Maandelijkse archieven: juli 2021

Einde stijging aantal webshops, starters kiezen nu voor gezondheidszorg

Het aantal starters komt weer terug op pre-coronaniveau. Afgelopen maand waren er 9% meer starters dan in dezelfde maand in 2020, een trend die al sinds maart gaande is. Dit blijkt uit het KvK Trendrapport Bedrijfsleven over juni 2021. Het totaal aantal Nederlandse bedrijven is nu 2.143.819.

Verschuivingen in de sectoren waarin men start

De internetdetailhandel zorgde afgelopen jaar voor een groot aandeel van het aantal starters, maar deze trend is nu ten einde. Het aantal startende webshops lag in juni 36% lager dan in dezelfde maand vorig jaar. Toch blijft het aantal startende webshops iets hoger dan in pre-coronatijd.

Opvallend is dat veel zelfstandige ondernemers nu starten in de gezondheidszorg. Zowel in de thuiszorg als in paramedische praktijken (zoals fysiotherapie) was er een stijging van 50% ten opzichte van het voorgaande jaar.

Professor Erik Stam, hoogleraar Strategie, Organisatie en Ondernemerschap aan de Utrecht University School of Economics, geeft duiding bij de cijfers: “Met weer een substantiële stijging in het aantal starters wordt bevestigd dat er volop kansen voor zelfstandig ondernemerschap zijn in de Nederlandse economie.”

Nog steeds weinig faillissementen

Het aantal faillissementen lag afgelopen maand nog laag, met 118 faillissementen. Dit is 43% minder dan in juni 2020. Ook dit valt uit te leggen. Professor Stam: “De daling van het aantal faillissementen blijft doorzetten. Dit zal gedeeltelijk door het continueren van de steunmaatregelen komen.”

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags | Laat een reactie achter

‘Traditionele vakbonden al jaren in neerwaartse spiraal’

Het ledental van vakbonden loopt al decennia gestaag terug. Hoe komt dat?

Vroeger paste het lidmaatschap van een vakbond goed bij de verzuiling van de toenmalige maatschappij. Daarnaast zagen veel werknemers het lidmaatschap als middel om mee te kunnen doen aan stakingen. Bovendien had je tot voor kort, en dat is heel vreemd, vaak helemaal geen inzage in een cao als je geen lid was. Maar de verzuiling is nu vrijwel ten einde; voor een staking heb je geen vakbond meer nodig, zie de opstand van de gele hesjes of het boerenprotest. En een cao is tegenwoordig met een paar muisklikken te zien op de website van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De traditionele bonden zitten al vele jaren in een neerwaartse spiraal: hun ledenbestand is vergrijsd, daarom richten ze zich met name op zaken als eerder stoppen met werken, ouwe-lullendagen, hoge pensioenuitkeringen en gemiste indexaties van pensioenen. Het draait alleen nog maar om oude rechten, waardoor de vakbond steeds onaantrekkelijker wordt voor potentiële nieuwe leden. Versobering van bijvoorbeeld de pensioenen proberen de bonden af te wentelen op jongere werknemers, die niet vertegenwoordigd zijn. De reactie van vakbonden? ‘Hadden die jongeren maar lid moeten worden’.

Waarom zou je anno nu nog lid van een vakbond worden?

Tja, er resteren nog een paar praktische voordelen. Je kunt gratis hulp krijgen bij het invullen van de belastingaangifte. En daarnaast heb je recht op individuele rechtsbijstand, dat is volgens de FNV voor ruim tachtig procent van de leden de voornaamste reden voor lidmaatschap. De overgebleven leden van de bonden vormen samen een vrij homogene groep: het zijn overwegend oudere mannen met vaste contracten en uitstekende pensioenregelingen. Deze groep heeft nu nog een hoge baanzekerheid en hoge pensioenuitkeringen, internationaal gezien zelfs zo’n beetje de hoogste ter wereld.

U richtte in 2005, samen met Mei Li Vos, de alternatieve vakbond AVV op. Waarom? En wat waren de doelen?

De aanleiding was de leeftijdsdiscriminatie in de VUT-overgangsregeling bij het ABP. We zijn toen naar de rechter gestapt, helaas tevergeefs. Bij de oprichting van de AVV formuleerden we drie kernpunten: we willen werken aan een betere sociale zekerheid voor flexwerkers; aan een eerlijker verdeling van pensioenlasten en -lusten tussen de verschillende generaties; en aan stemrecht voor iedereen waar het gaat om de eigen cao.

Wat betreft dat laatste, een van de punten die de AVV goed op de maatschappelijke agenda heeft gekregen, is het draagvlakmodel. Wat houdt dit precies in?

Van oudsher werken de vakbonden met het ledenmodel, waarbij alleen vakbondsleden inspraak hebben waar het gaat om de invulling van hun cao. Niet-leden, toch verreweg de meerderheid van werkend Nederland, mogen niet meepraten. In het draagvlakmodel van de AVV mogen alle werknemers meepraten over hun eigen cao; dit model is dus democratischer. De traditionele bonden reageerden hier negatief op, zij beschouwen ons draagvlakmodel als een ‘uitholling van de waarde van het lidmaatschap als ook niet-leden mogen stemmen’. Het is ons gelukt ons model te introduceren, bijvoorbeeld in de sectoren detailhandel en kunsteducatie.

De AVV heeft ook geprobeerd voor de Opvoedpoli een nieuwe cao af te sluiten, maar dat is stukgelopen op de informele macht van het ‘polderkartel’?

Helaas wel. De Opvoedpoli is een zorgverlener die in 2008 startte in de jeugdzorg. Ze begonnen meteen, heel vernieuwend, met multidisciplinaire teams waarbij voor elk gezin één hoofdbehandelaar, de gezinscoach, werd aangewezen. Handig, want in multi-probleemgezinnen komen vaak veel verschillende hulpverleners over de vloer, wat voor veel verwarring kan zorgen. De Opvoedpoli was al snel een succes en groeide hard. Daar hoorden ook nieuwe arbeidsvoorwaarden bij, erkende het kabinet ook later. De Opvoedpoli werkte liever niet volgens de reguliere GGZ-cao. De traditionele vakbonden waren daar niet blij mee, hoewel zij ook wel inzagen dat nieuwe regelingen beter zouden aansluiten op de positie van de werknemers. De Opvoedpoli had vervolgens een eigen cao nodig. Wij als AVV sloten, in samenwerking met hun ondernemingsraad, uiteindelijk zo’n cao. De meerderheid van de medewerkers stemde in met deze vernieuwde cao. Voor goedkeuring moesten we vervolgens wel een dispensatieverzoek indienen bij de minister. Maar minister Koolmees keurde, na de gebruikelijke consultatieronde bij de traditionele vakbonden die tegen waren, dit verzoek niet goed. Opnieuw een illustratie van de macht van wat ik het polderkartel noem.

Wat is er in Nederland mis met de positie van flexwerkers?

Relatief gezien best veel. De flexcontracten in Nederland behoren inmiddels tot de meest onzekere van heel Europa. Mensen met een vast arbeidscontract zitten wel goed. Maar heb je een flexcontract, zoals de meeste jongeren, dan heb je vrijwel geen sociale zekerheid meer. Ze bouwen geen pensioen meer op, of krijgen hooguit pensioen na een wachttijd. En zie als jongere flexwerker nu nog maar eens een hypotheek te krijgen, dat lukt gewoon niet meer. Overigens heeft de FNV zélf actief meegewerkt aan wetgeving waarmee de positie van flexibele werknemers extreem flexibel werd: zo geeft het door FNV-voorzitter Lodewijk de Waal in 1996 gesloten Flexakkoord bewust veel vrijheid aan uitzendbureaus om de positie van hun uitzendkrachten zeer flexibel te houden. Het beleid van de FNV is altijd geweest om de eigen achterban, die vooral bestaat uit werknemers met vaste contracten, uit de wind te houden. Nou, daar zijn ze uitstekend in geslaagd.

In uw boek De pensioenmythe bekritiseerde u eerder al de onrechtvaardige verdeling van pensioenen.

Ja. En dat is sindsdien niet verbeterd. De huidige gepensioneerden hebben volop geprofiteerd van lage pensioenpremies, de mogelijkheid van vervroegde uittreding, de VUT, en hoge gegarandeerde uitkeringen. Ondertussen hebben de pensioenfondsen jarenlang hun verplichtingen stelselmatig onderschat door te blijven rekenen met een te hoge rekenrente. Waardoor ze te lang zijn doorgegaan met het indexeren, oftewel verhogen, van de pensioenen. Dat werd duidelijk tijdens de kredietcrisis, toen de dekkingsgraden van de pensioenfondsen enorm daalden. De situatie is voor werkenden in de loop der jaren langzaam maar zeker verslechterd: werknemers moesten steeds meer pensioenpremie gaan betalen. Daarnaast moeten ze soms disproportioneel lang doorwerken, voor een pensioenuitkering waarvan de hoogte onzeker is en die mogelijk lager uitpakt dan gedacht. Het Pensioenakkoord dat in 2019 werd gesloten? Dat is vooral gebakken lucht. Het akkoord in 2019 probeerde weer met een rekenrente-truc te hoge pensioenen voor te spiegelen, een hardnekkige neiging van de polderbobo’s. Die weeffout is gelukkig gerepareerd met het aangepaste Pensioenakkoord in 2020.

(interview: Paul Groothengel

‘Het polderkartel’geschreven door Martin Pikaart is hier verkrijgbaar.

Geplaatst in ZP en Politiek | Tags , | 2s Reacties

“Sociaal basisstelsel voor alle werkenden wint aanhangers onder zzp’ers”

Ruim 60 procent van de hoogopgeleide zzp’ers steunt een sociaal basisstelsel voor alle werkenden op de arbeidsmarkt. Dit blijkt uit onderzoek van HR-dienstverlener HeadFirst Group, waar ruim 1700 zelfstandig professionals (zp’ers) recent aan hebben deelgenomen. Een breed draagvlak in vergelijking met de steun voor een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) voor zzp’ers, waar juist 70 procent niets voor voelt. Het stemt Han Kolff, CEO bij HeadFirst Group, positief. “Wij omarmen het idee van het creëren van een gelijker sociaal speelveld. Ieder individu in Nederland – ongeacht de werkvorm en arbeidsrelatie – heeft recht op bescherming en zekerheid.”

De SER bracht vorige maand het advies om een sociaal vangnet voor zelfstandigen te creëren voor bijzondere en onvoorziene omstandigheden. Zelfstandigen dienen hier zelf aan bij te dragen. Kolff gaat een stap verder en pleit voor een basisvoorziening voor alle werkenden, zoals wordt voorgesteld in het sociaal akkoord tussen ONL, VZN en AVV. “Maak van de zzp’er geen uitzondering, maar biedt een breed vangnet. We bewegen naar een arbeidsmarkt waarin het werk centraal staat, niet de contract- of rechtsvorm. Daarom is het van belang om zekerheden te creëren die meebewegen met de uitdagingen en wisselingen die mensen tegenkomen in hun werkende leven.”

Zekerheid op niveau van individu

Kolff wordt daarin gevoed door de mening van zp’ers. Uit onderzoek van HeadFirst Group blijkt dat met name op het gebied van arbeidsongeschiktheid een basisstelsel hoog scoort: 61 procent is voorstander. Ziekte en werkloosheid heeft minder aanhangers, maar is zeker niet uitgesloten met 41 en 24 procent. “De solidariteit onder zp’ers is hoog. Toch werd ik verrast door het aantal zp’ers dat bereid is bij te dragen aan een sociaal basisstelsel, voor met name arbeidsongeschiktheid. Als we op deze manier de hulpbehoevende zzp’er kunnen beschermen en de rest vrij kunnen laten om te ondernemen, dan zetten we echt een stap in de goede richting. Het is aan het nieuwe kabinet om deze handschoen op te pakken en hier serieus mee aan de slag te gaan”, benadrukt Kolff.

Steun verplichte AOV laag

De SER liet ook weten vast te houden aan de afspraak uit het Pensioenakkoord om zzp’ers zich verplicht te laten verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid om oneerlijke concurrentie en grote inkomensrisico’s voor individuen te voorkomen. De Stichting van de Arbeid kwam in maart vorig jaar met een voorstel voor de uitvoering van de verplichte AOV. Dit voorstel kreeg de nodige kritiek van zzp-organisaties. Ook de Belastingdienst en het UWV lieten aan demissionair minister Koolmees weten vraagtekens te hebben bij de technische uitvoering. Toch lijkt het erop dat het plan nog niet van tafel is. Op steun van zp’ers hoeft de overheid echter niet te rekenen, slechts 30 procent is positief gestemd.

Helft zp’ers heeft niks geregeld

Momenteel heeft de helft van de zp’ers zelf – bijvoorbeeld via een private partij of een broodfonds – de risico’s van arbeidsongeschiktheid afgedekt. De belangrijkste reden voor zp’ers om zich te verzekeren, is dat zij het financiële risico zelf niet willen (53 procent) of kunnen (21 procent) dragen. Nog eens 16 procent kan niet terugvallen op het inkomen van de partner. Van de zp’ers die geen arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben afgesloten, zegt 35 procent het financiële risico te kunnen dragen. Verder vindt één op de vijf de kosten niet opwegen tegen de baten en acht 11 procent het risico op arbeidsongeschiktheid laag.

Alle uitkomsten van het onderzoek zijn samengebracht in een infographic.

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , | 1 Reactie

Verhulp: “De autonomie die zzp’ers zoeken kan ook prima binnen een dienstverband”

Evert Verhulp snapt dat werkenden behoefte hebben aan meer autonomie in hun werk. Maar hij snapt niet waar heb idee vandaan komt dat dat niet binnen een regulier dienstverband kan en  mensen dus als zzp’er beginnen. Dat – en veel meer – zegt Verhulp in de onderstaande aflevering van onze podcastserie “Werken aan Nederland”.

Wat hem betreft is het aan werkgevers om veel beter in te spelen op de wensen van werknemers. Dan ‘vluchten’ ze ook niet meer in het zzp-schap. De arbeidsovereenkomst maar ook CAO’s bieden daar wat hem betreft alle mogelijkheden toe.

Verhulp, hoogleraar arbeidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam en directeur van ArbeidsmarktResearch UvA,  maakt zich vooral zorgen over een tweedeling in de arbeidsmarkt. Waarbij een flinke groep vaak zowel weinig verdient als weinig bescherming heeft.

In deze serie spraken we eerder onder andere al met Hans Borstlap, Edward Belgraver en Ton Wilthagen. Ze zijn hier te vinden. 

Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags , , | 9s Reacties

De wetenschap versus goed opdrachtgeverschap in de praktijk: een webinar met twee perspectieven

Een wetenschappelijke analyse van wat goed opdrachtgeverschap inhoudt, wordt in dit webinar gegeven door Sjanne Marie van den Groenendaal. Zij is aan Tilburg University gespecialiseerd in het onderwerp goed opdrachtgeverschap. Een visie vanuit de bedrijfswereld wordt gegeven door Lars Evers. Hij richtte freelancenetwerk Jellow op, een website die goed opdrachtgeverschap op meerdere manieren stimuleert.

Drie aspecten van goed opdrachtgeverschap

In het webinar worden drie aspecten van goed opdrachtgeverschap belicht. Ten eerste is het de vraag wat goed opdrachtgeverschap nou precies inhoudt. Ten tweede is er de verantwoordelijkheid: hoe is deze verdeeld over de zzp’ers zelf, hun opdrachtgevers en bureaus die hiertussen bemiddelen? Ten derde komen verschillende belemmerende factoren aan bod.

Doelen en middelen

Ook worden de resultaten van een poll onder opdrachtgevers besproken: wat is de voornaamste drijfveer om een goede opdrachtgever te zijn? Wat is het doel en wat is het middel? De belangen op korte termijn zijn soms anders dan die op lange termijn.

HR speelt hoe dan ook een grote rol in het vormgeven van opdrachtgeverschap. Omdat hr-afdelingen nog te vaak aan de zijlijn staan, ontwikkelde onderzoekster Van den Groenendaal een toolkit voor hr. De toolkit biedt praktische handvaten om meer organische flow te creëren in de arbeidsrelaties met zzp’ers.

Ondernemer Lars Evers merkt dat opdrachtgevers soms moeite hebben met het formuleren van een opdrachtomschrijving en scherp krijgen wie ze nodig hebben. Hierin kunnen bureaus en platforms een rol spelen, waardoor uiteindelijk zowel de opdrachtgever als de freelancer meer tevreden zijn. In het webinar bespreekt Evers meerdere manieren om dit te bewerkstelligen.

Onderzoekster Van den Groenendaal sluit daarbij aan en legt uit hoe je met ‘stretchwork’ zelfstandige professionals tegemoet kunt komen. Waar specifieke zzp’ers behoefte aan hebben, hangt onder andere af van hun startmotief en loopbaanstrategie.

Lees ook: Promotieonderzoek toont aan dat er 7 types zzp’ers zijn en een diversiteit aan loopbaanstrategieën

Belemmerende factoren

Het webinar behandelt ook de belemmerende overtuigingen die in de weg staan van een optimale arbeidsrelatie, soms zonder dat opdrachtgevers het zelf doorhebben.

Als het lukt om actief vorm te geven aan goed opdrachtgeverschap, heeft dat gevolgen voor verschillende onderdelen van je organisatie, legt Evers uit. In een blog pleitte hij voor een CFO: een Chief Freelance Officer die verantwoordelijk is voor alles wat gerelateerd is aan freelancers binnen een organisatie. In sommige gevallen zal inkoop een stap terug moeten doen zodat hr meer verantwoordelijkheid kan pakken.

Niet alleen de rolverdeling binnen organisaties is een belemmerende factor. Ook de wet- en regelgeving speelt een rol. Van den Groenendaal vindt dat overheidsbeleid vaak gericht is op de kleine groep kwetsbare zelfstandigen. In het webinar legt ze uit hoe groot de groep gedwongen zzp’ers (‘pushed-by-necessity’) nou echt is.

Kijk hier het volledige webinar:

 

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , | Laat een reactie achter

FNV daagt Uber: een analyse

Afgelopen week troffen Uber en FNV elkaar op initiatief van FNV weer in de rechtbank. De zaak, te lezen op de website van het FNV: “De FNV stelt dat Uber een taxi-werkgever is en eist dat Uber de taxi-cao toepast op haar chauffeurs en hen ook conform die cao (na)betaalt. Uber verweert zich met de stelling dat het (slechts) een technologieplatform is, dat werkt met zelfstandige taxichauffeurs.” Kort samengevat wil FNV dat Uber erkent dat het een taxibedrijf is, de chauffeurs in dienst neemt en de taxi-cao respecteert.

Er is flink wat discussie rondom deze zaak. Ten eerste is er de vraag wat de chauffeur zélf wil. Dat is en blijft onduidelijk. Uber geeft aan dat het overgrote deel van de chauffeurs graag zzp’er is en blijft. FNV lijkt eerder voor het eigen bestwil van de chauffeur op te komen en vooral een breder maatschappelijk vraagstuk te willen toetsen. Dat brengt ons ook bij de vraag hoe legitiem FNV is om deze zaak aan te gaan: voor wie doet de FNV dit? Die vraag blijft onbeantwoord. Waarmee ik niet zeg dat FNV zich hier niet mee moet bemoeien. Zeker ook omdat het voordeel van dit soort zaken is dat er veel feiten boven tafel komen en procedures goed moeten worden omschreven. En alleen dat is al positief.

Nieuwe wijn, oude zakken?

Uber is natuurlijk niet de eerste bemiddelaar op de taximarkt: taxibemiddelaars bestaan al sinds jaar en dag in de vorm van taxicentrales. Daarom leek het mij interessant om eens te kijken wat Uber nu anders doet dan een gemiddelde Toegelaten Taxiorganisatie (TTO) zoals de TCA in Amsterdam. Ik heb voor de TCA gekozen omdat Amsterdam de grootste markt voor Uber is in Nederland en omdat de TCA ook zelf investeert in een eigen app. De vraag van mijn weekend onderzoekje is: wat zijn de verschillen en gelijkenissen tussen traditionele en ‘app-only’ taxibemiddelaars?

De eerste voordehandliggende vraag is natuurlijk of TCA de chauffeurs wél in dienst heeft. En al moet je als TTO minstens 100 taxichauffeurs hebben: er wordt nergens iets gezegd over de status van deze chauffeur. Op de website van TCA is te vinden dat de TCA-chauffeurs niet in dienst zijn van TCA, maar allen werken als zelfstandig ondernemer. FNV bevestigt dit overigens ook op de eigen website: “De straattaximarkt is zolang je je kunt herinneren een zzp-markt.” Aangezien je je alleen als werkgever/werknemer aan cao’s hoeft te houden, geldt de taxi-cao dus ook niet voor TCA-chauffeurs. Zij worden per rit betaald en het risico ligt volledig bij de individuele chauffeur.

Dan vond ik het interessant om te kijken naar de controle over – en aansturing van – de chauffeur. Uber heeft een sterke technologiefocus en er is geen ‘menselijke’ interventie tussen het aanvragen, verdelen en evalueren van ritten. Hoe zit dit bij de taxicentrale? Google bracht mij bij dit geweldige artikel uit 2001 uit het Reformatorisch Dagblad over de digitalisering van de coördinatie van het taxivervoer. Hier wordt al gesproken over monitoring via GPS, duizend geïnstalleerde zenders en ontvangers én het Rit-Afhandelings Systeem van de Taxicentrale Amsterdam (RASTA). De ontwikkeling van RASTA gaat terug naar 1980 en Zwitserland weet het artikel te melden. Het systeem moet leiden tot meer efficiëntie, snelheid en lagere transactiekosten: “de computer verdeelt de ritten eerlijk over de taxi’s die zijn aangesloten bij TCA.” Over transparantie van deze black box waren destijds nog geen zorgen.

Deze alinea laat zien dat hoewel Uber vanaf dag één een ‘tech first’ houding heeft ingenomen, ook de ‘traditionele’ taxi-bemiddelaars al zeker 40 jaar bezig zijn met het automatiseren van de operatie. Dus hoewel beide bemiddelaars een andere startpositie (en -datum) hebben, zijn er veel gelijkenissen. Ik verwacht dat TCA meer richting de operatie van Uber en Uber meer richting de operatie van TCA zal groeien. De enige reden dat we TCA een taxibedrijf noemen, is vanwege het vertrekpunt, maar over een paar jaar zal TCA weinig anders zijn dan Uber vandaag. Uber zou je daarmee ook prima een taxibedrijf kunnen noemen, maar vanwege het vertrekpunt (en natuurlijk op advies van de juristen) luistert het zelf naar de naam technologiebedrijf. Wat gezien het vertrekpunt prima te verantwoorden is, maar als je kijkt naar wat het doet, niet heel relevant is.

Een kwestie van willekeur?

In een markt waar zelfs volgens FNV zzp de norm is, is het opvallend om juist nu een rechtszaak over de status van de taxichauffeur te gaan voeren. Dat is dan ook een van de argumenten die Uber niet heel verrassend benadrukt. FNV geeft aan dat zij nooit hebben beweerd dat TTO’s per definitie geen werkgever zijn, maar dat in deze procedure louter de positie van Uber ter discussie staat. De standpunten van zowel Uber als FNV zijn helder, maar de vraag ‘voor wie doet FNV het’ blijft staan.

Je zou de zaak tegen Uber taxi’s als willekeur kunnen zien: als FNV zich echt bekommerde over de positie van de chauffeur, dan had het een jaar of 20 tot 30 geleden ook de TCA al aan kunnen klagen. Eenzelfde punt maakte ik destijds ook in 2018 over de zaak FNV tegen platform voor thuisschoonmakers Helpling. Hier ontdekte ik dat Helpling zeker niet uniek is: dit soort bemiddeling bestaat al jaren. Neem het bedrijf HomeWorks. Een bedrijf dat al 25 jaar lang exact hetzelfde doet als Helping. Het enige verschil is dat dit geen online marktplaats is, maar dat het bedrijf handmatig de match tussen vraag en aanbod maakt. Daarnaast heeft het servicecoördinatoren die toezien op kwaliteit en zelfs met de eerste schoonmaak meegaan. Dit alles maakt het een duur model: de commissie die het bedrijf rekent, is dan ook zo’n 39% (t.o.v. destijds 23% bij Helpling). Mijn claim was toen ook: “als de FNV het belangrijk vindt om voor deze doelgroep op te komen, waarom hebben zij een organisatie als HomeWorks dan niet al veel eerder aangepakt?”

Waar doet FNV het dan wél voor?

Dat is natuurlijk een vraag die FNV het best zelf kan beantwoorden. Ik denk dat het FNV om het grotere plaatje en een angst voor een explosie van de markt voor flexibele arbeid gaat. Platformen verlagen drempels om als zelfstandige ondernemer aan de slag te gaan: marketing, sales en administratie wordt immers door het platform verzorgd. De lage regel- en premiedruk op freelance werk (in verhouding tot werknemers en uitzendkrachten) maakt deze categorie werkenden voor opdrachtgevers al snel interessant en door het ontbreken van de overdaad aan regels die bij het werkgeverschap komt kijken, is deze manier van werken nu eenmaal een stuk flexibeler. Het is dan ook aannemelijk dat platformen zullen zorgen voor een groei van de markt voor flexibele arbeid: zowel vanuit het uitzend- als freelancestatuut. En dat is voor vakbonden doorgaans geen wenselijk scenario.

Een podcast aflevering waar het boek ‘De onmisbaren – een ode aan mijn sociale klasse’ door de auteurs van Fantoomgroei wordt besproken, deed mij aan het volgende denken. Misschien wat ver gedacht, maar toch. Kijkend naar de (kostbare) rechtszaken van FNV tegen Uber, Deliveroo, Temper en Helpling lijkt FNV platformwerk te zien als de belichaming van een heterogene onzichtbare sociale klasse die de laatste tientallen jaren uit de spotlight is verdwenen. Platformwerk geeft deze klasse weer een gezicht. Daarnaast is de framing van grote, met miljarden dollars volgepompte machtige platformen tegenover de kwetsbare niet voor zichzelf opkomende werkende een beeld dat goed tot de verbeelding spreekt. Goed (onschuldig) versus kwaad. Voor FNV is het een kans om deze heterogene en onzichtbare groep werkenden weer op de kaart te zetten en onderdeel te maken van het publieke debat. En van het ledenbestand. Wie weet.

En nu?

FNV heeft er duidelijk voor gekozen de status van de taxichauffeurs die via (of volgens FNV: voor) Uber rijden met deze rechtszaak aan de kaak te stellen. Dat is hun goed recht, maar ik denk dat het een gemiste kans is om vraagstukken die relevant zijn voor een bredere groep werkenden in de spotlight te zetten. Zoals:

  • de impact van algoritmisch management (‘een app als baas’) op de werkende;
  • transparantie in automatische besluitvorming;
  • transparantie in prijsmechanismen (bij Uber is het niet duidelijk wat je nu precies verdient);
  • monitoring via technologie;
  • persoonlijke sturing en beïnvloeding op basis van data;
  • de rechten van werkenden wanneer een algoritme jou ontslaat;

Om maar een aantal willekeurige issues te noemen.

Duidelijk is dat als FNV wint, Uber in hoger beroep zal gaan. Als Uber wint, doet FNV hetzelfde. Het belooft nog een lange en dure strijd te worden. Intussen wacht iedereen op een nieuw kabinet en, misschien tegen beter weten in, de meer dan ooit broodnodige hervorming van de arbeidsmarkt waarbij de werkende en niet de contractvorm centraal staat. Iets waar met de aankomende krapte op de arbeidsmarkt meer behoefte aan is dan ooit. De bal ligt wat mij betreft bij de politiek. Of, zoals de rechter oordeelde in de zaak tegen Helping: “het is niet aan de rechter, maar uitsluitend aan de wetgever om hier verandering/verbetering in aan te brengen.” We gaan het meemaken.

Lees ook: FNV begint rechtszaak tegen schoonmaakplatform Helpling – en snijdt zichzelf uiteindelijk in de vingers

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , | 1 Reactie