Maandelijkse archieven: januari 2020

Vragen en antwoorden over rapport Borstlap

We beginnen met het doornemen van de adviezen van Borstlap. Eigenlijk wil hij meerdere maatregelen nemen om werknemers aan de ene kant en flexwerkers en zelfstandige aan de andere kant gelijk te trekken. Tjebbe van Oostenbruggen: “Het is een bonte verzameling van verfrissende maatregelen die we zouden kunnen nemen. We zijn een land dat gebruik maakt van veel flex-arbeid, in die zin is het groot. Tegelijkertijd zijn we een concurrerend economie, we doen het heel erg goed. Er zitten rafelrandjes aan het gebruik van flexarbeid, maar die zitten ook aan het inhuren van vaste mensen, bijvoorbeeld mensen die ‘gevangen’ zitten in vast werk dat gaat stoppen. Aan de flex kant zie je ook dat mensen gevangen zitten in ondernemerschap, met name aan de onderkant van de markt. Er zijn sectoren waar mensen kiezen voor ondernemerschap omdat ze bijvoorbeeld nachtdiensten heel ingewikkeld vinden, en dat wel in de cao staat. Dan ben je bijna gedwongen om jezelf per uur op een andere manier te gaan verkopen.”

Er zijn zoveel verschillende zzp’er met verschillende manieren van aanpakken. Voor veel van die zzp’er wordt er niets geregeld.

Van Oostenbruggen: “Ik denk dat dat juist het probleem is van flex. In Nederland hebben we heel weinig duidelijke regels van wat zzp arbeid nou precies is. Dat betekent dus ook dat daar de uitwassen zitten. Aan de onderkant van de markt. Dat mensen tegen hele lage factuurtarieven vrij operationeel werk doen wat 5 jaar geleden nog door mensen in loondienst werd gedaan.”

Minister Koolmees was bezig met een minimumtarief voor zzp’ers, komt dat nog terug in het rapport?

“Dat minimum tarief werd volgens mij genoemd als een variant dat haaks stond op Europese wetgeving. Volgens mij wil de Commissie-Borstlap veel verder gaan en stellen ‘je bent werknemer, tenzij…’. Ik denk dat dat minimumtarief nog niet eens geboren is maar nu al zijn beste tijd gehad heeft.”

Er wordt enerzijds gepraat over de zzp’er en anderzijds over werknemers. Je hebt ook mensen die beide zijn. Mensen die parttime in dienst zijn en daarnaast freelancer. Hoe liggen de voorstellen in het rapport voor deze situatie?

“Mijn beeld van het rapport is dat voor alle vormen van werk er een bepaald minimum aan sociale zekerheid wordt georganiseerd, het zei pensioen, het zei arbeidsongeschiktheid. Als jij deels zzp’er bent, val jij ook onder die regeling die daarvoor bedacht wordt. Als je dat niet wilt is dat pech gehad. Dat is een punt waarbij de overheid verantwoordelijk gaat worden voor de problemen van de zzp’er. Willen we dat als Nederland? Het idee van collectieve zekerheid is dat iedereen meedraagt, dat is een goede denkrichting van Borstlap. Als je uiteindelijk zelf het risico neemt om arbeidsongeschikt te worden, en je daar dan geen potje voor hebt, daar moet dan de maatschappij daar alsnog voor betalen. Dat is dan bijstand. Dit schets een soort basisinkomen. Dat woord wordt niet genoemd in het rapport, maar een soort basisregeling dat iedereen sowieso voldoende inkomen heeft om rond te komen.” 

Een zzp’er die voornamelijk seizoenswerk doet kan zich bijna niet verzekeren. Hoe willen ze dat gaan veranderen?

“De Commissie-Borstlap stelt heel duidelijk ‘we willen arbeidscontracten, en heel beperkt uitzendwerk en zzp’ers. En al helemaal niet embedded.’ Als het seizoenswerk is in bijvoorbeeld de landbouw, ben je al heel snel embedded bij een bedrijf.

Hugo Jan Ruts schrijft op ZiPconomy ‘deze voorstellen betekenen het einde van huidige ZP-model.’ Waarom?

Hugo Jan Ruts: “Om twee redenen: aan de ene kant de fiscale voorstellen die ze doen. Ik denk dat dat voor een flinke groep zelfstandigen het einde van het ondernemerschap kan betekenen. Maar de tweede is wat mij betreft ingrijpender, en dat is dat de afbakening van ‘wanneer ben je zelfstandig’ of ‘wanneer ben je werknemer’ wel heel sociaal conservatief is wat mij betreft. Dat betekent voor veel zelfstandigen die nu ingehuurd worden dat er maar één route overblijft, en dat is werknemer worden.”

Het is een soort schijnbeeld dat je als zzp’er meer overhoudt of meer verdient in minder dagen. Als je kijkt naar de regels die er aan komen, gaat dat mensen beter bestendig maken?

Van Oostenbruggen: “Het grote spanningsveld bij de inkomensverschillen zit hem in het feit dat mensen zelf de keuze maken tussen inkomen versus verzekeren tegen risico. Als jij je stevig verzekert tegen arbeidsongeschiktheid, een goed pensioen en een flinke buffer wilt overhouden, dan hou je niet het dubbele over met 2 of 3 dagen werken. Daar zit denk ik de crux.”

Er zouden plannen zijn om arbeidsongeschiktheid verplicht te maken, terwijl deze wet begin deze eeuw is afschaft. Zou je daar iets over kunnen zeggen?

Ruts: “Wat Borstlap schrijft is dat er een verzekering komt met een wachttijd van één jaar, dus voor langdurig arbeidsongeschiktheid, en dan tegen een minimum inkomen. Dat is wel behoorlijk basis en wat dat betreft een stuk minder dan de WAZ die we vroeger hadden.

Hoe moeilijk zou het zijn om weer terug te gaan naar de oude VAR? Die stelde dat je minimaal 3 opdrachtgevers per jaar had, en niet voor één klant werkzaam was.

Ruts: “Dat is helemaal niet moeilijk, maar het juist precies niet wat Borstlap wil. Die wil eigenlijk terug naar de situatie van vóór de VAR. De VAR is de Verklaring arbeidsrelatie. Dan kreeg je een verklaring van de Belastingdienst dat je als zelfstandige kon werken. Die zekerheid wil Borstlap wegnemen. Hij wil kijken naar wat er feitelijk gebeurd tijdens het werk en dan beoordelen of er een arbeidsrelatie is of niet. Dat geeft veel onzekerheid bij opdrachtgevers en zelfstandigen of je wel ingehuurd mag worden.

Als je met pensioen gaat hoef je volgens de huidige wetgeving geen arbeidsongeschiktheidsverzekering af te sluiten als je nog een dag wilt werken als zzp’er naast je pensioen. Hoe werkt dat in de nieuwe voorstellen?

Van Oostenbruggen: “Het is een adviesrapport, nog geen voorstel. Het idee is een bepaalde minimumbestaansregeling. Als je AOW krijgt en misschien nog wat extra pensioen, dan heb je geen arbeidsongeschiktheidsverzekering nodig. Maar het idee is ook dat we met elkaar het collectief opbrengen door het belasten van de arbeid. Ik kan me haast niet voorstellen dat gepensioneerden of AOW’ers worden vrijgesteld van bijdragen aan de sociale zekerheidspotten.”

Nederland telt 1,4 miljoen zelfstandigen. Die moeten opnieuw gaan onderhandelen met de opdrachtgever of werkgever over hoe zij de in toekomst zullen werken. Klopt dat?

Van Oostenbruggen: “Ik denk het niet. Wat Borstlap aangeeft is dat de intentie van partijen veel minder belangrijk wordt. Er wordt feitelijk gesneden in de vrijheid waarin mensen afspraken maken. Ik vind dat dan ook een van de meest spannende voorstellen die ze doen. Er gaat zo meteen denk ik vrij dwingend geroepen worden: ‘u bent werknemer en daar moet belasting over betaald worden’.”

Bestaat niet ook het gevaar dat ze gaan zeggen dat je tot een bepaald inkomen per jaar zzp’er bent en dan pas daarboven ondernemer wordt?

Ruts: “Een splitsing tussen zzp’er en ondernemer op basis van inkomen? Dat zit volgens mij niet in de plannen. De helft van alle zelfstandigen verdient nu een inkomen van onder de €27.000. Dat is een hele groep die niet zonder die fiscale voordelen kan denk ik, zeker niet als je fulltime werkt of kostwinner bent. Dat is er nog maar één weg, dat is werknemerschap.”

Een ander voorstel van Borstlap is: ‘Iedereen krijgt bij geboorte een persoonlijk ontwikkelbudget en werkgevers moeten die pot gaan vullen’. Hoe kijk jij daar tegenaan?

Van Oostenbruggen: “Dat idee is op zich niet nieuw. Tegelijkertijd denk ik dat het heel goed is dat mensen zich blijven ontwikkelen. Zeker als ze in een doodlopend carrière-pad zitten. Als er dan een pot is waarmee je je kan omscholen naar een andere beroep, dan is dat volgens mij heel goed. Een van de ideeën van Borstlap is om die transitievergoeding in die pot te storten. Er zijn heel veel mensen die vergoeding op dit moment niet aanwenden voor omscholing.”

De gehele uitzending is hier terug te luisteren.

Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags | Laat een reactie achter

Ton Wilthagen: “Eerst algemene discussie voeren over arbeidsmarkt. En niet alleen in Den Haag.”

De analyse en voorstellen van de Commissie Borstlap/Regulering van werk wijzen in mijn visie in de juiste richting en zijn behoorlijk omvattend en samenvattend. Veel van de analyse en zeker van de voorstellen komt terug in eerdere rapporten, manifesten en internationale initiatieven. Denk aan Decent Work (ILO, 1999), de Europese Common Principles of Flexicurity (2007), waaraan ik heb bijgedragen, diverse SER-rapporten, de Commissie-Bakker (2008), het manifest “Naar een Nieuw Dutch design voor flexibel én zeker werk” dat ik initieerde (2012), de Europese Pillar of Social Rights (2017), het “Wetboek van Werk” (2019, Ruben Houweling c.s., ben ik ook bij betrokken), het WRR-rapport “Het betere werk” (2020, ook eerdere rapporten) – noem maar op.

Dat betekent twee dingen. Enerzijds lijkt er in algemene zin overeenstemming te zijn bij beleidsmakers en experts over het feit dát we iets moeten doen (al hadden moeten doen) en we weten ook wáárom (geen tweedeling op de arbeidsmarkt, bedrijven de ruimte geven om zoveel mogelijk werkgevend en concurrerend te zijn, investeren in menselijk kapitaal, geen ongelijke behandeling en onnodige complexiteit). Anderzijds worden we het in de Nederlandse politiek en polder al twintig jaar niet eens over hóe we dat dan voor elkaar krijgen en doen we óf niets, óf alleen in naam, of de verkeerde dingen, waardoor het probleem nog groter wordt. Daardoor zijn we een typisch atypisch land geworden op het terrein van de arbeidsmarkt.

We moeten eerst dringend de álgemene discussie gaan voeren over de analyse en oplossingsrichtingen

Daarom is het urgent dat we nu wél de goede discussie gaan voeren en de goede zaken doen, hoe complex dit ook is. Dat moet en mag niet alleen in Den Haag, zoals Borstlap benadrukt. Ik pleit ervoor om de regio in te gaan (ook de Haagse) en met ‘gewone’ bedrijven en werkende/niet-werkende mensen te praten: open en eerlijk. Nee, het gaat niet makkelijk worden, ja het is erg laat, maar Nederland moet uiteindelijk in staat zijn om zowel dynamiek als duurzaamheid op de arbeidsmarkt te faciliteren en deze arbeidsmarkttransitie te maken.

Over enkele concrete uitwerkingen in het rapport van de Commissie-Borstlap

We moeten eerst dringend de álgemene discussie gaan voeren over de analyse en oplossingsrichtingen in het rapport van de Commissie Borstlap/Regulering van werk. Vervolgens moet er gekeken worden naar de concrete uitwerkingen die het rapport in bepaalde mate bevat (niet alles is uiteraard uitgewerkt en er kunnen andere uitwerkingen worden gekozen voor dezelfde richtingen). In die volgorde.

Bij enkele in mijn ogen opmerkelijke voorstellen, wil ik kort wat kanttekeningen maken. Slechts capita selecta. Ook weer ter verdere constructieve discussie.

  • Loondoorbetaling: terug van twee naar één jaar is een grote stap maar niet groot genoeg. Uiteindelijk beter aansluiten bij internationale standaarden, zoals de zes weken in Duitsland. Zijn wij nu echt zo’n afwijkend land op dit gebied?
  • Mensen meer ruimte geven om een andere functie te bekleden of op een andere locatie (thuis) te werken, naast het huidige recht dat er al is om meer of minder te gaan werken versus (voorstel) de werkgever meer ruimte geven voor functionele/interne flexibiliteit – is dat niet strijdig?
  • Deeltijdontslag mogelijk maken in een land dat wereldkampioen deeltijdwerk is – veel mensen houden dan al gauw te weinig werk/uren over.
  • De verdere voorstellen over het ontslagrecht. Daar zeker over hebben, want die zijn uiterst complex en gekunsteld (geformuleerd). “De kantonrechter ontbindt altijd tenzij er een opzegverbod is.” Waarom dan nog langs die kantonrechter, stempelautomaat? De preventieve toets wordt behouden, maar de argumentatie wáarom in het internationale speelveld is niet sterk.
  • De “loopbaanwinkel” – een zeer lichtvoetige (jaren zeventig) benaming voor iets wat essentieel is: veel betere, naast digitale ook persoonlijke ondersteuning van mensen op alles wat met werken, niet-werk en scholing te maken heeft. Hier is werk aan de winkel!
  • Beperking tot drie contractuele routes naar werk: onbepaalde en bepaalde tijd contracten, zzp en “uitzendbureaus”. Dit lijkt op de poging in 1999 (Wet werk en zekerheid) om alle flex via uitzendbureaus te laten lopen/af te vangen. Is dat reëel? Het is nu twintig jaar later. Intermediairs zijn steeds minder een ‘bureau”, en het aandeel uitzendflex is relatief klein in de hele flexmarkt. In aansluiting hierop: ik vind de analyse van de platformeconomie en de rol van nieuwe technologie op de arbeidsmarkt- zowel kansen als potentieel – aan de ‘ouderwetse’ kant.
  • De zzp’er. Het rapport is zeker niet anti-zzp, maar zorg dat zzp’ers serieus worden genomen en toch niet als pseudo-werknemers of concurrenten van de werknemer worden gezien. Werken in opdracht en niet in persoonlijke loondienst is dé standaardmanier van werken in de geschiedenis van de arbeid (vóór de industriële massaproductie) en wellicht ook in de verdere toekomst. Zoals mijn voorganger prof. Frans van der Ven zei: uiteindelijk is de echte arbeidsverhouding niet die tot een werkgever maar tot je eigen arbeid.
  • Nog meer premie-differentiatie en flex-toeslag op loon flexwerkers ten behoeve van het tegengaan van flexwerk. Wel reëel blijven. Straks wil iedereen flexwerker worden vanwege hoger loon …
  • Ketenregeling weer terug naar 2 jaar – jojo-effect, dat ik zou vermijden. Met drie jaar is ook te werken.
  • Individueel scholingsbudget vanaf de geboorte. Prachtig en al vaak bepleit. Maar financiering is geen sinecure. Snel gaan uitwerken.

Wordt vervolgd!

Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags | Laat een reactie achter

Voorstellen commissie Borstlap betekenen einde van huidige ZP-model

De Commissie Regulering van Werk onder leiding van Hans Borstlap presenteert vanmiddag haar lang verwachte eindrapport. Eén rode draad in het document is het terugdringen van alle vormen van flexibele arbeid. Het fors aanscherpen van het werknemersbegrip komt erop neer dat organisaties geen zelfstandige professionals meer in kunnen huren voor werkzaamheden binnen de eigen organisaties. Het werknemerschap moet weer de norm worden voor alles wat betreft ‘reguliere arbeid’.  Daarnaast stelt de commissie voor om fiscale verschillen tussen werknemers en zelfstandigen op te heffen en zelfstandigen (verplicht) onderdeel te laten zijn van het collectief sociaal stelsel.

De verschillende maatregelen hebben, indien ze uitgevoerd worden, een zeer forse impact op alle zelfstandigen. Voor tweederde van hen zou uitvoering van deze maatregelen zelfs het einde van het zelfstandig ondernemerschap kunnen betekenen. De impact is zo groot, dat het de vraag oproept of de Commissie die impact wel overziet.

  • De voorstellen maken deel uit van een breed pakket dat in zijn totaliteit moet zorgen voor meer wendbaarheid, duidelijkheid, weerbaarheid en wederkerigheid. Zie voor een samenvatting van het totaal aantal voorstellen dit artikel.

Minder zelfstandigen

De positie van de zelfstandigen in Nederland krijgt, zoals verwacht, ruim aandacht in het rapport. De Commissie concludeert dat ‘de bakens verzet moeten worden’ omdat:

  • Nederland internationaal gezien een zeer groot aandeel zelfstandigen in de beroepsbevolking (kent) hetgeen leidt tot fragmentatie van productie en een hogere volatiliteit van de economie.
  • Het draagvlak voor de financiering van collectieve lasten kleiner wordt doordat zelfstandigen en werknemers niet in gelijke mate bijdragen aan het collectief;

In andere woorden: het aantal zelfstandigen is volgens de Commissie uit de hand gelopen.  Daarom komt ze met voorstellen die een forse impact hebben op het huidige stelsel voor de zelfstandigen.

Wie daarbij had gedacht had dat er een uitruil zou komen tussen deze drie elementen – zp’ers in sociaal stelsel, minder fiscale voordelen, maar dan wat liberaler rond beoordeling arbeidsrelatie – komt van een koude kermis thuis. Juist op het terrein van de afbakening van het begrip ‘werknemer’ laat de Commissie zich van zijn meest sociaal-conservatieve kant zien.

Afbakening begrip werknemer en zelfstandige

De Commissie adviseert om “de grote verscheidenheid aan contractvormen terug te brengen tot een overzichtelijk geheel zodat het voor alle werkgevenden en alle werkenden duidelijk is welk type contract hoort bij welk type werk.”

Daarvoor is een “Hanteerbare en eigentijdse afbakening tussen werknemers en zelfstandigen” nodig. De Commissie verwijst daarmee naar de al jaren lang voortslepende discussie (VAR, Wet DBA)  over de afbakening. Maar als we kijken naar wat de Commissie concreet voorstelt, dan zal niet iedereen zich herkennen in het woord  ‘eigentijds’.

  • EU werknemersbegrip: Ten eerste wil de Commissie bij de definiëring aansluiten bij het ‘Europees werknemersbegrip’. Dat begrip wordt echter met regelmaat een stuk strikter uitgelegd dan in de huidige Nederlandse praktijk en jurisprudentie, bijvoorbeeld bij het vergelijken welke werkzaamheden een werknemer doet en welke werkzaamheden door een zelfstandige worden uitgevoerd.
  • Geen plek voor wil der partijen: Verder ziet de Commissie voor de beoordeling van de arbeidsrelatie geen plek meer weggelegd voor de ‘partijbedoeling’. Die is “niet langer relevant bij de beoordeling van de arbeidsrelatie.” Ofwel: voor de nadrukkelijke eigen wens van de opdrachtgever/opdrachtnemer om via een ZP-model te werken is in een nieuw bestel geen enkele ruimte.
  • Geen zekerheid vooraf: De Commissie wil de dat de ‘feitelijke uitvoering van de overeenkomst’ centraal staat in de beoordeling of er als zelfstandige gewerkt wordt. Daarmee kan dus ook geen zekerheid vooraf gegeven worden. Het is niet anders, zo stelt de Commissie. Dat wil ook zeggen dat de Commissie niets ziet in de webmodule. “Naar de verwachting van de Commissie verbreedt een dergelijke benadering het bereik van de arbeidsovereenkomst, met als gevolg dat diegenen die in een (economisch) afhankelijke positie verkeren sneller vallen onder het bereik van het arbeidsrecht en socialezekerheidsrecht.”
  • Reguliere activiteiten betekent ‘gezagsrelatie’: De commissie vindt dat het “gezagscriterium (…) relevant (blijft) om arbeidsrelaties van elkaar te onderscheiden.  Wel ziet de Commissie reden om het gezagscriterium ‘te moderniseren’. “Dit gebeurt door niet langer het toezicht en de leiding van de werkgever, maar veeleer de inbedding in de organisatie van de werkverschaffer centraal te stellen.” Moderniseren betekent voor de commissie dat de vraag of “activiteiten behoren tot de reguliere activiteiten van de onderneming of organisatie waar deze worden verricht” centraal moeten komen te staan.
  • Werknemer, tenzij… : Tot slot is de Commissie voorstander van het ‘werknemer, tenzij…’ principe. “Wanneer de arbeid persoonlijk en tegen beloning wordt verricht, is sprake van een werknemer tenzij door de werkgevenden (opdrachtgever) kan worden aangetoond dat de werkende een zelfstandige betreft. De bewijslast wordt dan in feite omgedraaid in vergelijking met de huidige situatie.”

Aansluitend bij het Europees werknemersbegrip, geen plek voor de partijbedoeling, geen zekerheid vooraf willen geven, ‘reguliere activiteiten’ als basis voor het gezagscriterium, het ‘werknemer tenzij’ principe: het is een mix die het einde kan betekenen voor de huidige manier van werken voor de naar schatting 300-400.000 zelfstandige professionals die ingehuurd worden door organisaties om daar opdrachten en werkzaamheden uit te voeren.

Overigens merkt de Commissie nog op niets te zien in een opt-out regeling voor zelfstandigen met een hoog tarief, zoals minister Koolmees dat voorstelt. (zie dit artikel voor meer over deze afwijzing)

Fiscaal

Op fiscaal terrein wil de Commissie verschillen tussen werknemers en zelfstandigen laten verdwijnen. En dan ingrijpender en in een veel hoger tempo dat het huidige kabinet al van plan is met de geleidelijke en gedeeltelijke afbouw van de zelfstandigenaftrek.

De Commissie stelt concreet voor om:

  • De huidige ondernemersfaciliteiten (inclusief de mkb‐winstvrijstelling) volgens een herkenbaar tijdpad spoedig af te bouwen;
  • voor de DGA (zijn aandeel in) de winst van de vennootschap onmiddellijk te belasten, zo veel mogelijk als arbeidsinkomen;
  • fiscale faciliteiten voor ondernemers (incl. DGA’s) te richten op het in de onderneming aangewende kapitaal in de vorm van een vermogens‐ of een (algemene) investeringsaftrek

Zelfstandigen met een BV ontspringen hier dus niet de dans. “Zij zijn door fiscale regels in staat gesteld om de progressieve belastingheffing over hun (arbeids)inkomen in belangrijke mate te ontgaan”, zo schrijft de Commissie.

Verder is de Commissie “zich ervan bewust dat deze beleidsrichting tot forse lastenstijgingen leidt voor sommige zelfstandigen (ib-ondernemers en DGA’s), namelijk degenen onder hen die voornamelijk arbeid en weinig kapitaal inzetten in hun ondernemingsactiviteit. Voor kleine zelfstandigen (ib‐ondernemers) is een lastenstijging naar de mening van de Commissie het spiegelbeeld van ongelukkig fiscaal beleid in de afgelopen decennia”. Ofwel: na jaren van fiscaal zoet, is het nu tijd voor het zuur. Want, zegt de Commissie:  “de fiscaliteit is een onhanteerbaar groot onderscheid gaan maken tussen zelfstandige en onzelfstandige arbeid.”

Opvallend is dat de Commissie hier geen onderscheid maakt tussen bijvoorbeeld zelfstandigen ‘eigen arbeid’ en ‘zelfstandigen producten’. De zelfstandigenaftrek ontstond ooit als inkomensondersteuning voor juist die laatste groep. Onder het mom van een arbeidsmarkthervorming neemt de commissie ook voor deze groep – bijvoorbeeld kleine winkeliers – de fiscale voordelen weg.

De helft van alle zelfstandigen heeft een inkomen onder de 27 duizend euro per jaar (CBS, 2017). Het is moeilijk denkbaar hoe zij zonder deze fiscale voordelen door kunnen werken als zelfstandig ondernemer.

Sociale zekerheid

Iets minder verrassend is dat de Commissie naar een “arbeidsongeschiktheidsverzekering voor alle werkenden” wil. De Commissie heeft daarbij een ”publiek uitgevoerde verzekering voor ogen die alle werkenden basisinkomenszekerheid biedt. Dit impliceert een keuze voor een uitkering op het niveau van het bestaansminimum.”

Over pensioenen schrijft de Commissie  “Een in gelijke mate beschermen van werkenden vergt volgens de Commissie aanpassingen in de richting van een gelijk speelveld. In dit kader ligt een aanvullende voorziening in het fundament voor alle werkenden, boven de huidige AOW, in de toekomst voor de hand.” Ofwel: mogelijk verplicht aanvullend sparen voor zelfstandigen.

“Voor werknemers worden inkomensschokken (…) opgevangen via een hogere, maar kortere WW-uitkering; voor zelfstandigen blijft werkloosheid tot het ondernemersrisico behoren, omdat zij – anders dan werknemers – op dat risico invloed hebben.”

Tot slot wil de Commissie het ‘risico op kennisveroudering’ opnemen in een sociaal zekerheidsstelsel. Daarmee moet het “aanpassingsvermogen van alle werkenden” worden vergroot. De Commissie doet een aantal voorstellen waar werkenden gebruik van kunnen maken. Ook zelfstandigen, die gaan er overigens ook aan meebetalen.

Conclusies

In 1999 kwam het kabinet Kok II met de nota “De ondernemende samenleving: meer kansen, minder belemmeringen voor ondernemerschap.”  Daarin wordt onder andere geconstateerd dat het aantal startende ondernemers in Nederland achterblijft ten opzichte van andere landen in Europa. Het zou de aanzet zijn tot de VAR en fiscale voordelen voor zelfstandigen.

20 jaar later is er alle aanleiding om de vraag te stellen ‘In welk land willen we werken’. In zo’n discussie passen geen heilige huisjes. Zeker als het gaat over de scherpste randen van ‘flex’ en ongewenste effecten van ons huidige zp/zzp-model.

En ja, er is aanleiding en momentum om te zoeken naar een nieuw sociaal evenwicht.

De analyse van ons huidige zp-model is wel soms erg mager. De beschreven effecten van bijvoorbeeld de zelfstandigenaftrek zijn eendimensionaal. De groep ‘zelfstandingen producten’ komt niet aan bod. De groeiende voorkeur die mensen hebben om anders te werken dan als werknemer, wordt wel benoemd, maar krijgt nauwelijks een plek. De dynamiek van zelfstandigen in bedrijven en op de arbeidsmarkt wordt wel erg gemakkelijk vervangen door (uitsluitend) in te zetten op meer ‘interne flex’. De mogelijkheden die zelfstandig ondernemerschap soms biedt voor mensen met afstand tot de arbeidsmarkt (een groep die er in dit rapport sowieso bekaaid van afkomt) komt niet aan bod. In die zin is het Britse Good Work rapport (ook geschreven in opdracht van de regering) een stuk evenwichtiger, ook als het gaat om de kansen die de platformeconomie biedt.

De optelsom van de verschillende maatregelen betekent het einde voor misschien wel tweederde van de huidige zelfstandigen. Met als enig perspectief voor hen ‘werknemerschap’. Ik vraag me af of de Commissie die impact wel overziet. Waar bij werkgevers en werknemers er zowel ‘zoet’ als ‘zuur’ in de voorstellen zit, zit er voor zelfstandige ondernemers – zeker voor hen voor wie extra bescherming prettig is maar geen noodzaak – vooral ‘zuur’ in het vat.

Uiteindelijk kiest de Commissie immers niet voor een modernisering van het begrip ‘zelfstandige’ of een herontwerp van het sociaal/fiscaal systeem van hen, maar zet zij de klok 20 à 30 jaar terug. ‘Werknemer, tenzij…’. Dat kan je lastig ‘eigentijds’ noemen. En dat is jammer. Het gebrek aan nuance in de voorstellen over de zelfstandigen legt bij voorbaat al een hypotheek op de zo broodnodige discussie.


Meer weten?

Volg het webinar ‘Heet van de naald: de laatste politieke ontwikkelingen rond wetgeving zzp en inhuur externen’. 

Aan bod komt: reactie Kabinet rapport Borstlap, het wel of niet doorgaan van wetgeving die de Wet DBA moet vervangen, de webmodule, een reactie op het rapport van de Commissie Borstlap, het overleg tussen Kamer en Koolmees van 12 feb. Hugo-Jan Ruts praat je in dit webinar in een half uur weer helemaal bij over de laatste stand van zaken.

Schrijf je hier in voor dit webinar (zie programma op de vrijdag)


Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , , | 59s Reacties

Alle voorstellen van de Commissie Regulering van Werk op een rij

De Commissie Borstlap, ingesteld door minister Koolmees, heeft zich het afgelopen jaar gebogen over de vraag hoe een nieuw ontwerp voor de regulering van werk er uit zou moeten zien. Daarvoor sprak de commissie, waarin voornamelijk economen en juristen zitten, veelal uit de academische wereld, met een groot aantal experts en vertegenwoordigers uit het politieke middenveld. De Commissie doet een groot aantal voorstellen,  geclusterd rond vier grote thema’s die volgens de commissie vereist zijn voor wie in Nederland werkt of wil werken: wendbaarheid, duidelijkheid, weerbaarheid en wederkerigheid.

In het rapport van meer dan honderd pagina’s staan naast een analyse en historisch overzicht tal van voorstellen verder uitgewerkt. Bouwstenen, noemt de Commissie die. Rond vier thema’s die volgens de commissie een vereiste zijn: wendbaarheid, duidelijkheid, weerbaarheid en wederkerigheid.

Het volledige rapport is hier te downloaden op de website van de Commissie

Ze moeten bijdragen aan de volgende vijf kern adviezen:

  1. Bevorder interne wendbaarheid, rem externe flexibiliteit af
  2. Creëer een overzichtelijker stelsel van contractvormen
  3. Stel alle werkenden in staat zich te ontwikkelen en te (blijven) leren
  4. Zorg voor een fiscaal gelijke behandeling van alle werkenden en voor basisinkomenszekerheid voor alle werkenden
  5. Kom tot een activerend en inclusief arbeidsmarktbeleid

Hoofdpunten

Een samenvatting van de voorstellen, geclusterd per thema staat hieronder. Waarbij de Commissie nog waarschuwt dat de voorstellen ‘in samenhang’ gezien moeten worden. Shoppen uit deze lijst zit er niet bij.  

  1. Wendbaarheid

Interne wendbaarheid binnen het arbeidsrecht wordt vergroot

  • Maak het voor werkgevers eenvoudiger functie, arbeidsplaats en werktijd van werknemers aan te passen wegens bedrijfseconomische omstandigheden, als spiegelbeeld van de rechten die werknemers hebben op grond van de Wet flexibel werken.
  • Introduceer de mogelijkheid van een deeltijdontslag (zonder preventieve toets) tot een bepaald percentage van de arbeidsduur wegens bedrijfseconomische omstandigheden (eventueel met een rol voor de ondernemingsraad). Werknemer moet aanbod werkgever accepteren, tenzij aan de kant van werknemer sprake is van zwaarwegende belangen.
  • Wanneer de werkgever een werknemer wil ontslaan op grond van een in de persoon van de werknemer gelegen reden, ontbindt de rechter altijd; op het ontbreken van een redelijke grond staat een financiële sanctie.
  • De plicht tot loondoorbetaling en re‐integratie bij ziekte wordt voor werkgevers teruggebracht naar een jaar. Voor re‐integratie buiten het eigen bedrijf kan publiek‐private samenwerking kleine werkgevers ontlasten en helpen bij effectieve arbeidsbemiddeling.
  • Concurrentiebeding bij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is enkel toegestaan bij zwaarwegende bedrijfs‐ of dienstbelangen.

Financiële prikkels rondom externe flex verdwijnen

  • Fiscale gelijke behandeling van arbeid voor alle werkenden (werknemers en zelfstandigen).
  • Afbouwen fiscale regelingen voor zelfstandigen; verander fiscale faciliteiten voor zelfstandigen (zelfstandig ib ondernemers en dga’s) door deze te richten op het in de onderneming aangewende kapitaal in de vorm van een vermogens‐ of een (algemene) investeringsaftrek.
  • Zorg via premiedifferentiatie in werknemersverzekeringen dat de kosten van flexibel werk niet
  • afgewenteld kunnen worden op het collectief. Voorkom ongewenste cumulatie van beprijzing.
  • Hoger (wettelijk minimum) loon voor werknemers die werken op basis van een flexibele arbeidsovereenkomst (naar duur, urenomvang of anderszins).

Switchen tussen contractvormen wordt eenvoudiger

  • Verplichte verzekeringen voor alle werkenden tegen grote inkomensrisico’s (zie voor de uitwerking onder weerbaarheid). 

Externe flex binnen het arbeidsrecht wordt teruggedrongen

  • Driehoeksverhoudingen zijn toegestaan waar zij toegevoegde waarde hebben (zie voor de uitwerking onder duidelijkheid).
  • Oproepcontracten zijn enkel toegestaan met minimaal een kwartaalurennorm.
  • Loonuitsluitingsbedingen zijn niet langer mogelijk.
  • Ketenregeling wordt teruggebracht naar twee jaar (uitzonderingen mogelijk)  
  1. Duidelijkheid

Ordening van contractvormen en vergroten opeisbaarheid van rechten

  • Drie rijbanen: er zijn zelfstandigen, werknemers met een contract voor (on)bepaalde tijd en werknemers die op uitzendbasis tijdelijk werk verrichten dat qua duur en omvang van tevoren niet of moeilijk te overzien is. Vluchtroutes worden bestreden en afgesloten.
  • Werkenden krijgen laagdrempelige hulp om hun rechten te effectueren (arbeidsombudsman), zodat zij krijgen waarop zij recht hebben.

 Heldere en eerlijke afbakening tussen werknemers en zelfstandigen

  • Aansluiting bij het Europees werknemersbegrip; bij de kwalificatie van de overeenkomst is de feitelijke situatie doorslaggevend.
  • Het gezagscriterium in artikel 7:610 van het BW (de definitie van de arbeidsovereenkomst) wordt
  • eigentijds uitgelegd (meer nadruk op inbedding in organisatie en aard werkzaamheden). Dit wordt verduidelijkt in wetgeving.
  • Werknemer, tenzij‐benadering heeft bij de kwalificatie de voorkeur maar vanwege Europese belemmeringen niet zonder meer door te voeren; overleg met Brussel is vereist.

 Driehoeksverhoudingen zijn toegestaan waar die toegevoegde waarde hebben

  • Uitzendconstructie vereist een allocatiefunctie (uitzendbureau) en tijdelijkheid (uitzendopdracht).
  • Uitzendbeding blijft mogelijk voor 26 weken maar opzegverboden gelden wel.
  • Uitzendkrachten krijgen vanaf dag één recht op arbeidsvoorwaarden gelijk aan werknemers bij de inlener.
  • Mogelijkheden tot uitbreiding ketenregeling bij uitzending komen te vervallen.
  • Bemiddelaar (dus geen uitzendbureau) wordt gelijkgesteld met werkgever voor betaling belastingen en premies, mits de betaling via de bemiddelaar loopt.
  • Voorkom dat het verlichte ontslagregime voor uitzending oneigenlijk gebruikt wordt, en ga na hoe een goede naleving van civiele en publiekrechtelijke regels door uitzendwerkgevers geborgd kan worden.
  1. Weerbaarheid

Leven lang ontwikkelen met persoonlijk ontwikkelbudget

  • Ken aan een ieder persoonlijk ontwikkelbudget toe bij geboorte.
  • Maandelijkse bijdrage van de werkgever aan het persoonlijk ontwikkelbudget van de werknemer uit loonruimte. Bijdrage van de werkgever aan het persoonlijk ontwikkelbudget aan de werknemer bij einde dienstverband op initiatief werkgever (transitievergoeding).
  • Vorm de transitievergoeding om tot een vergoeding die leidt tot extra persoonlijk ontwikkelbudget.
  • Ondersteun een leercultuur met loopbaanwinkel.

 Arbeidsongeschiktheidsverzekering voor alle werkenden

  • Voer een basisverzekering in op bestaansminimumniveau voor alle werkenden.
  • Uitvoering basisverzekering ligt in publieke hand.
  • Wachttijd wordt gesteld op een jaar (werknemers hebben in dat jaar recht op loondoorbetaling).
  • Verplichte aanvullende verzekering voor werknemers op basis van ZW en WIA.
  • Zelfstandigen behouden boven de basis keuzevrijheid.

 WW voor werknemers die inkomensschokken voorkomt

  • Maak de WW‐uitkering hoog en kort.
  • Verplichting tot om/bijscholing via loopbaanwinkel betaald uit het persoonlijk ontwikkelbudget.
  1. Wederkerigheid

 Iedereen doet mee

  • Tegenover het recht op een uitkering staat de plicht om vanaf dag één actief te werken aan het
  • versterken/verbeteren van de positie op de arbeidsmarkt.
  • Uitkeringsgerechtigden doen dat in een gestructureerde, professionele en activerende setting (bijvoorbeeld een “loopbaan of doorgroei huis”).

 Investeer in volwaardige participatie aan de basis van de arbeidsmarkt

  • Creëer aanvullende werkgelegenheid voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.
  • Kom tot een eenduidige regeling die werkgevers ontzorgt en compenseert voor productieverlies en begeleidingskosten.
  • Investeer aanzienlijk meer in maatwerk en begeleiding van mensen die langdurig met een uitkering aan de kant staan.
  • Koppel de regelingen voor inkomensondersteuning los van de persoonlijke begeleiding die nodig is om tot volwaardige participatie te komen.
  • Stimuleer bijverdienen naast de uitkering en schep helderheid in het woud van toeslagen.
  • Werk toe naar één regeling voor inkomensondersteuning aan de basis van de arbeidsmarkt.
Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , | 11s Reacties

Commissie Borstlap ziet niets in nieuwe zzp-wetgeving Koolmees

De Commissie Regulering van werk, ook bekend als de Commissie Borstlap, ziet niets in de wetsvoorstellen die minister Koolmees in voorbereiding heeft ter vervanging van de Wet DBA. Dit schrijft de Commissie in haar eindrapport In wat voor land willen wij werken?  dat morgen gepresenteerd wordt.

Minister Koolmees wil via een minimumtarief de onderkant van de zzp-markt beschermen en via een zelfstandigenverklaring (ook wel de ‘opt-out’) zelfstandigen met een uurtarief boven de 75 euro duidelijkheid geven.

De Commissie heeft grote twijfels bij het effect van deze wetten en maakt zich zorgen over de handhaafbaarheid. Daarmee sluit de Commissie zich overigens aan bij een breed verzet tegen de concept-wetsvoorstellen. Minister Koolmees zal binnen een of twee weken een besluit moeten nemen of hij de wetsvoorstellen toch naar de Kamer stuurt.  Op 12 februari overlegt hij met de Kamer.

Niet handhaafbaar

Over het minimumtarief schrijft de Commissie dat het ‘zeer de vraag (is) of een dergelijke bodem in de uurtarieven van zelfstandigen handhaafbaar zal zijn en het beoogde effect zal hebben, terwijl het wel tot grote administratieve lasten zal leiden.’ De Commissie wil liever strengere ‘afbakeningscriteria’ (wie is wel/geen zelfstandige), waardoor automatisch veel werkenden  ‘onder het arbeidsrecht en, in het verlengde, de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag gebracht (worden).’

Met betrekking tot de Zelfstandigenverklaring op basis van een tarief verwacht de Commissie dat ‘een dergelijk tarief in de praktijk niet goed te handhaven zal zijn en eveneens zal leiden tot een grote administratieve belasting van diegenen die juist als zelfstandige willen optreden. (…)  Verder ondergraaft een systeem van opt-out de solidariteit binnen het stelsel van  werknemersverzekeringen. De Commissie acht dat niet gewenst omdat dit de houdbaarheid van deze collectieve regelingen potentieel uitholt en het draagvlak hiervoor ondergraaft.’

Dilemma

Met dit advies lijkt elk draagvlak voor de wetsvoorstellen te ontbreken. Maar ook de voorstellen die Borstlap op dit vlak doet, lijken binnen deze coalitie onhaalbaar. Ze vragen bovendien om een nieuw wetgevingstraject. Nu niets doen, betekent nog jaren wachten op meer bescherming aan de onderkant van de markt en blijvende onzekerheid bij opdrachtgevers en zelfstandige professionals aan de bovenkant van de markt.

De Commissie gaat niet expliciet in op de webmodule. Ze schrijft wel dat de “feitelijke uitvoering van de overeenkomst” centraal staat in de beoordeling over er als zelfstandige gewerkt wordt. Dat geeft, zoals ze zelf schrijven, geen ruimte voor het afgeven van duidelijkheid vooraf. Dat is precies wat wel het doel van de webmodule is.

Een volledige overzicht van alle voorstellen van de Commissie Borstlap volgt later op ZiPconomy. 


Meer weten?

Volg het webinar ‘Heet van de naald: de laatste politieke ontwikkelingen rond wetgeving zzp en inhuur externen’.

Op woensdagmiddag 12 februari overlegt minister Koolmees met Kamer over het zzp-dossier. In dat overleg zullen het kabinet kleur moeten bekennen over: het wel of niet doorgaan van wetgeving die de Wet DBA moet vervangen, de webmodule, een reactie op het rapport van de Commissie Borstlap. Een richtingbepalend moment voor zelfstandige professionals, opdrachtgevers en bemiddelaars. Hugo-Jan Ruts praat je twee dagen na dat overleg in dit webinar in een half uur weer helemaal bij over de laatste stand van zaken.

Schrijf je hier in voor dit webinar


 

Geplaatst in ZP en Politiek | Tags , , , | 2s Reacties

Freelancers, zzp’ers en interim managers in de media en politiek. Een historisch overzicht.

De uitzending van Werkverkenners staat deze week in het teken van de ‘flex-pioniers’. De ondernemers achter de verschillende vormen van flex-arbeid zoals we die in Nederland kennen. Randstand grondlegger Frits Goldschmeding is wereldwijd een pionier als het gaat om uitzendarbeid. “Interim-management” is een Nederlandse uitvinding. En ook in andere contractvormen zijn we in Nederland op zijn minst creatief te noemen.

Maar hoe zit het eigenlijk met de geschiedenis van termen als zzp, freelancer en interim-managers? Daarvoor dook ik eens in oude kranten en in de handelingen van de Tweede Kamer.

Free lancer

De uitvinding van de term free lancer – los geschreven – wordt toegedicht aan Sir Walter Scott. Hij gebruikte het in zijn roman Ivanhoe uit 1819.

De term duikt in 1914 voor het eerst op in een Nederlandse krant. Het ‘Algemeen Handelsblad’ schrijft “aldus biedt een “free lance”, een los werkman onder de journalisten, zijn producten, zijn koopwaar aan.” De eerste verwijzing is dus naar journalisten, een beroepsgroep waar (weer) veel zelfstandigen actief zijn.

Tien jaar later komt de term veelvuldig terug in een berichtgeving over een destijds ‘geruchtmatig proces’ over een klap die Jonkheer jhr. R.F. Groeninx van Zoelen aan de heer Van Blankestein uitdeelde. Aanleiding was een uit de hand gelopen polemiek. Bij de in de media breed uitgemeten rechtszaak wordt ter verdediging ingebracht dat Groeninx (hij wordt later omschreven als een ‘obscuur pamflettist ter rechter zijde’ en wordt in de jaren dertig de leider van de ‘Algemeene Nederlandsche Fascisten Bond’) , “zelfstandig werkt, zonder aan een basale courant verbonden te zijn. Hij is een zg. „freelance”, die niet, gelijk de heer v. Blankenstein, een perstrust achter zich heeft.”

Eind jaren twintig duikt de term ook op in verhalen over ‘Hollywood’ en auteurs die zich hebben vrijgevochten van hun vaste contracten bij de grote studio’s . Destijds was het nog gebruikelijk dat acteurs in vaste dienst waren. In de Sumatra Post wordt de term free lance nog even uitgelegd: ‘Welk woord zoowel in de filmwereld als in de journalistiek beteekent dat men niet vastverbonden is aan eenigerlei onderneming, doch den hoogstbiedenden tijdelijk dient”

In 1939 heeft de Telegraaf  het over freelance piloten. Aardig is ook nog een groot artikel in  “De Nederlandsche journalist / maandblad van het verbond van Nederlandsche journalisten” met als titel “Vrijschutter of Vrijman’ uit 1941. Over een onvrije pers in die tijd wordt overigens niet gerept. De spatie tussen free en lance lijkt dan definitief verdwenen.

Interim manager

Nederland mag zich de ‘uitvinder’ van de term interim-management noemen. De tijdelijke manager gespecialiseerd in veranderopdrachten. Die term doemt voor het eerst op in het Limburgsch dagblad van 1 augustus 1980. Daarin wordt verwezen naar een ‘ad interim-manager’ die een opdracht doet bij een hartkliniek in de problemen. In hetzelfde jaar schrijft het Nederland Dagblad dat de Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij ziet dat bedrijven behoefte hebben aan interim-management. “Er zijn wel commerciële bureaus die zich daar mee bezig houden, maar die zijn vrijwel allemaal in de Randstad Holland [mooie term, red.] of Centraal-Nederland gevestigd” zo legt iemand van de NOM uit. De dienstverlening interim-management bestaat dan dus blijkbaar al een tijdje.

In november 1982 mogen twee interim-managers van Twijnstra & Gudde in het NRC uitgebreid uitleggen wat interim-management nu eigenlijk is. Het artikel krijgt de kop “Tijdelijk management vervult EHBO functie.” Een interim-manager zegt dat ‘door gebrek aan deskundigheid en souplesse de behoeft bij de overheid groot is”.

Zelfstandige zonder personeel

“De zelfstandige ondernemers gaan terug in getal, en het reuzeleger der bezitloze, afhankelijke, ondergeschikte werkers neemt toe. En de opruiming die zij – grote ondernemers –  houdt onder de werkelijk onafhankelijke ondernemers is nog veel grondiger dan uit deze cijfers te zien valt.   Er zijn veel ondergeschikten bijgekomen. Hoe lang zullen de 78% niet-zelfstandigen blijven gehoorzamen en zich laten uitbuiten.”

Frank van der Goes maakt zich in een groot artikel in 1909, vol cijfermatige onderbouw, flink zorgen over de toename van het aantal ‘niet-zelfstandigen’. Van der Goes zou later de socialistische SDAP oprichten. Dat zelfstandigen gedwongen werden om in loondienst te gaan, dat vond hij maar niets.

De eerste keer dat we de term ‘zelfstandigen zonder personeel’ in de krant zien verschijnen is in april 1930. De Haagse Courant bericht over 190.000 zelfstandigen zonder personeel die “met den totalen ondergang bedreigd worden” door de nieuwe Winkelsluitingsweg. We hebben het hier over de groep die het CBS nu de ‘klassieke zzp’ noemt: zij die producten verkopen in plaats van diensten of hun eigen uren. Anno 2020 is ongeveer één op de vijf zzp’ers zo’n klassieke zzp’er.

De nieuwe zzp’er duikt in 1967 op in de kranten. In het Nieuwsblad van het Noorden stelt een briefschrijver de vraag : “Ik werk als zelfstandige zonder personeel. Nu ben ik ziek geweest en mag ongeveer acht maanden niet werken. Zodat ik dan ook niets verdien. Heb ik nu ook recht op een uitkering?”

De Volkskrant van 21 december 1985 bericht over “Zelfstandige zonder personeel krijgt geen belastingverlaging.” Staatssecretaris van Zeil ziet een plan daarvoor van het CDA en de VVD en dat op een Kamermeerderheid kan steunen, niet zitten. Deze oproep zou een paar jaar later leiden tot de voorganger van de zelfstandigenaftrek.

In 1989 legt een woordvoerder van de werkgeversorganisatie NCOV (een van de voorgangers van MKB Nederland) in Trouw uit dat het er door de belastinghervorming (‘Operatie Oort’) voor de zelfstandige zonder personeel niet eenvoudiger op wordt.  Het uit elkaar trekken van privé en zakelijke kosten, is ‘lastige stof’.

Echt in het nieuws komt het begrip zzp’ers begin jaren negentig. Ina Kuiper heeft dan in Harlingen ‘De Vrije Arbeider’ opgericht. ‘De idealiste’, zoals ze genoemd wordt in een artikel in de Leeuwaarder Courant van 24 februari 1992, wil zzp-bouwvakkers helpen. “ZZP’ers staan als harde werkers bekend. Het is dé oplossing voor vaklieden die het slecht bij een vaste baas kunnen vinden.” Maar ze stuit op veel onwil en bureaucratie. Klaas Wagenaar komt aan het woord. Hij heeft een ZZP-verklaring aangevraagd bij het Fonds Bouwnijverheid, maar moet daar nog steeds op wachten. “Alleen met zo’n verklaring weet een aannemer dat Wagenaar zelfstandig zijn beroep uitoefent en dat hij voor hem geen sociale premies hoeft te betalen.” Op de VAR moesten we tot 2001 wachten.

Het is ook de eerste keer dat de afkorting zzp in de redactionele kolommen verschijnt. Iets eerder zie je ze wel in kleine advertenties (afkortingen zijn goedkoop) in de Telegraaf waar onder andere timmerlieden zich aanbieden.

ZZP’ers die betrokken zijn bij ‘De Vrije Arbeider’ worden later dat jaar door de ‘economisch politierechter’ veroordeeld omdat ze niet de juiste vergunningen hebben.

Tweede Kamer

Ook in de Tweede Kamer wordt rond die tijd voor het eerst de term zzp’er gebruikt en wel bij de bespreking van de arbeidsomstandigheden wet. De SP wijst naar de aanwezigheid van zzp’ers in de bouw.

Rond de eeuwwisseling komt de term zzp’er nadrukkelijker in beeld en wordt zichtbaar dat het om meer dan alleen bouwvakkers gaat. Het markeert ook het startpunt van het zzp-debat zoals we die nu kennen en die nog steeds niet afgerond is.

In 2000 constateert een werkgroep «Harmonisatie Ondernemers- en Zelfstandigenbegrip, onder leiding van Prof Leo Stevens, dat “de toegenomen diversiteit aan arbeidsrelaties en vormen van zelfstandig ondernemerschap ertoe heeft geleid dat het steeds moeilijker wordt om in weten regelgeving een scherpe scheidslijn te trekken tussen werknemers en zelfstandige ondernemers.”  Staatssecretaris Wouter Bos schijft aan de Kamer dat hij het (met twee collega bewindslieden) eens is met de conclusie dat onduidelijkheid over de arbeidsrelatie(…) kan leiden tot verstoring van concurrentieverhoudingen, tot gemist ondernemerschap doordat opdrachtgevers terughoudend zijn met het verstrekken van opdrachten aan met name zelfstandigen zonder personeel.” Het zou gaan leiden tot de VAR.

Een jaar eerder komt het Kabinet onder leiding van PvdA’er Wim Kok met de nota “De ondernemende samenleving: meer kansen, minder belemmeringen voor ondernemerschap.”  Daarin wordt onder andere geconstateerd dat het aantal startende ondernemers in Nederland achterblijft: “Weliswaar is het aantal ondernemers de laatste jaren toegenomen, maar dit geldt in mindere mate als dit gerelateerd wordt aan de groei van de beroepsbevolking. Zo was het aantal ondernemers als percentage van de beroepsbevolking pas in 1996 weer op het niveau van 1972. Nederland loopt daarmee achter op het gemiddelde van de Europese Unie en de Verenigde Staten.”

Een interessante paragraaf wordt gewijd aan het fenomeen zzp:

Eén van de verschijningsvormen van ondernemerschap die de laatste jaren in de belangstelling staat, is die van de zelfstandige zonder personeel . Vooral in sectoren als de bouw zijn er relatief veel ZZP-ers te vinden.

De toename van het aantal ZZP-ers stuit wel op kritische kanttekeningen. Zo wordt wel de vrees uitgesproken dat de toename van het aantal ZZP-ers concurrentievervalsend werkt doordat ZZP-ers aan minder financiële verplichtingen gebonden zouden zijn. Bovendien wordt wel gevreesd voor het ontstaan van een tweedeling doordat aangenomen wordt dat het vooral jonge, gezonde werknemers zijn die zelfstandig zullen worden. Eén en ander zou een grote druk leggen op sociale premies en uitkeringen. Daarnaast zorgen de verschillende interpretaties van het ondernemersbegrip bij diverse instanties voor veel onduidelijkheid. Bij dit alles moet echter bedacht worden dat de toename van het aantal ZZP-ers vaak het gevolg is van de toegenomen maatschappelijke waardering voor het ondernemerschap.

Bovendien beantwoorden ZZP-ers door hun grote flexibiliteit aan de behoefte van opdrachtgevers aan een slagvaardiger bedrijfsvoering. Ook lijkt de vrees voor een tweedeling in leeftijd vooralsnog niet gegrond. Zo start 75 procent van de ZZP-ers op een leeftijd van 35 jaar of ouder. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of deze vrees gerechtvaardigd is. Dit geldt eveneens voor de vermeende concurrentievervalsing.”

Tweedeling, druk op sociale premies, concurrentievervalsing, verschillende interpretaties ondernemersbegrip, maatschappelijke waardering voor het ondernemerschap, behoefte aan flexibiliteit. Een rijtje begrippen uit een nota uit 1999. En we hebben het er nog steeds over…

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags | Laat een reactie achter