“Helpling-zaak brengt helaas geen duidelijkheid in platformdiscussie”

Wat is de impact van de rechterlijke uitspraak in de zaak Helpling? “Dit brengt geen duidelijkheid in de discussie over platformwerk”, stelt Jeroen Brouwer, beleidsadviseur arbeidsrecht bij de ABU. Ook volgens expert platformeconomie Martijn Arets ‘schiet de schoonmaker er niets mee op’.

Waar gaat de discussie over? Platform Helpling stelt (particuliere) huishoudens in staat via een online marktplaats een schoonmaakhulp te vinden. Voor deze ‘bemiddeling’ rekent het Duitse platform een commissie tussen de 23 en 32%, die de zzp’er moet betalen. Helpling ziet zichzelf als een online prikbord waar vraag en aanbod bij elkaar komen, maar de FNV vindt dat Helpling als werkgever moet worden gezien en dat het bedrijf de schoonmakers in dienst moet nemen/volgens de schoonmaak CAO moet betalen. De vakbond heeft daarom een rechtszaak aangespannen.

Geen werkgever, wel bemiddelaar

De kantonrechter in Amsterdam deed 1 juli uitspraak. Het oordeel: Helpling is geen werkgever, wel bemiddelaar. Er is geen sprake van werkgeverschap, want er is feitelijk geen sprake van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten. Maar volgens de rechter is Helpling wel meer dan een online prikbord. Het platform speelt een actieve rol in het bij elkaar brengen van vraag en aanbod van arbeid. Zo hanteert Helpling regels met betrekking tot het accepteren, wijzigen of weigeren van een klus en de consequenties die kleven aan een (te late) wijziging of annulering. Ook bemoeit het bedrijf zich actief met de beoordeling van schoonmakers en de afhandeling van klachten, en kan het accounts van schoonmakers pauzeren of blokkeren. Er is hier volgens de rechter kortom sprake van arbeidsbemiddeling in de zin van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi).

En de WAADI schrijft voor dat een intermediair (Helpling) geen vergoeding voor bemiddeling in rekening mag brengen bij de werkende (schoonmaker). Door commissie (inhoudingen op het loon) te vragen van de werkende, handelt Helpling dus in strijd met de WAADI.

Helpling heeft na de uitspraak direct laten weten het verdienmodel gewoon om te gooien en laat de klant (de inhurende partij) voortaan de commissie betalen in plaats van de schoonmaker. Volgens Helpling is dit met slechts ‘enkele operationele aanpassingen, waaronder de commissiestructuur’ mogelijk. Het platform voorziet dus geen grote problemen en verwacht gewoon als arbeidsmarktplatform te kunnen blijven doorgaan.

‘Schoonmaker schiet er niets mee op’

Martijn Arets, expert platformeconomie, liet eerder (zie hier) al weten de rechtszaak tegen Helpling vooral te zien als willekeur met als ‘doel van de FNV om de problematiek achter de platformeconomie aan te kaarten’.

Ook na de uitspraak van de kantonrechter blijft Arets daarbij: “Het gaat de FNV in deze zaak niet om de belangen van de thuisschoonmaaksters. Ze negeren het onderliggende probleem, namelijk dat particulieren niet meer willen betalen voor thuisschoonmaak, een sector die zich grotendeels op de zwarte markt afspeelt. Dat een platform de match maakt heeft daar geen invloed op. In veel landen wordt dit opgelost door een subsidie vanuit de overheid. Dat de commissie voortaan niet door de schoonmaker, maar waarschijnlijk door de klant moet worden betaald, zal geen impact hebben op wat de schoonmaakster er netto aan overhoudt.”

‘Helpling goed weggekomen’

Jeroen Brouwer, beleidsadviseur arbeidsrecht bij de ABU, zegt in een reactie op de rechterlijke uitspraak: “Door de discussie over de commissie lijkt het alsof dit een overwinning is voor de FNV, maar de vakbond is op de meest cruciale punten – is Helpling een werkgever en doen ze aan het ter beschikking stellen van arbeidskrachten? – in het ongelijk gesteld.”

Dat de rechter Helpling wel als bemiddelaar aanmerkt, vindt Brouwer niet zo opzienbarend. “Dat is een heel ruim begrip, daar valt een platform dus al snel onder. Ik vind het eerder opvallend dat de rechter niet heeft geoordeeld dat dit met terugwerkende kracht geldt (en Helpling dus de commissie moet terugbetalen aan de schoonmakers, red). Als argument geeft de rechter dat dit niet hoeft omdat het een nieuw concept is. Maar dat dit wel degelijk onder bemiddeling valt had Helpling wel kunnen weten. Daar zijn ze dus goed mee weg gekomen.”

Schoonmakers zijn geen zzp’ers

Relevant is de vraag wat de uitspraak in de zaak Helpling betekent voor andere platforms. “Weinig”, volgens Brouwer: “Helpling heeft een heel eigen vorm van dienstverlening. Bovendien is het verschil met veel andere platforms dat hier de zzp-discussie niet speelt. De schoonmakers zijn geen zzp’ers, maar hebben een arbeidsovereenkomst; de vraag is alleen of zij die met Helpling of met de klant hebben. Maar de schoonmaakhulpen vallen gewoon onder de regeling dienstverlening aan huis. De uitspraak geeft dus geen duidelijkheid over zzp-platforms als Deliveroo. Helaas, want zolang de wetgever niet met adequate regelgeving komt, moeten we het hebben van jurisprudentie.”

(Zelf)regulering platformwerk

De ABU pleit al langer voor (zelf)regulering en vindt dat helderheid moet komen over de juridische status van de platformwerkers. ‘Werkplatforms mogen geen Bermudadriehoek zijn waarin rechten en plichten van werkenden en werkgevers verdwijnen’, stelt de brancheorganisatie in haar whitepaper Wat is de impact van platformwerk? Twee jaar geleden pleitte ABU-directeur Koops al voor goede regulering.

En natuurlijk preekt Koops ook voor eigen parochie en vormt de opkomst van ongereguleerde zzp-platforms een bedreiging voor gereguleerde vormen van flex (zoals uitzenden). Maar de roep om een (arbeidsrechtelijk) kader voor platformwerk is terecht. Daar is de hele flexbranche bij gebaat. Maar die duidelijkheid is er, ook na de uitspraak in de Helpling-zaak, dus nog steeds niet.