Maandelijkse archieven: maart 2016

Het beoordelingskader: ontbrekende stukjes in de legpuzzel die Wet DBA heet

img_mensen_puzzelDe Belastingdienst is druk bezig met het beoordelen en publiceren van modelovereenkomsten. Maar hoe de belastingdienst die modelovereenkomsten nu precies beoordeelt, daar is nog steeds veel onduidelijkheid over.

Om het ‘niet leuker maar wel makkelijker te maken’ kun je in de ‘Handreiking beoordelingskader overeenkomsten arbeidsrelaties’ lezen welke kaders de Belastingdienst gebruikt bij het beoordelen van de overeenkomsten (zie hier)

Toch bleef ik na het lezen van deze handreiking met vragen zitten.

Twee punten die me vooral opvielen:

  1. Gaat de Belastingdienst ineens ook oordelen over wel/niet aanwezig zijn van een arbeidsovereenkomst?

Volgens de Handreiking heeft een arbeidsovereenkomst drie kenmerken:

  1. Is er sprake van een gezagsverhouding tot de opdrachtgever en
  2. Is er een persoonlijke verplichting om arbeid te verrichten en,
  3. is de opdrachtgever verplicht om loon te betalen.

“Uitgaande van het beoordelen in samenhang, is het voor de aanwezigheid van een arbeidsovereenkomst noodzakelijk dat alle drie de elementen aanwezig zijn.”

Dus als één van de drie elementen ontbreekt is er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst? Als we verder lezen staat er inderdaad bij B.2: “Als uit de overeenkomst ondubbelzinnig blijkt, dat de opdrachtnemer het recht heeft zich vrij en willekeurig te vervangen door een derde, dan kan de Belastingdienst vooraf zekerheid geven dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.’ Huh, geeft de Belastingdienst vooraf zekerheid over het wel of niet aanwezig zijn van een arbeidsovereenkomst? De Belastingdienst mag toch alleen iets vinden over het wel of niet afdragen van loonheffingen? De kantonrechter gaat toch over de arbeidsovereenkomst?

Ik ben benieuwd wat de expertcommissie (die beoordeelde modelovereenkomsten toetst op arbeids- en fiscale rechtsgeldigheid) hiervan gaat vinden. Maar belangrijker: is de commissie het eens met de redenering uit het toetsingskader? In het arbeidsrecht wordt namelijk breder gekeken. Daar spelen alle feiten en omstandigheden in een concrete situatie een rol en ook de wil van partijen. Dan zou het oordeel wel eens minder zwart/wit komen te liggen.

  1. Hoe zit het met kleine opdrachten?

De Belastingdienst toetst op twee niveaus: de afspraken tussen opdrachtgever en opdrachtnemer én op ondernemerschap bij de belastingaangifte. Stel: je geeft Nederlandse les aan particulieren, daarnaast doe je vertaalwerk, schrijf je voor vakbladen en run je een eigen opleidingsinstituut waarvoor je andere zelfstandige docenten inhuurt. Deze zp’er is hartstikke ondernemend. Maar stel dat het vertaalwerk uit allemaal kleine opdrachten van maximaal een dag werk bestaat. Arbeidsrechtelijk zal er dan (vanwege de geringe omvang van dit werk) niet snel een arbeidsovereenkomst aangenomen worden.

In de Handreiking DBA lees ik helaas niets terug over de omvang van een opdracht en de samenhang tussen beide toetsingsniveaus. Zou dat tot gevolg hebben dat er arbeidsovereenkomsten van een dag of zelfs een paar uur ontstaan? Administratief een drama.

Kortom, ik kan niet wachten op de bevindingen van de expertcommissie. Juist nu er allerlei overeenkomsten beoordeeld en gepubliceerd worden.

Saillant detail is dat de expertcommissie pas aan het eind van dit jaar aan de slag gaat en de uitkomsten dus begin 2017 bekendmaakt. Vlak voor de Tweede Kamerverkiezingen. Dat kan geen toeval zijn.

Geplaatst in Professioneel inhuren, ZP en Politiek | Tags | 2s Reacties

Flex- en recruitmentsector groeit wereldwijd met 8,6% naar recordomzet van 450 miljard

DCdfv0aIWEAEVYBSe gehele sector van arbeidsbemiddeling en aanverwante HR diensten is het afgelopen jaar wereldwijd met bijna 9% gegroeid. De totale omzet komt op 450 miljard euro en opgeteld werken er 71,9 miljoen mensen via een bemiddelingsbureau, van uitzendkrachten tot interim professionals. Dat blijkt uit het The Ciett 2016 Economic Report, een rapport van de brancheorganisatie.

Nederland, pionier wanneer het gaat om deze sector, staat nog steeds hoog op de verschillende lijstjes, bijvoorbeeld als het gaat om de penetratiegraad van flex.

Het bemiddelen van tijdelijke medewekers blijft qua omzet verr weg de belangrijkste activiteit voor deze branche. Maar de bureaus gaan steeds meer en verschillende ondersteunende diensten inzetten. De 27,2 miljard omzet wereldwijd voor RPO (recruitment proces outsourcing) valt op, zeker omdat dat in Nederland (nog?) een veel kleiner precentage is.

In relatie daarmee is het onderstaand overzicht van de ABU aardig. Het geeft over de omzetverwachting per activiteit weer. Het traditionele bemiddeling blijft het grootst qua omzet; de groei zit hem in andere diensten, waar overigens de winstmarges vaak ook hoger zullen liggen.  intro_graph1

Het volledige rapport, met alle loftuitingen over de toegevoegde waarde van de flexsector (maar ja, daar ben je ook brancheorganisatie voor), met andere facts and figures is hier te vinden.

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , , | 2s Reacties

600.000 zzp’ers met een VAR, zegt de Belastingdienst. Nee, 360.000 zegt het CBS.

groei cijfers“De  600.000 mensen die met een VAR werken gaan we een nette brief sturen. In een blauwe enveloppe. ” Dat beloofde Staatssecretaris Wiebes afgelopen zondag in het televisie programma WNL Op Zondag. Zo wil hij zelfstandigen informeren over de Wet DBA die de VAR gaat vervangen.

Zeshonderdduizend personen. Het leek me wat veel, maar goed. Een jaar geleden had Wiebes het tegen de Tweede Kamer nog over 500.000 afgegeven VAR´s (een zzp´ers kan meerdere VAR´s hebben).

Vervolgens kwam het Centraal Bureau voor de Statistiek toevallig (?) een dag later met het bericht:  “Een op de vijf zzp´ers heeft een VARwuo”.  Dat zijn 278 duizend mensen volgens het CBS (het CBS neemt hier de meest ruime definitie van het aantal zzp’ers). Cijfers uit 2014. Daar zit toch wel  een aardig verschil met het cijfer dat Wiebes noemt, want alleen door het groei van het aantal zzp’ers (50.000 nieuwe in 2015, waarvan dus gemiddeld 20% een VAR aanvraagt). Een zoektochtje naar de juiste cijfers.

Wat maakt het uit?

Wat maakt dat uit, zult u wellicht denken. Misschien. Maar als we het over nieuw beleid hebben, dan is het toch ook wel handig om te weten wie dat nu precies raakt.

“De Wet DBA is de doodsteek voor de 1 miljoen zzp’ers” hoorde ik een zzp-activist vorig jaar nog roepen. Niet helemaal. De Wet DBA is alleen voor die zzp’ers die een opdracht doen op het snijvlak zit van wat wel of niet een dienstverband is. Dat geldt dus bij lange na geen 1 miljoen zzp´ers. Er zijn  veel zzp’ers die bijvoorbeeld leven van het verkopen van producten. Of diensten leveren aan particulieren of simpelweg vooral veel en korte opdrachten doen voor veel verschillend opdrachtgevers. En wanneer je een lezing geeft hoef je echt niet met elke aanwezige in de zaal een aparte modelovereenkomst af te sluiten, zoals een Telegraafcolumnist onlangs suggereerde.

De Wet DBA heeft vooral impact op de zelfstandigen die nu met een VAR werken. En het liefst op slecht een deel van hen, als het aan Wiebes ligt. Hij vindt dat er nu veel te vaak om een VAR wordt gevraagd door opdrachtgevers, ook in situaties waarin er evident geen arbeidsrelatie is. Gelijk heeft hij. Toen ik ooit voor een seminar twee muzikanten, een fotograaf en een spreekstalmeester inhuurde voor paar uurtjes, kwamen ze allemaal met een VAR aan zetten. Hoezo? Nergens voor nodig en ook een modelovereenkomst is dan niet nodig Toch zal de wens Wiebes niet uitkomen, denk ik. Leg je meer risico neer bij de opdrachtgever, zoals bij de Wet DBA, dan zullen die opdrachtgevers zich eerder meer dan minder vastklampen aan contracten.

Terug naar de cijfers

Terug naar de cijfers en het verschil tussen het CBS en de Belastingdienst. Het CBS heeft het over 278 duizend mensen met een VARwuo. Nu zijn er nog drie VAR varianten. De VAR-row, de VAR-loon en de VARdga  (de laatste voor zzp’ers met een BV). Het CBS laat in het artikel zien dat er ook 42.000 zzp’ers zijn met een VAR-row. Hoeveel mensen er met een VAR-loon of VAR-dga zijn weet het CBS niet. Bij navraag stelt het CBS dat er “ruim 40.000 personen met een VAR die geen zzp’er zijn. Daaronder zitten meewerkend gezinsleden, dga’s en zelfstandigen met personeel.”  Opgeteld kom ik dus op 360.000 personen.

Geen exact getal over het aantal VARdga’s. De Kamer van Koophandel laat me weten dat er ruim 96.000 eenmans BV’s zijn. Daarvan zal ook lang niet iedereen een VAR hebben. Dat  bevestigt dus dat getal van het CBS. Zitten we nog met een verschil van 139.000 tussen het CBS en de Belastingdienst.

Volgens cijfers van de KvK zijn er ca 850 duizend fulltime zzp’ers, waarvan ca. 600 duizend zzp’ers diensten of diensten in combinatie met producten verkopen. Dat is dus de maximale groep die mogelijk een VAR zou kunnen aanvragen. Haal daar volgens de cijfers van de KvK de ca. 80 duizend zzp’ers uit de zorg uit want die werken al langer met een modelovereenkomst. Dan is de groep maximaal 520.000 groot. Daarvan heeft ook niet iedereen een VAR, omdat een aantal zzp’ers het niet nodig vindt om een VAR aan te vragen omdat ze veel (particuliere) klanten heeft en daarmee voldoende hun zelfstandigheid kan aantonen.

Foutje, of toch niet?

Het CBS vermoedt dat Wiebes zich vergist en dat hij het aantal afgegeven VAR’s verwisselt met het aantal mensen met een VAR. Wanneer je verschillende diensten verleent, hoor je namelijk ook verschillende VAR’s aan te vragen.

Zou kunnen. In antwoord op schriftelijke vragen bij de behandeling van de Wet DBA in de Tweede Kamer had Wiebes het over dat er  “ongeveer 500.000 VAR’s per jaar worden afgegeven”. Aantallen VAR dus, niet mensen.

Een foutje van Wiebes dus bij WNL. Kan gebeuren. Echter, een woordvoerder van de Staatssecretaris houdt voet bij stuk toen ik de analyse van het CBS voorlegde. “Nee, we delen deze analyse niet. We hebben ongeveer 600.000 VAR-houders. We kijken naar de houder. Niet naar hoeveel verklaringen iemand heeft of welke verklaring.”  Misschien toch eens aan PostNL navraag doen hoeveel blauwe enveloppe met de brief van Wiebes zij binnenkort gaan rond brengen.

Geplaatst in ZP en Ondernemen, ZP en Politiek | Tags | 8s Reacties

Column Mei Li Vos: “Laat zzp’ers afspraken maken over hun tarieven”

Zzp’ers verdienen gemiddeld 10% minder dan werknemers die vergelijkbaar werk doen. Een flink aantal van de werkende armen is zzp’er. Dat was de weinig vrolijke boodschap van het CBS en SCP vorige week. Opdrachtgevers kunnen zzp’ers het vel over de oren trekken omdat de zzp’er alleen staat. Als hij of zij een bepaald tarief niet slikt kan de opdrachtgever eenvoudigweg zeggen: voor jou tien anderen. Doordat zzp’ers niet georganiseerd zijn worden ze tegen elkaar uitgespeeld.

Mededinging

Werknemers mogen zich wel verenigen en prijsafspraken maken, en dat heet de cao. Doordat ze gezamenlijk de prijs voor werk bepalen kunnen werkgevers hen niet tegen elkaar uitspelen. Maar zzp’ers mogen geen afspraken maken over bijvoorbeeld bodemtarieven. Dan komt namelijk de mededingingsautoriteit ACM om de hoek kijken. Zzp’ers worden door de mededingingsautoriteit namelijk gezien als ondernemer en in dat licht ziet de ACM het afspreken van een bodemprijs door zzp’ers als een verboden kartelafspraak.

Het meest beruchte voorbeeld van de handhaving van de ACM (heette toen NMA) betrof het zogenaamde centenkartel van vertalers in 2007. Zelfstandige vertalers wilden een minimumtarief afspreken zodat ze niet meer door de uitgevers uitgeperst konden worden. Dat ging concreet om een minimum aantal centen per woord. Dat mocht niet van de toezichthouder, want het was een kartelafspraak. Weliswaar een over centen, maar een kartel is een kartel.

De redenering van de ACM was dat het centenkartel de prijs voor vertaald werk te hoog zou maken, en dat is schadelijk voor de consument. Een belachelijke redenering natuurlijk, als je bedenkt dat tegenover die vele zzp’ers die een paar cent per woord verdienen een aantal grote uitgevers staan die de prijs van de boeken bepalen.

Onderhandelingsmacht nodig

Nu steeds meer mensen als zzp’er werken is het ook nodig zzp’ers meer onderhandelingsmacht te geven. Het zou moeten worden toegestaan dat sommige zzp’ers die zich verenigen en afspraken mogen maken over bodemtarieven. Want daar gaat het om: Opdrachtgevers mogen niet langer door het principe ‘voor jou tien anderen’ dermate lage tarieven kunnen eisen dat zzp’ers door de bodem zakken.

En daar zit het probleem. De mededingingswet beschouwt de duizenden kleine zzp’ers nog steeds als ondernemers. Ondernemers die hun macht misbruiken ten koste van de consument als ze zich verenigen om zich een bestaansminimum te garanderen. Die redenering klopt simpelweg niet meer. Zzp’ers zijn de facto zelfstandig werkenden die tegenover een paar machtige opdrachtgevers opereren en zich met minimale middelen in de markt moeten plaatsen tegenover werknemers in loondienst.

Tariefafspraak schaadt consumenten niet

Dit probleem schreeuwt om een oplossing. Een aantal opties dienen zich aan. De mededingingswet kan worden aangepast, bijvoorbeeld door zzp’ers net als werknemers het recht te geven om afspraken te maken. Dat wordt in de mededingingswet met een vrijstelling voor werknemers geregeld, dat zou je ook voor verenigde zzp’ers kunnen regelen.

De meest eenvoudige manier om het probleem op te lossen is een nieuwe uitleg van de mededingingswet. Als de ACM vaker de bedoeling van de wet tegenover de praktijk van een groep zzp’ers beoordeelt, dan hoeft de wet wellicht niet eens worden aangepast. Dan kan de ACM ook ingrijpen als een groep zzp’ers die schaarse kennis of vaardigheden bezit (zoals artsen) de mogelijkheid misbruikt om tarieven te hoog te houden. Als bijvoorbeeld tekstschrijvers, camera- en geluids-zzp’ers een bodemtarief afspreken, dan ben ik wel benieuwd hoe de ACM gaat aantonen hoe dat tarief de consumenten schaadt. Ik zie het niet voor me.

Geplaatst in ZP en Ondernemen, ZP en Politiek | Tags , | 7s Reacties

De Waarde van de ZP’er deel II: Kabinet interpreteert beelden van arbeidsmarkt verkeerd

waardevandezp_logo.jpgVanuit de politiek is de afgelopen tijd veel geroepen over de Nederlandse arbeidsmarkt en dan met name over de zzp markt. De VAR wordt afgeschaft en de Wet DBA komt hiervoor in de plaats. Tegelijk rollen politieke partijen, vakbonden en werkgeversorganisaties over elkaar heen als het gaat over het verlagen van de kosten van arbeid, afschaffen van de zelfstandigenaftrek, over miljoenen banen die verdwijnen door robotisering, het wel of niet verdwijnen van banen in de zorg en schijnzelfstandigheid.

In hun zoektocht naar de waarde van de zp’er zijn Liesbeth Ruolff en Niels Huismans wat dieper gedoken in het beleid wat gevoerd wordt op de arbeidsmarkt en het beeld dat het kabinet van deze arbeidsmarkt heeft. Een beeld dat volgens een poll onder ZiPconomy lezers niet erg aansluit bij de werkelijkheid. 

Visie op de arbeidsmarkt

Mark Rutte is vaak goedlachs en uitermate relaxed tijdens perspraatjes en speeches maar een echte uitgesproken visie horen we maar weinig. Begin februari erkende hij dit grappend tijdens het eerste Correspondents Diner. ‘Visie is als de olifant die het zicht belemmert’, zei Mark Rutte al aantal jaar eerder in zijn H.J. Schoolezing. Politici en commentatoren hadden er lang naar uitgekeken en gehoopt dat Rutte, toen al bijna drie jaar premier, eindelijk blijk zou geven van zijn toekomstbeeld. Maar al met zijn openingszin boorde hij die verwachting de grond in. Wij wisten wel beter. Het kabinet Rutte II was toen al tien maanden onderweg en duidelijk niet op basis van meeslepende vergezichten tot stand gekomen. De kiezer had VVD en PvdA domweg tot elkaar veroordeeld en het land moest worden bestuurd.

Het kabinet heeft niet alleen onvoldoende visie op de positie van de zzp’er op de arbeidsmarkt ook het beleid omtrent doorwerkende ouderen op de arbeidsmarkt is nog niet goed uitgedacht, zo concludeerde het Centraal Plan Bureau ( 2015).

Lezers van ZiPconomy zijn het hier hardgrondig mee eens. Op een poll in ons vorige artikel bleek dat 70% het geheel eens is met de stelling “Het huidige kabinet, maar ook zijn voorgangers, heeft een onjuist beeld van hoe het er echt aan toegaat op de arbeidsmarkt”. Nog eens 21% was het er ‘enigszins mee eens’. Je houdt niet veel mensen over dit het niet me de stelling eens waren. Een ontluisterend beeld.

Herzieningen noodzakelijk

Volgens het CPB zijn er fundamentele herzieningen noodzakelijk, zoals een werkloosheidsuitkering die daalt met de werkloosheidsduur, ontslagbescherming die minder afhangt van de lengte van het arbeidscontract, en vermindering van de leeftijdsafhankelijke arrangementen in cao’s. En zo zijn er nog tientallen delen van de arbeidsmarkt waar het kabinet geen echte hervormingen doorvoert, waarschijnlijk omdat een visie ontbreekt.

Werkgevers en werknemers willen de arbeidsmarkt wél openbreken. Een aantal vakbewegingen werkt in stilte samen met het bedrijfsleven en onafhankelijke experts aan een handvol hervormingen om de kloof tussen vaste en flexwerkers te verkleinen. Het belangrijkste doel is om ook voor zzp’ers een sociaal vangnet te spannen en om het minder riskant te maken voor werkgevers om mensen in vaste dienst te nemen. Op zich is dit een goede ontwikkeling. Door de kloof tussen vast en flexibel minder groot te maken kan straks meer nadruk komen te liggen op de arbeidskracht zelf in plaats van op het arbeidscontract of constructie.

In ons land worden nieuwe banen vaak gecreëerd door startende en kleine bedrijven.  Deze bedrijven zijn, minder goed dan grote bedrijven, in staat om de kostenrisico’s op te vangen van vaste arbeidscontracten. Vanwege deze risico’s, maar ook vanwege de administratieve rompslomp zullen deze ondernemers als het even kan daarom niet werken met vaste arbeidscontracten maar zoveel mogelijk met flexwerkers en zzp’ers.

De hier geschetste ontwikkelingen zijn in politiek Den Haag nog niet doorgedrongen.

Zo probeert het kabinet met de Wet Werk en Zekerheid flexwerk terug te dringen en vaste langjarige arbeidsovereenkomsten te bevorderen. De wet heeft een mooie sociale doelstelling – meer inkomens en baanzekerheid voor werkenden – en komt daarmee tegemoet aan de wens van een ruime meerderheid die graag een vaste baan zou willen hebben. Het vervelende is alleen dat onzekerheid en razendsnelle veranderingen kernelementen zijn van de nieuwe economie en dat ondernemers daar rekening mee moeten houden, of ze het willen of niet. Doen ze dat niet dan wacht de ondergang en gaan er tegelijkertijd banen verloren. Politiek Den Haag kan zich beter neerleggen bij de realiteit en zou werk en de arbeidskracht centraal moeten stellen in plaats van de discussie ‘vast of flexibel’.

Verschillende interpretaties

Omdat interpretaties gebaseerd zijn op persoonlijke kennis en ervaringen kan iedereen een andere betekenis geven aan hetzelfde verhaal. Dit lijkt het grote probleem te zijn als we kijken naar het beeld dat het kabinet heeft van de arbeidsmarkt. Politici kijken allemaal naar dezelfde cijfers, rapporten, onderzoek en ontwikkelingen op de arbeidsmarkt maar geven allemaal een eigen betekenis aan het verhaal. De regering schiet gewoonweg tekort doordat het ze, door ideologische verdeeldheid, niet lukt om tot echte hervormingen te komen om de kloof op de arbeidsmarkt te verkleinen. De PvdA wil vasthouden aan sociale verworvenheden die verbonden zijn met de oude vertrouwde vaste baan terwijl de VVD niets wil doen met het belastingstelsel omtrent de zzp’ers.

Het beeld van de z(z)p’er

Het beeld dat het kabinet heeft van de zzp’er is tweeledig. Zo schreef het kabinet als reactie op het IBO-zzp rapport het volgende: “Zzp’ers hebben in de ogen van het kabinet, in lijn met de bevindingen van de IBO-werkgroep, een duidelijke functie in de economie. Ze zorgen voor concurrentie en dynamiek en ze bieden flexibiliteit. Het kabinet heeft grote waardering voor al die mensen die ondernemerschap tonen en initiatief nemen om zelfstandig een inkomen te verdienen. Het kabinet heeft oog voor deze kwetsbare groepen die het hoofd met moeite boven water kunnen houden. Voor het kabinet staat stimulering van ondernemerschap en werkgelegenheid als zodanig niet ter discussie. Wel maken de verschillen in regelgeving het voor werkenden relatief interessant om als zzp’er te werken en voor werkgevers of opdrachtgevers om werk door een zzp’er uit te laten voeren. Voorkomen dient te worden dat dit leidt tot keuzes die gedreven worden door instituties in plaats van door gezamenlijke wensen van werkenden en werk- en opdrachtgevers; en daarmee tot schijnzelfstandigheid.

Het kabinet zegt verder de analyse te delen uit het rapport dat “langere termijn het grote verschil dat in de institutionele behandeling van zzp’ers en werknemers is ontstaan” verkleind dient te worden. Om dat verschil op te lossen is volgens het kabinet een “brede politieke en maatschappelijke discussie” nodig. Omtrent de zelfstandigenaftrek zegt het kabinet: “Ook de fiscale behandeling van zzp’ers moet een plek krijgen in deze discussie en wordt op dit moment niet aangepast.” Ze lijken het belang van zzp’ers dus wel te erkennen maar vinden het niet van dusdanig belang dat ze er als coalitie echt beleid op willen voeren aangezien de verschillen te groot zijn.

Ons eigen onderzoek geeft een heel ander beeld als we kijken naar de waarde van de zp’er. Zowel zp’ers als organisaties zien de waarde van zp’er toch op een heel ander niveau dan het kabinet. 74% vindt namelijk dat de overheid het zzp-schap in Nederland onvoldoende ondersteunt waarbij ze aangeven dat er te veel regeltjes gelden en dat er te veel nadruk gelegd wordt op een selecte groep waar misstanden gelden.  Als er gekeken wordt naar redenen waarom zp’ers ingeschakeld worden dan is duidelijk te zien dat het vaak gaat om kennis en expertise die intern gewoon niet beschikbaar is. Die zp’er brengt dus ook echte meerwaarde. Financiële- en risico-redenen zijn slechts zeer beperkte drijfveren om met zp’ers te werken.

reden inhuur zzp

 

Oké, bovenstaand is het beeld dat zp’ers zelf hebben. Toch bevestigen opdrachtgevers dit beeld ook zo blijkt uit onderzoek van METRI (Benchmark Tarieven 2015-2016) van eind 2015.

reden inhuur zzp_opdrachtgever

En wat is uw mening? Huren organisaties u in omdat ze geen medewerkers in dienst hebben met de juiste competenties?


Visie van wetenschap

We hebben ook naar wetenschappelijke onderzoeken gekeken. Ondanks dat het kabinet flexibilisering probeert tegen te gaan duiden toekomstverkenningen er op dat een meer flexibelere arbeidsmarkt zich in de komende jaren verder zal doorzetten. Met uitzondering van de bouw en horeca, mogelijk omdat de omvang van de flexibele schil hier van oudsher al relatief groot is.

Het snel kunnen reageren op een veranderende marktvraag en (in mindere mate) het inhuren van specifieke kennis zijn voor bedrijven belangrijke overwegingen (Van Echtelt et al. 2014; Verbiest et al. 2014). Wat flexibele arbeid (inzet van contracten van bepaalde duur, uitzendarbeid, oproepwerk, payrolling en zzp’ers) betekent voor de economie en voor de flexibel werkenden is al vaak onderzocht.

Diverse studies laten zien dat arbeidsmarktflexibiliteit wél bijdraagt aan een grotere dynamiek op de arbeidsmarkt en hierdoor een kortere werkloosheidsduur (De Graaf-Zijl, 2011; Van Ewijk & Teulings, 2009), maar dat er geen eenduidig positief effect is op de werkgelegenheid (zie bijvoorbeeld Schmitt & Wadsworth, 2002). Met betrekking tot het innovatievermogen van de economie bestaat er nog veel onduidelijkheid.

Er zijn empirische aanwijzingen dat een hoge mate van contractflexibiliteit en onzekerheid schadelijk zijn voor de opbouw van kennis, innovatie en bedrijfsprestaties (zie bijvoorbeeld Ji et al. 2014; Kleinknecht et al. 2013; Kleinknecht, 1998), maar ander onderzoek duidt er juist op dat flexibele arbeid positief samenhangt met de innovatieve output van organisaties (Preenen et al. 2013). Werknemers hebben vaak geen voorkeur voor een flexibel contract (Van Heel et al. 2013) dat gepaard gaat met inkomensonzekerheid en minder ontwikkelingsmogelijkheden in het werk (zie bijvoorbeeld Fouarge et al. 2012; Goudswaard, 2003). 

Conclusie: een echte visie ontbreekt

Het probleem is niet zozeer dat het kabinet een onjuist beeld heeft van de arbeidsmarkt, het is eerder een verkeerde interpretatie van dit beeld. Het huidige kabinet maar ook de voorgaande regeringen geven steeds een geheel eigen interpretatie van de arbeidsmarkt waardoor er geen eenduidig beleid wordt gevoerd op dit gebied. Ze gebruiken alleen die cijfers, statistieken, onderzoeken en conclusies die passen bij hun huidige beleid. Bestaande instituties, de wet- en regelgeving, de cao’s en de sociale regelingen zijn primair gestoeld op het vaste arbeidscontract en het kabinet wil daar eigenlijk niet aan komen.

Een echte visie op de arbeidsmarkt, en daarbinnen ook een specifiek visie op de zzp’ers, ontbreekt volledig. De grote politieke verschillen lijken hier een belangrijke oorzaak van te zijn. Als we daarnaast kijken naar het beeld dat het kabinet van de zp’er heeft dan is dit ook niet kloppend met de praktijk.

Geplaatst in Professioneel inhuren, ZP en Ondernemen, ZP en Politiek | Tags , | 2s Reacties

Nederlandse werknemer wil niet aan de flex. Of toch wel? Twee onderzoeken.

17423522_s-150x150“Bedrijfsleven wil flexibiliseren, werkend Nederland wil niet mee” en “Werknemer publieke sector staat open voor flexibel contract”. Twee titels van persberichten die binnen vijf minuten van elkaar op de deurmat van de ZiPconomy redactie vielen. Afkomstig van respectievelijk Raet (waar we het gisteren al kort even over hadden) en DriessenHRM. Overigens werden beide onderzoeken uitgevoerd door TNS Nipo.

Zit er nu zo veel licht tussen de beide onderzoeken? Of is er wat anders aan de hand?

Raet meldt om te beginnen dat slechts 3 procent van de Nederlanders is van plan ooit voor zichzelf te beginnen. 15 procent zou de overstap overwegen, maar het overige deel ziet een bestaan als zzp’er niet zitten. Belangrijkste redenen om dit niet te willen, zijn financiële onzekerheid (54%) en arbeidsongeschiktheidsrisico’s (45%). Ook generatie Y, waarvan verwacht wordt dat zij flexibiliteit hoog in het vaandel heeft staan, ziet dit zo. Van deze jongere generatie geeft bijna twee derde (64%) aan onder geen beding de overstap naar het zzp-schap te willen maken.

Uit het onderzoek van Driessen  (gehouden onder werkenden en werkzoekenden in de publieke sector) komt echter naar over dat 81% bereid is om een vaste baan op te geven voor een flexibel contract als die baan beter past bij hun ambities en aanwijsbaar leuker is. Met behoud van financiële zekerheid is dit zelfs 85%.  Jongeren staan vaker open voor een baan op flexibele basis dan ouderen. Ook lijken hoogopgeleiden een vast contract gemakkelijker op te geven dan laag- en middelbaar opgeleiden. Hoewel van oudsher de gedachte heerst dat een vast contract voor veel medewerkers het hoogst haalbare is, gaat dit  dus niet boven alles. Ambities en werkplezier bewegen medewerkers richting een flexibel contract. Jongeren staan vaker open voor een baan op flexibele basis dan ouderen. Ook lijken hoogopgeleiden een vast contract gemakkelijker op te geven dan laag- en middelbaar opgeleiden.

Flex moet

Het verschil in beide onderzoeken is misschien wat te verklaren door waar je nu precies naar vraagt. De pull factoren of de pushfactoren. Wat houdt je tegen; wat trekt het aan. Flexibel werken is ook wel wat anders dan zzp-schap.

Ik durf de stelling ook wel aan dat de toekomst van het flexibel werken niet bij een doorgroeiend aantal zzp’ers ligt.

Over twee dingen zijn de twee onderzoeken het eens:

  • De BV Nederland heeft niet minder, maar meer behoefte aan flexibele arbeidscontracten
  • Het verlies aan financiele zekerheid is de grootste belemmering om een flexibeler contract te aanvaarden

Het onderzoek van Raet laat zien een derde (34%) van de Nederlandse HR-managers verwacht dit jaar minder mensen in loondienst te hebben. Vooral in non-profitsectoren als de zorg en de overheid ligt de nadruk op de krimp van vaste medewerkers. Het aantal flexibele arbeidsrelaties stijgt volgens 39 procent van de HR-managers in verhouding naar verwachting wel. Met name in de zakelijke markt. In hun publicatie constateert Driessen een soortgelijke wens onder managers in de publieke sector. Flex moet.

Vooral de jongere generatie gaat niet langer uit van ‘een baan voor het leven’, toch lijkt voor veel werkenden en werkzoekenden het gebrek aan (financiële) zekerheid de keuze voor werken op flexibele basis op dit moment nog in de weg te staan. Door (financiële) zekerheid te waarborgen, wordt de keuze voor een flexibel contract sneller gemaakt. Zo stellen de onderzoekers bij Driessen. Financiele zekerheid is breder dan sec inkomen. Het gaat daarbij (zie onderzoek van Raet) zeker ook om sociale zekerheid en pensioen.

Nieuwe wetgeving maakt vast vaster, en flex flexer

Het is de vraag in hoeverre de twee grootste ingrepen in de flexibele arbeidsmarkt van de afgelopen twee jaar, de Wet Werk & Zekerheid en de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties nu precies voor effect hebben op deze wensen van werknemers. Wat onbedoeld wellicht lijken de WWZ en de Wet DBA vast eerder vaster te maken, en flex nog flexibeler. Doorstroom van flex naar vast vindt onder de WWZ niet plaats. De Wet DBA maakt het voor opdrachtgevers wel erg lastig om zzp’ers meer aan zich te binden omdat bijvoorbeeld opleidingen, opname in communities of pools en lang lopende opdrachten lastig, zo niet onmogelijk lijken.

De afstand tussen vast en flex wordt zo alleen maar groter en het aanzien van flex alleen maar kleiner.

Daarbij nog aangemerkt dat opdrachtgevers flexkrachten vaak eerder financieel straffen dan belonen voor hun bereidheid om een tijdelijk contract te accepteren. In plaats ze een flexbonus te geven, krijgen zzp’ers (in sommige sectoren)  minder betaald, zo bleek uit onderzoek van CBS van gisteren. De financiele situatie voor flexwerkers met bijvoorbeeld oproep- of nulurencontracten zijn vaak nog veel slechter. Wanneer werkgevend Nederland zo hard roept dat ze meer flexwerkers nodig hebben, dan zouden ze – naast een terechte roep op betere wetgeving – ook bij zich zelf kunnen beginnen.

Modernere wetgeving, betere voorwaarden en andere slimmere contractvormen dan of vast of zzp. Dat is wat er aan de ‘vraag’-kant gedaan kan en moet worden. En wel nu.

Flex moet. Flex doet je goed.

Flex moet. Flex doet je goed.

Vanuit het perspectief van de werknemers is het vasthouden aan het ideaal van een vaste baan is het negeren van de werkelijkheid. Zie V&D, zie PostNL, zie enzovoort. Waarbij de stap van vaste baan naar zelfstandig ondernemerschap niet voor iedereen de meest ideale oplossing is om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor een andere arbeidsmarkt.

“Flexibilisering draait om aantrekkelijk blijven voor de arbeidsmarkt” zegt Prof Ton Wilthagen in het rapport van Driessen HRM. De ontwikkeling van mensen is voor Wilthagen de sleutel tot flexibilisering. Hierin zit meer zekerheid dan in een vast contract of wat dan ook. Flexibilisering draait om aantrekkelijk blijven voor de arbeidsmarkt.

Dat de arbeidsmarkt verandert, maar dat wordt nog niet voldoende erkend, vindt Ton Wilthagen. Ook al wil men, op dit moment is het voor een individu niet eenvoudig om zichzelf te ontwikkelen. Dit geldt vooral als je een werknemer met een flexibel contract of zzp’er bent.  Beroepen in een moderne economie als deze vereisen kwalificaties. Maar wie betaalt om- of bijscholing en wie zorgt voor de tijd om de opleiding te kunnen volgen? De oplossing ziet de hoogleraar in arbeidsvormneutrale regelingen door de overheid, die je ook in Scandinavische landen ziet. Omdat deze regelingen niet afhankelijk zijn van een contract en iedereen eraan mee betaalt via de belasting, kan ook iedereen er gebruik van maken.

Ton Wilthagen adviseert alle HRM’ers dan ook om de muren tussen de eigen sector en de (commerciële) markt af te breken. “Iedereen die zich nu vooral richt op de eigen organisatie en interne arbeidsmarkt, raad ik aan om zich tot een arbeidsmarktmanager te transformeren. Verbind de interne- met de externe arbeidsmarkt om goede mensen aan te trekken, maar ook om mensen de stap naar buiten de eigen organisatie te laten maken.” HR & Flex, een combinatie voor de toekomst. Maar dat hadden we eerder al geconstateerd.

Geplaatst in Professioneel inhuren, Toekomst van Werk | Laat een reactie achter