet”, is de mening van Douwe en Elizabeth. “Interim-management wordt wel meer onderdeel van het HR-beleid en de flexibiliseringsvraagstukken. Een dergelijke benadering is vaak kostengedreven. Voor wie verbindt, versterkt en borgt, is nog toekomst. Voor de interim-manager die weet waar zijn toegevoegde waarde ligt en zich daarin duidelijk profileert”. Voor het bemiddelingsbureau moet gelden dat het multidisciplinair kijkt en een kritische ruggensteun biedt. De schaduwmanager is bij Leeuwendaal essentieel als spiegel en klankbord. De kracht hiervan ontstaat door directe lijnen en kleinschaligheid. Al pratende vragen we ons ineens af: staat deze persoon eigenlijk wel in de schaduw van de interim- manager? Of ernaast? Of in het licht? Weet u het? Heeft u de juiste duiding voor deze reflector? Geplaatst in Professioneel inhuren, ZP en Ondernemen | Tags bureau, interim management, organisatie ontwikkeling | Laat een reactie achter