Maandelijkse archieven: mei 2021

Om 5 uur opstaan

Lange dagen

Bas Kleinveld, eigenaar reclamebureau Studio Campo en parttime ‘5AM’er’, staat nu om 5 uur op en merkt dat hij meer tijd over heeft op een dag. Zijn bedrijf begon te groeien en zo kon hij ongestoord werken met optimale concentratie. Daarnaast had hij verwacht dat het vroege opstaan veel zwaarder zou zijn dan dat het was. “Ik voelde me fris en fruitig, moet ik eerlijk zeggen.”

Gezondheid

Of je vroeg op kan staan hangt af van meerdere factoren, bijvoorbeeld of je een ochtend-, middag- of avondmens bent. Uit onderzoek is gebleken dat maar 14% van de mensen echt een ochtendmens is, maar dan moet je op tijd naar bed gaan zodat je geen slaaptekort krijgt. Volgens Els van der Helm, slaapexpert en oprichter van Shleep, is melatonine een belangrijk aspect. “Melatonine is een slaaphormoon dat ook werkt op onze biologische klok.”

Om in te schatten of vroeg opstaan daadwerkelijk gezond voor je is, is best lastig volgens Els van der Helm. Er is nog geen onderzoek gedaan waarbij er wordt gekeken naar de risico’s. Ze vertelt dat mensen die verschillende diensten draaien op lange termijn negatieve gezondheidseffecten krijgen. “We weten uit onderzoek dat het continu veranderen van je ritme niet gezond is.”

20-20-20 Regel

Madelon Meester, hoofdredacteur Intermediar, heeft een week lang het idee van Robin Sharma gevolgd omdat ze las dat mensen zich daardoor beter voelen. “Ik vond het toch wel prettig om het moment voor jezelf te hebben. Je wordt niet wakker gemaakt door je kinderen, maar je kan eerst rustig ontwaken.” Daarnaast ging ze ook vroeger aan het werk wat als voordeel had dat niemand haar stoorde. Ook heeft ze de 20-20-20 regel van Robin Sharma gedaan. Dit houdt in dat je de eerste 20 minuten intensief gaat sporten. Dan komt het stofje dopamine vrij, de neurotransmitter van motivatie, na die 20 minuten hou je een dagboekje bij waarin je schrijft wat je doelen zijn de komende drie maanden en tenslotte beluister je de laatste 20 minuten een podcast. “Ik vond het op zich wel fijn dat je beetje beweegt en het ging ook beter gedurende de week,” aldus Madelon Meester.

Kortom, de meeste mensen houden niet van vroeg opstaan, we blijven liever liggen. Toch is er een kleine groep mensen die echte ochtendmensen zijn en hun dag vroeg beginnen. Het heeft ook zo zijn voordelen, extra tijd, ongestoord werken en meer concentratie. Staat jouw wekker morgenochtend om 5 uur?

Luister hieronder het radioprogramma terug.

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , , | Laat een reactie achter

Vijf opdrachtgevers vallen in de prijzen bij derde uitreiking ‘Zoals het hoort’-Award van Jellow

De ‘Zoals het hoort’-Award is een initatief van Jellow om goed opdrachtgeverschap te belonen. Jellow is een freelance netwerk waar ongeveer 45.000 freelancers on demand te vinden zijn. Het platform reikt de award eens per kwartaal uit aan opdrachtgevers die aan de volgende drie criteria voldoen:

  • Tijdig reageren op alle freelancers
  • Uitgebreid de opdracht omschrijven
  • Duurzame relaties aangaan, bijvoorbeeld via freelance pools

De jury

De jury van de ‘Zoals het hoort’-Award bestaat uit customer success officers van Jellow. Zij hebben dagelijks contact met de opdrachtgevers en springen bij waar nodig. Daardoor zijn zij op de hoogte of communicatie wel of niet lekker verloopt.

De verkozen opdrachtgevers

Elk kwartaal kiest de jury drie opdrachtgevers uit. Eerder waren Nationale-Nederlanden, T-Mobile, Homerr, GewoonGers, Yfer, Nederlandse Loterij, Leapforce en Rinsma Modeplein al de gelukkige winnaars.

De verkozen opdrachtgevers zijn divers. Deze keer heeft bijvoorbeeld videotechnoloog Studio Automated de award ontvangen, maar ook een fysiopraktijk, een betonleverancier en een ontwerpbureau. Daarnaast heeft uitgever Noordhoff de uitreiking verdiend.

De filosofie achter de award

Lars Evers, co-founder Jellow: “De ‘Zoals het hoort’-Award komt uit onze kernwaarde ‘fatsoen’, en is ontstaan om het contact tussen de opdrachtgever en freelancer positief te stimuleren. Succes start namelijk met een fijne samenwerking en duurzame relatie. Bij Jellow zijn we dagelijks bezig met het verbeteren van ons platform, zodat het contact tussen klanten en freelancers steeds sneller en makkelijker wordt. Dit is de derde keer dat we de ‘Zoals het hoort’-Award uitreiken en we merken zelf dat onze opdrachtgevers het erg leuk vinden om de award in ontvangst te nemen.”

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , , | Laat een reactie achter

Kamervragen over berekening fiscale verschillen zelfstandigen-werknemers

Kamerlid Steven van Weyenberg (D66) wil van staatssecretaris Vijlbrief van Financiën weten wat de aannames zijn achter modellen in het Belastingplan die onder meer de belastingdruk van werknemers en zzp’ers vergelijken. Hij stelt de vragen naar aanleiding van een kritisch artikel op ZiPconomy. “Het is heel belangrijk dat de sommen die werknemers en zzp’ers vergelijken kloppen. Ze spelen een belangrijke rol in de discussie over zzp.”

Van Weyenberg wil ook weten hoe die verschillen uitpakken per inkomensgroep en of – zoals in het ZiPconomy artikel bepleit wordt – het zinvol is om meer rekening te houden met het feit dat werknemers en zelfstandigen voor gelijksoortig werk anders beloond worden. Vaak ontvangen zelfstandigen immers een hogere vergoeding.

Peter van den Bunder, voorzitter van de Kunstenbond en namens vakbond FNV vertegenwoordiger van zzp’ers in de SER, is blij dat via kamervragen aandacht komt voor de rekenmodellen en de kritiek van ZiPconomy daarop. “Het zijn veel redenen op kritisch te zijn en door te vragen hierop” zo laat hij op twitter weten. Voor Van den Bunder zijn er nog wel meer redenen waarom de besproken tabel uit het eindrapport van de Commissie Borstlap problematisch is. “Fiscaliteit en sociale zekerheid worden niet in samenhang bezien (wel de premies, niet de voorzieningen), en alle zzp’ers worden gezien als loonconcurrenten van werknemers, terwijl 20% zzp-producten verkoopt.”

Geplaatst in ZP en Politiek | Tags , | 3s Reacties

VvDN MarktMonitor: meer omzet, minder leegloop

Dat blijkt uit de MarktMonitor die de Vereniging van Detacheerders Nederland (VvDN)  vandaag heeft gepubliceerd.

Omzetontwikkeling

De omzet van detacheerders is volgens deze MarktMonitor in het eerste kwartaal van dit jaar met 3,1% gegroeid ten opzichte van een kwartaal eerder. Ten opzichte van het eerste kwartaal een jaar eerder is er een terugval van -1,3%. Maar toen was er nog nauwelijks impact van de coronacrisis, die pas half maart uitbrak.

Na daling van de gemiddelde omzet van detacheerders in het tweede en derde kwartaal van vorig jaar, was er aan het eind van vorig jaar duidelijk sprake van herstel. In het vierde kwartaal van 2020 is de omzet met bijna 11% gestegen ten opzichte van het kwartaal daarvoor en met 2,5% vergeleken met het vierde kwartaal van 2019.

De omzetcijfers over het eerste kwartaal van dit jaar zijn weliswaar minder spectaculair dan in het laatste kwartaal van vorig jaar, maar zijn nog altijd zeer positief, gezien het feit dat de coronacrisis nog niet voorbij is. VvDN-secretaris Peter Hulsbos: “Onze sector houdt zich goed staande. De totale detacheringsomzet van de deelnemers aan de MarktMonitor heeft het hele jaar niet veel geleden onder de corona-crisis. De sterkste krimp bedroeg -4,9% (in het corona-kwartaal), een relatief gezien zeer gunstig cijfer als je dit afzet tegen de cijfers vanuit de uitzendwereld. We zien nu dat de Nederlandse economie langzaam maar zeker opkrabbelt uit de corona-recessie.”

Meer vaste contracten

Opvallend is dat het percentage professionals in vaste dienst bij detacheringsbureaus is gestegen van 61% naar 64,3%. Het gestegen vertrouwen in de vooruitzichten voor de Nederlandse economie heeft ook een positief effect op het aantal vaste contracten bij de detacheerders. Waar er in vorige kwartalen enige terugloop van het personeelsbestand zichtbaar was (voornamelijk geen verlenging van tijdelijke contracten) is er nu sprake van een stijging van het personeelsbestand ten opzichte van het vierde kwartaal van 2020 van ruim 1% én een sterke toename van het aantal vaste contracten naar 64,3%. Dit is voornamelijk te verklaren door het alsnog aanbieden van een vast contract (waar vorig jaar nog met een tijdelijk contract werd verlengd) en het weer durven aanbieden van vaste contracten aan nieuwe consultants bij de detacheerders.

De detacheringsbranche heeft in de afgelopen kwartalen een stevige bijdrage geleverd aan de wendbaarheid van de Nederlandse economie, de zorg en de overheid. – VvDN-secretaris Peter Hulsbos

Veel minder leegloop

Het percentage ‘leegloop’, gedetacheerden in vaste dienst maar zonder opdracht, is ook gedaald. Was dat in het tweede kwartaal van 2020 nog een zeer hoge score van 8,1%, nu is dat 5,4%.

Dat de zogenaamde leegloop zo fors is gedaald ten opzichte van het slechtste punt vorig jaar komt vooral doordat er voor professionals in dienst weer meer opdrachten zijn, in lijn met de stijging van het aantal uitstaande vacatures. Naast de daling van de leegloop is er ook een stijging van de productiviteit onder meer doordat er maar zeer beperkt vakanties worden opgenomen. Dit alles zorgt voor een enorme productiviteit in het eerste kwartaal. Zo is de omzet ten opzichte van het eerste kwartaal van 2020 maar met -1,3% gedaald, terwijl het personeelsbestand nog 7,3% kleiner is dan in het eerste kwartaal van 2020.

Waarde van detacheren

Hulsbos: “De detacheringsbranche heeft in de afgelopen kwartalen een stevige bijdrage geleverd aan de wendbaarheid van de Nederlandse economie, de zorg en de overheid. Waar in veel sectoren de recessie zorgde voor het (sterk) teruglopen van de omzet van werkgevers en daarmee van hun behoefte aan (tijdelijk) personeel, explodeerde in de publieke sector (met name overheid en zorg) de behoefte aan projectmedewerkers en -experts. Interim professionals worden ervaren als volwaardige werknemers, die tegelijk zorgen voor de benodigde flexibiliteit. Met het unieke karakter van detacheren, verliest de werknemer in deze tijd niet zijn of haar baan maar is het detacheringsbureau daar om in de tussentijd zekerheid te bieden en (bijvoorbeeld) verder op te leiden om de volgende opdracht nog beter aan te kunnen. Wat dat betreft een absolute win-win situatie.”

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , , | Laat een reactie achter

Fusies, overnames, funding: ‘Begin with the end in mind’

Deze vraag roept een serie onderliggende vragen op: Wat wil je met de verkoop bereiken? Gaat het er vooral om financieel onafhankelijk te zijn? Wil je bij de onderneming betrokken blijven, of neem je volledig afstand? Zoek je vrijheid? Of zie je de verkoop als een mooie stap om nieuwe ambities te gaan nastreven? Het is, kortom, tijd om serieus in de spiegel te kijken. Daarbij komt het adagium van Covey goed van pas: ‘Begin with the end in mind!’

Zelfreflectie

Zelf heb ik ervaren hoe belangrijk het is om deze stap van zelfreflectie heel serieus te nemen. Na mijn eerste verkoop was ik van plan om betrokken te blijven bij de organisatie. Na een half jaar kwam ik echter tot de conclusie dat de cultuur van de nieuwe organisatie en de ideeën die men had toch niet voldoende overeenkwamen met mijn eigen blik op het bedrijf. We waren deel geworden van een grotere partij en uiteindelijk zag ik daar geen toekomst voor mijzelf. Ik besloot alsnog volledig afstand te doen, en realiseerde me vervolgens dat ik eigenlijk geen ‘Plan B’ had. Ik had financiële middelen om iets moois te gaan doen, maar het echte plan ontbrak. Er waren genoeg mensen die met mij wilden praten over mooie nieuwe activiteiten. Maar zelf had ik nog geen helder idee over een nieuwe stap.

Ik heb van die ervaring geleerd. Mijn conclusie was dat ik in de beginfase van het verkooptraject beter na had kunnen denken over de periode na de verkoop. Zo kritisch als je bent als je je eigen bedrijf aanstuurt, zo kritisch moet je ook kijken naar de volgende fase. En: Je moet net zo kritisch naar de nieuwe situatie kijken als de koper naar jou kijkt.

Is dit een makkelijk proces? Nee, niet altijd. Je krijgt vaak te maken met een mix van zakelijke en meer emotionele afwegingen. Wat dat laatste betreft: Als je voor die spiegel staat moet je je ook heel eenvoudig afvragen: ‘Waar word ik nu echt gelukkig van?’ Het is in deze fase vooral belangrijk om eerlijk naar jezelf te zijn. Denk niet te veel na over de vraag hoe je dingen aan je omgeving gaat uitleggen, maar neem tijd om echt voor jezelf vast te stellen wat jouw doel is.

Als je voor die spiegel staat moet je je ook heel eenvoudig afvragen: ‘Waar word ik nu echt gelukkig van?

Het proces kan ook eenzaam zijn. Sommige beslissingen kan je alleen zelf nemen en het is niet altijd makkelijk om alles in je directe omgeving te bespreken of altijd een ideale sparringpartner te vinden.

Dit sparren over jouw persoonlijke doelen en wensen kan overigens een mooi onderdeel zijn van het traject dat je met je M&A-partij aangaat. Ik merk dat ik – al zeg ik het zelf – vanuit mijn ervaring vaak de juiste vragen kan stellen. Niet als een soort psycholoog, maar omdat ik het zelf meegemaakt heb. Vanuit die basis kunnen we als M&A-partners toch vaak beter dan anderen de valkuilen en eventuele bottlenecks identificeren.

Duidelijk beeld

De belangrijkste boodschap van dit stuk? Neem die persoonlijke kant uiterst serieus. Denken ‘Het komt vast wel goed’ werkt niet. Zorg dat je zo goed investeert in de hiervoor genoemde vragen dat je een heel helder en duidelijk beeld hebt over wat jij zelf wilt in de fase na de verkoop. Die helderheid komt alle volgende stappen in het traject enorm ten goede!

Maandelijks schrijf ik een column over een specifiek onderdeel van een M&A-traject, met speciale aandacht voor de flexbranche. Wil je alle columns ontvangen in je mailbox? Meld je dan aan via rob.delaat@iriscf.nl.

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , , | Laat een reactie achter

Acht fouten in het bruto/netto werknemer/zzp-model van Financiën. Toch ligt het straks op de formatietafel.

In het kort

Het rekenmodel van het ministerie van Financiën wil aantonen dat zelfstandigen minder belasting betalen dan werknemers. Maar dit rekenmodel:

  • gaat uit van een theoretische situatie die geheel niet aansluit bij de praktijk
  • schetst een eenvoudig en eenduidig beeld, terwijl de werkelijkheid veel complexer en diverser is
  • gaat op onderdelen uit van onjuiste aannames

Politieke besluiten worden te vaak gemaakt op basis van rekenmodellen van ministeries en adviesorganen, zonder dubbelcheck bij bronnen van buitenaf. De onderliggende aannames van die ministeriële modellen zijn weinig transparant en worden voor lief aangenomen. De modellen leiden ertoe dat de politiek besluiten neemt die volgens die theoretische modellen goed uitpakken, maar de praktijk is vaak heel anders. Aldus Tweede Kamerlid en econometrist Pieter Omtzigt in zijn boek ‘Een nieuw sociaal contract’.

Terugredeneren

Het modelletje waarmee het ministerie van Financiën wil aantonen dat zelfstandigen veel minder belasting betalen zou zo maar een voorbeeld daarvan kunnen zijn. Immers, vanuit ambtelijke kringen is nu vaak genoeg genoemd dat de verschillen in fiscale faciliteiten tussen werknemers en zelfstandigen een probleem is. Dus dan is het ook wel goed via een modelletje te laten zien dat dat verschil er ook daadwerkelijk is.

In het rapport van de Commissie Regulering van Werk staat die berekening. Hij zal – bijgewerkt voor de situatie in 2021 – straks tussen de formatiestukken zitten.

Maar klopt het eigenlijk wel? Nou, nee.

Onjuiste en verkeerde aannames

Wie kritisch naar de berekening en aannames kijkt, komt op acht punten die onjuist zijn of waar op zijn minst grote vraagtekens bij gezet kunnen worden.

De tabel kan je via deze link vinden. Wat doet het ministerie van Financiën hier? Nu, ze nemen een vrij willekeurig (of althans zo lijkt het) bruto salaris van een werknemer (50.000 euro per jaar), berekenen wat daarvan de werkgeverslasten zijn en wat een werknemer netto overhoudt. Ze rekenen vervolgens door wat een zelfstandige (IB ondernemer, eenmanszaak) netto overhoudt indien hij/zij het bedrag aan werkgeverslasten van deze werknemer zou krijgen als omzet. Daarbij wordt als aanname gedaan dat wat werkgever en werknemer samen betalen aan premies voor pensioen en arbeidsongeschiktheidsverzekering, de zelfstandige uitgeeft aan eigen voorzieningen.

(Het ministerie doet dat ook voor mensen met een bv. Dat laten we hier even buiten beschouwing, simpelweg omdat de politieke discussie zich lijkt toe te spitsen op de afschaffing of versnelde afbouw van de zelfstandigenaftrek. En die krijgen zelfstandigen met een bv niet.)

De bezwaren tegen dit model zitten hem zowel in een aantal aannames als in de manier van berekenen. Plus het feit dat hier van theoretische uitgangspunten wordt uitgegaan die niet overeenkomen met de praktijk.

De fouten, onjuiste aannames en misvattingen op een rij:

  1. Grote verschillen in salarisniveau worden genegeerd.

Er wordt in dit model uitgegaan van slechts één situatie. Een ogenschijnlijk willekeurig gekozen jaarsalaris van € 50.000 (waarschijnlijk inclusief vakantiegeld).

Wie rekent met de belastingdruk van zelfstandigen weet natuurlijk dat er flinke verschillen zijn bij een verschillende omzet of inkomensniveau. Vooral omdat de zelfstandigenaftrek een vast bedrag is, dat niet afhankelijk is van je omzet. Die aftrek heeft dus een veel hogere impact bij lagere inkomens en een veel kleinere impact bij hoge inkomens. Als je alle aannames in dit model aanhoudt, dan krijg je voor andere inkomens heel andere uitkomsten.

De marginale belastingdruk bij inkomens tot € 30.000 is voor werknemers veel hoger dan voor zzp’ers, maar tussen de € 30.000 en € 40.000 is die voor zzp’ers een stuk hoger. Laagbetaalde zzp’ers hebben dus een veel groter belastingvoordeel dan laagbetaalde werknemers.

Bedenk hier verder nog dat de maximale pensioenpremie voor werknemers (ongeveer € 25.000) flink hoger is dan het maximale bedrag dat een IB-ondernemer voor zijn oudedagsreserve mag aftrekken (in 2019 was dat: € 8.999). Ook dat levert een forse afwijking van dit model op.

  1. De pensioenpremie voor werknemers is te laag berekend.

In het model wordt uitgegaan van een pensioenpremie van € 6.055, inclusief eventuele voorzieningen voor VUT of vervroegd pensioen, die werkgever en werknemer samen betalen bij het jaarsalaris van € 50.000. Dat bedrag – zo’n 12% van het brutoloon – is veel te laag. Pensioenfondsen als het ABP en Zorg & Welzijn zitten op 25% pensioenpremie (zonder VUT) over het gedeelte van het inkomen dat uitstijgt boven ongeveer € 13.500 (de pensioenfranchise). In het bedrijfsleven ligt het percentage vaak nog fiks hoger. Unilever verlaagde recentelijk het percentage van 60% naar 40%. Wanneer we het op die 25% houden, dan zou bij dit voorbeeld inkomen van € 50.000 (na aftrek franchise)  € 36.500 over blijven om te belasten met pensioenpremie, en 25% van € 36.500 is € 9.125, flink meer dan € 6.055.

Dit is relevant. Want in dat geval gaat de omzet van de IB-ondernemer met € 3.070 omhoog en betaalt hij dus ook extra belasting en krijgt hij/zij minder heffingskorting. En voor de werknemer werkt dat juist precies andersom. Minder belastingen en meer kortingen.

In de oorspronkelijke tabel valt het saldo te betalen belastingen/te ontvangen kortingen € 408 gunstiger uit voor de IB ondernemer ten opzichte van een werknemer. Echter na deze correctie op de hoogte van het pensioen, draait dat beeld. Nu betaalt de IB ondernemer (na verrekening heffings- en arbeidskorting) bijna € 1.800 méér dan de werknemer.

Ook belangrijk is dat waar de pensioenpremie van de werknemer € 9.125 bedraagt, de IB-ondernemer dat bedrag niet geheel fiscaal kan aftrekken. De maximaal aftrekbare oudedagsreserve voor de IB-ondernemer uit het rekenmodel, met een winst van € 67.479, is namelijk maar € 6.370. Dat is toch een flink lagere aftrekpost. Zo verdwijnt al een flink deel van het verschil tussen wat een zzp’er en een werknemer aan belasting betaalt. Plus, het zou logisch zijn dat het niet-aftrekbare deel van deze pensioenvoorziening als reservering nog af gaat van het netto inkomen van de zelfstandige.

  1. Veel zzp’ers hebben geen arbeidsongeschiktheidsverzekering. En dus geen aftrekpost.

Een van de fundamentele verschillen tussen het model en de werkelijkheid is dat het model er vanuit gaat dat zzp’ers een aftrekbare verzekering voor arbeidsongeschiktheid (aov) hebben. Het CBS laat zien dat 80% van de IB-ondernemers die helemaal niet heeft. Ze hebben dus ook die aftrekpost niet.

Voor deze 80% van alle zzp’ers is de werkelijkheid dus anders dan dit model. Immers: geen premie, levert geen aftrekpost op en dus ook een kleiner verschil in te betalen belastingen.

Overigens is het ook zo dat een premie voor een aov niet per se aftrekbaar is. Een verzekering met een niet-aftrekbare premie levert namelijk ook een niet-belastbare uitkering op. Dat kan een keuze zijn. Dus zelfs niet de volledige 20% van de zzp’ers met een aov kan de kosten daarvan aftrekken.

Dit wil nog niet zeggen dat zzp’ers zonder verzekering geen voorzieningen treffen voor arbeidsongeschiktheid. Ze doen dat alleen op een fiscaal niet-aftrekbare manier. Zo levert een bijdrage aan een broodfonds (officieel een schenking) geen fiscaal voordeel op. Ook het opbouwen van eigen financiële buffers geldt niet als aftrekpost.

  1. Fiscaal aftrekbaar pensioen: ook dat hebben lang niet alle zzp’ers.

Een vergelijkbaar punt van kritiek: een kwart van alle zzp’ers heeft geen enkele pensioenvoorziening (bron: CBS). Dus ook geen aftrekpost.

Maar ook hier geldt dat van de driekwart die wel aan een pensioenvoorziening werkt, een deel dat doet op een manier die (nu) geen fiscaal voordeel oplevert, waarover in het volgende punt meer. Ook hier wijkt de realiteit fors af van het model.

  1. Zzp’ers hebben geen ww-verzekering, maar sparen wel.

Het is ondoenlijk om alle indirecte kosten van werknemers of ondernemers in dit model op te nemen. Dus logisch dat dat ook niet gedaan is.

De rekenmeesters van Financiën hebben bij de werkgeverskosten wel de post ‘reservering doorbetaling bij ziekte’ opgenomen. Die zien we alleen niet terug bij de IB ondernemer, terwijl die toch ook wel eens ziek is.

Verder zien we de WW premies bij de werknemer. En niets bij de IB ondernemer, terwijl ook die wel eens zonder werk zit.

De IB ondernemer verrekent dit soort risico’s in zijn tarief. Zo staat het ook in de tabel. Wat echter niet in de tabel staat, is dat een IB ondernemer een deel van zijn inkomsten ook apart zet. Iets wat een werknemer niet hoeft te doen. Gelukkig doen IB ondernemers dat ook, hun vermogen is hoger dan dat van werknemers (waarover later meer).

Een goede vergelijking tussen werknemer en IB ondernemer kan niet zonder het opnemen van een post ‘reserveringen’, waarin – om de manier van opbouw van deze tabel aan te houden – uitgegaan kan worden van de premies die de WG betaalt voor een werknemer.

En geld opzij zetten, voor ziekte, periodes zonder werk of voor pensioen dat doen zelfstandigen in de praktijk gelukkig massaal. Niet iedere zelfstandige doet genoeg (of kan dat genoeg doen), maar CBS cijfers laten zien (zie hier) dat zzp’ers een flink hoger vermogen hebben dan werknemers (bijv 37% meer dan twee ton, bij werknemers is dat 18%). Bovendien bestaat het vermogen van werknemers voor 68% uit hun eigen woning, bij zzp’ers is dat veel minder: 41%.  (Het feit dat daardoor mogelijk relatief meer zzp’ers in box 3 belasting betalen dan werknemers, laten we hier verder buiten beschouwing).

  1. Werk met werk vergelijken, niet geld met geld.

De tabel van het Ministerie van Financiën gaat er vanuit dat de winst (omzet minus bedrijfskosten) van een IB ondernemer gelijk is aan een brutosalaris plus de werkgeverslasten. Dat is in theorie leuk, maar de praktijk werkt natuurlijk totaal anders.

Dat maakt deze tabel zinloos indien men inzichtelijk wil maken dat fiscale ‘prikkels’ keuzes van  werkenden of werkgevenden beïnvloeden.

En ja,  een werkgever zal vast wel eens gaan zitten rekenen om te bekijken wat het verschil is om voor een bepaalde taak een werknemer in dienst te nemen of daar een zelfstandige voor in te huren. Ook zelfstandigen doen dat, verstandig overigens.

Echter dan gaan beiden wel uit van ‘marktprijzen’. Dat is het salaris van iemand die bepaalde werkzaamheden kan verrichten vs het uurtarief van iemand die het vergelijkbare werk doet, maar dan als zelfstandige (waarbij we, voor het gemak, net als het ministerie alle indirecte kosten maar even buiten beschouwing laten).

Een voorbeeld: in dit rekenmodel wordt uitgegaan van een bruto maandsalaris van ongeveer € 3.850 Dat is het salarisniveau van bijvoorbeeld een HR-adviseur met een jaar of zeven à tien werkervaring. Wil je voor hetzelfde werk een zzp’er inhuren, dan is een marktconform uurtarief zo’n € 70. Een jaar lang (zeg: 1400 uur, nog wat zuinig genomen) zo’n persoon inhuren kost € 98.000 (ex btw, ook een onderwerp dat we maar even buiten deze discussie laten). Terwijl de totale werkgeverslasten van een medewerker conform het model € 64.409 bedragen. Een meerprijs die een werkgever om verschillende redenen eventueel bereid is te betalen. Dus: voor die vierenzestigduizend euro kán je helemaal geen zzp’er inhuren die hetzelfde werk doet.

De belangrijkste consequentie van dit punt is dat een IB-ondernemer (na aftrek van nog wat bedrijfskosten) dus een flink hoger inkomen heeft dan dat van iemand die het vergelijkbare werk doet in loondienst. En dus niet minder maar juist flink meer inkomstenbelasting betaalt dan die werknemer, ook nadat je de fiscale voordelen meerekent.

Bron: zie dit artikel voor meer uitleg.

In een beperkt aantal sectoren en beroepen is het aanbod van werkenden flink groter dan de vraag en dus staan tarieven onder druk. In die gevallen liggen uurtarieven van zzp’ers onder die van werknemers. Denk aan de media, vervoer, transport, schoonmaak. Maar wie kijkt naar uurtarieven en die vergelijkt met salarissen ziet dat in verreweg de meeste beroepen het uurtarief hoger ligt. Door schaarste, door de prijs van flexibiliteit, door de extra expertise die een zzp’er meebrengt, door marktomstandigheden. De Zelfstandigen Enquête Arbeid  van TNO/CBS laat zien dat het gemiddelde uurtarief van ‘zzp’er-diensten’ op € 60,30 euro per uur ligt.

Kortom : wie wil laten zien hoe fiscale prikkels werken (of niet) voor werkenden of werkgevers heeft niets aan dit theoretische model, maar moet uitgaan van praktische vergelijkingen tussen werknemers en zzp’ers die hetzelfde werk doen.

Het feit dat het belastbaar inkomen van vergelijkbare werkenden bij zelfstandigen dus vaak hoger ligt, heeft ook zijn effect op de toeslagen: die lopen ze eerder mis dan werknemers die hetzelfde werk doen.

  1. Lang niet alle IB-ondernemers maken gebruik van de zelfstandigenaftrek.

Dan nog de zelfstandigenaftrek. Die hoort natuurlijk in een theoretisch modelletje. Maar de praktijk is dat een deel (waarschijnlijk 20-25%) van alle IB-ondernemers helemaal geen gebruik (kan) maken van de zelfstandigenaftrek of maar gedeeltelijk. Dat zal vooral spelen bij inkomens die lager zijn dan in het hier gebruikte voorbeeld. Voor die groep pakt een dergelijke berekening heel anders uit.  Overigens wordt de zelfstandigenaftrek al flink afgebouwd: in 2020 bedraagt deze nog € 7020, in 2036 zal het € 3240 zijn.

  1. Het afschaffen van fiscale voordelen kost ook geld.

Tot slot nog een punt dat niet gaat over dit model, maar wel over de aanleiding. De Commissie Borstlap – en zij niet alleen – pleit voor een afschaffing van de zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling omdat dat oneigenlijke prikkels zijn om zelfstandig te worden. In de voorbereidende stukken voor de formatie – “Ombuigings- en intensiveringslijst 2021” – heeft het ministerie van Financiën dan ook alvast de opbrengsten van de afschaffing van deze fiscale voordelen opgenomen.

Echter, als de aanname van de Commissie Borstlap juist is, dan gaan zelfstandigen na afschaffen van de prikkels (weer) massaal in loondienst. Zoals we bij punt 8 gezien hebben, gaat een deel van hen er in inkomen (flink) op achteruit. Ze gaan dus minder inkomstenbelasting betalen dan wat ze als ondernemer gewend waren. Sommigen krijgen door het lagere inkomen ook (meer) toeslagen. Dit (theoretische) effect, die de opbrengst van het afschaffen van de fiscale voorzieningen voor zelfstandigen beperkt, zien we niet terug in de doorrekening.

Discussie nodig. Wel met juiste cijfers en in de juiste context.

De fiscale voorzieningen voor zelfstandigen zijn wat mij betreft niet heilig. Ze zijn ooit ingevoerd met bepaalde doelstellingen. Altijd goed om daar nog eens naar te kijken. Betrek het bovenal – zoals de Commissie Borstlap pleit – in een bredere discussie over de vernieuwing van de arbeidsmarkt. Overzie alle consequenties. Maar daarvoor is het wel nodig dat informatie correct en betrouwbaar is en de complexiteit laat zien. Het Ministerie van Financiën kan vast beter rekenen dan wij, maar hieronder een eerste poging om het tabelletje uit het rapport Borstlap te corrigeren op de bovenstaande punten.

  • (pdf versie tabel hierboven staat hier)   
  • (pdf versie tabel uit rapport Cie Borstlap hier)
Geplaatst in ZP en Politiek | Tags , , , , | 8s Reacties