Maandelijkse archieven: augustus 2018

Slechts 1 op de 10 zzp’ers verhoogt tarieven wegens schaarste op de arbeidsmarkt

Slechts 1 op de 10 zelfstandigen zegt het afgelopen jaar er qua uurtarief op vooruit te zijn gegaan. Bijna een even grote groep is juist in tarief gedaald. Gecorrigeerd voor inflatie zegt zelfs 3 op de 4 zelfstandigen er qua uurtarief op achteruit te zijn gegaan het afgelopen jaar, aldus een rondvraag van Intelligence Group onder 226 zzp’ers in het tweede kwartaal van dit jaar.

tarieven zelfstandige

De onderzoekers noemen dit ‘bijzonder’, gezien de krapte en schaarste op de huidige arbeidsmarkt. De bevinding sluit wel aan bij eerdere publicaties. Die lieten immers ook al zien dat de krapte zich voorlopig nauwelijks lijkt te vertalen in stijgende tarieven onder zzp’ers.

Vooral overstap leidt nog wel eens tot verhoging

Uitgesplitst naar het type opdracht is te zien dat met name zelfstandigen die bij nieuwe opdrachtgevers aan de slag gaan, nog wel eens hun tarief weten te verhogen. Maar ook dat deel is met 14% nog steeds maar beperkt. Zzp’ers die hun diensten bij huidige en of bekende opdrachtgevers verlenen verhogen hun tarieven echter nóg minder vaak (11%). De tarieven stijgen – weinig verrassend – het minst onder de groep zzp’ers die geen nieuwe opdrachten had (6%).

‘Marktwerking ontbreekt bij zzp’ers’

Volgens de onderzoekers van Planet Interim en Intelligence Group tonen de nieuwe cijfers eens te meer aan dat ‘er geen sprake is van marktwerking als het om de uurtarieven van zzp’ers gaat’. Hooguit is er sprake van dat werk-/opdrachtgevers de uurtarieven van zzp’ers koppelen aan de intern gehanteerde cao-schalen. Dit kan bijvoorbeeld verklaren dat in de praktijk zzp-tarieven eerder cao’s lijken te volgen dan te reageren op krapte en schaarste in de markt.

In de praktijk lijken zzp-tarieven eerder cao’s te volgen dan te reageren op krapte en schaarste in de markt.

De benchmark-tarieven-tool voor zzp’ers, die wordt samengesteld op basis van marktdata van onder andere Planet Interim, Jobdigger en Intelligence Group, beoogt dat te veranderen. De tarieventool is volgens de initiatiefnemers bedoeld om meer transparantie in de markt te brengen. Zo zouden zelfstandigen beter weten wat ze waard zijn. Hierdoor zouden ze ook vraag en aanbod beter in hun tarief kunnen verwerken.

Lees ook:

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , | Laat een reactie achter

3x het goede nieuws over de vermogens van zzp’ers

Van alle zelfstandigen zonder personeel heeft ongeveer 1 op de 5 een negatief vermogen, zo meldde het CBS. Nog eens zo’n 5 procent had in 2016 geen of maar een klein vermogen van maximaal 5 duizend euro. Reden voor veel media om maar weer eens hun zorgen uit te spreken. Zo kopte het FD dreigend: ‘Vermogen zzp’ers in 10 jaar afgenomen‘, en schreef de krant daarna ‘dat de situatie alleen maar nijpender wordt’. En RTL Z maakte er zelfs van: ‘Kwart zzp’ers heeft nauwelijks geld‘.

Maar wie iets verder kijkt, kan uit de cijfers ook veel positieve signalen halen. We noemen er 3:

#1. Ze hebben (véél) meer op de botten dan werknemers

Het CBS onderzocht drie groepen: werknemers, zelfstandigen mét en zelfstandigen zonder personeel. Van die drie komen werknemers er duidelijk het meest bekaaid vanaf. Van hen heeft bijna een derde zich in de schulden gestoken – waarvan meer dan 90 procent uit hypotheekschulden bestaat – en heeft maar 18 procent een vermogen van 200.000 euro of meer. Onder zzp’ers zijn die cijfers een stuk rooskleuriger: van hen heeft 37 procent – dus ruim twee keer zoveel (!) – een vermogen van boven de 2 ton. Bij zzp’ers bestaat de schuld voor zo’n 80 procent uit hypotheken.

Van de zzp’ers heeft ongeveer de helft meer dan een ton vermogen, van de werknemers heeft juist de helft minder dan 20.000 euro beschikbaar. Het is dus maar net hoe je het bekijkt of je je daarover zorgen moet maken. Maar puur afgaand op de cijfers lijken veel zzp’ers dus best tegen een stootje te kunnen. En zich gemiddeld genomen ook best goed op zo’n stootje voor te bereiden.

vermogens zzp'ers

#2. Het komt vooral dankzij de groei

Dan de daling in vermogens bij zzp’ers. Het FD komt met de constatering dat een zzp’er in 2007 nog over een vermogen van gemiddeld 205.200 euro beschikte. In 2016 was daar dus net iets minder dan de helft van over. Ook het gemiddelde bedrijfsvermogen daalde in die tijd van 25.000 euro voor de crisis tot 18.800 in 2016.

Maar ook hier passen nog wel een paar nuanceringen. Zo hadden we in 2007 óók hoge huizenprijzen, een belangrijke verklaring voor hoge vermogens. Het aandeel van spaargeld, aandelen of obligaties in het persoonlijk vermogen is een stuk geringer. Daarnaast zijn tegoeden die zijn opgebouwd in spaarhypotheken niet meegenomen in de berekening; tot een paar jaar terug toch een populaire hypotheekvorm.

Jongeren hebben vanzelfsprekend nog weinig vermogen kunnen opbouwen, maar roepen ook niet direct de meeste zorgen op als het gaat om bijvoorbeeld werkloosheid.

Maar de belangrijkste verklaring lijkt toch wel te vinden in de groei van het aantal zzp’ers. Dat waren er 682.000 in 2007, en 10 jaar later was dit gestegen naar 894.000. Dit is vooral te danken aan jongeren die als zelfstandige zijn begonnen. Een groep die vanzelfsprekend nog weinig vermogen heeft kunnen opbouwen, maar die ook niet direct de meeste zorgen oproept als het gaat om bijvoorbeeld werkloosheid.

Ook veel 55-plussers zijn sinds 2007 gestart als zelfstandige. Zij hebben vaak eerder als werknemer rechten opgebouwd, zijn financieel vaak zelfstandiger, of hebben juist een partner met een regelmatig inkomen. Ook hier lijkt een eventueel gebrek aan vrij beschikbaar vermogen dan ook lang niet altijd meteen een reden tot grote ongerustheid.

#3. Ze betalen dus toch (óók) belasting

Sommige partijen hameren er in discussies over zzp’ers op dat ze zo weinig belasting zouden betalen. Het CBS-onderzoek haalt dat argument in elk geval deels onderuit. Gaan we uit van het heffingsvrij vermogen van 30.000 euro dit jaar, dan betaalt die werknemer met gemiddeld 23.000 euro vermogen dus helemaal geen vermogensrendementsheffing. De zzp’er, die gemiddeld netjes een vermogen van 101.000 euro bij elkaar heeft gespaard, betaalt hierover wel elk jaar een bedrag aan de fiscus. Dit jaar zou het gaan om zo’n 1.440 euro, er voor het gemak even van uitgaand dat het vermogen vrij beschikbaar is, en niet in een (eerste) woning zit.

Zzp’ers betalen zoveel belasting over hun vermogen, dat ook dit de zelfstandigenaftrek wel rechtvaardigt

Dat kun je natuurlijk veel of weinig vinden, ten opzichte van de zelfstandigenaftrek van ruim 7.000 euro. En de variatie binnen alle groepen is natuurlijk ook groot. Sommige zelfstandigen zullen helemaal geen zogenoemde box 3-heffing betalen, net zoals er ook legio werknemers zijn die dit wél zullen doen.

Maar je kunt het in elk geval ook als een (extra) argument zien vóór behoud van de zelfstandigenaftrek. Die is immers bedoeld om de ondernemer te compenseren voor de hogere risico’s die met dat ondernemerschap gepaard gaan. Dat betekent niet alleen: jezelf via deze aftrek de middelen te verschaffen om je te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid en werkloosheid. Maar ook: een buffer kunnen opbouwen voor mindere tijden, en voor je pensioen. En dat dus zonder daarvoor onevenredig belast te worden.

Lees ook:

 

Geplaatst in ZP en Ondernemen, ZP en Politiek | Tags , | Laat een reactie achter

Gemeentes én provincies ruim boven 10%-norm externen; SP overweegt initiatiefwet

De externe inhuur bij gemeentes blijft maar stijgen, bleek recent. Met name bij 100.000+-gemeentes is de stijging flink. Gemiddeld wordt daar alweer 20 procent van de totale loonsom besteed aan mensen die niet officieel in dienst zijn van de gemeente, variërend van uitzendkracht tot interim consultant. Dat is een forse stijging ten opzichte van 6 jaar geleden, toen gemeentes gemiddeld nog 11 procent van hun loonsom kwijt waren aan externen.

Provincies huren voor 21,1% loonsom externen in

De provincies kennen soortgelijke percentages, blijkt uit de recent verschenen Personeelsmonitor. Gemiddeld besteedden de provincies vorig jaar liefst 21,1 procent van hun totale loonsom aan de inhuur van externen. De spreiding tussen provincies is overigens wel erg groot, variërend van 4,4 tot maximaal 32,2 procent. Dat komt deels door definitiekwesties, maar deels ook door bewuste beleidskeuzes, aldus de onderzoekers.

Op basis van de Personeelsmonitor is te berekenen dat provincies tot zo’n 200 miljoen euro uitgeven aan externen

Of er hier sprake is van een stijging is niet helemaal zeker te zeggen. De provincies rapporteren immers voor het eerst over de inhuur van externen. Maar afgaande op wat vorig jaar over de uitgaven aan externen geschreven werd lijkt een forse groei wel aannemelijk. Op basis van de gegevens in de Personeelsmonitor is te berekenen dat de provincies zo’n 175 tot 200 miljoen euro uitgeven aan externe inhuur.

Kamervragen over stijging

‘Zeer opvallend’, zegt Ronald van Raak, Tweede Kamerlid van de SP. Eerder deze week stelde hij aan de minister van Binnenlandse Zaken nog Kamervragen over de inhuur van gemeentes. ‘Je ziet de externe inhuur weer de pan uitrijzen. Dat is opmerkelijk, en zeer onwenselijk, omdat je ziet dat het bestuur zo steeds meer in de greep komt van consultants. En dat terwijl overheden juist zelf kennis en kunde in huis horen te hebben.’

De stijging is onwenselijk, omdat het bestuur zo steeds meer in de greep komt van consultants

Van Raak vroeg de minister deze week onder meer hoe ze de stijgende uitgaven verklaart. Ook wilde hij weten of er misschien een verklaring schuilt in de decentralisatie van zorgtaken waarmee gemeentes te maken hebben. Maar de belangrijkste vraag die hij stelt is wel of de minister overweegt de zogeheten ‘Roemer-norm’ ook voor gemeentes en provincies in te voeren. Die norm, vernoemd naar voormalig SP-fractievoorzitter Emile Roemer, houdt in dat overheden maximaal 10 procent van hun loonsom aan inhuur mogen besteden.

Het disciplinerende effect van Roemer-norm

‘Je ziet dat die norm bij de Rijksoverheid goed heeft gewerkt. Er is een disciplinerend effect vanuit gegaan’, aldus Van Raak. Volgens het Kamerlid heeft de norm geleid tot een beter personeelsbeleid bij ministeries. Daarbij worden minder kosten gemaakt, er wordt meer eigen kennis opgebouwd en organisaties zijn meer zelflerend geworden. Daarom hoopt hij dat de minister zo’n meer stringente norm ook voor gemeentes, provincies en waterschappen wil invoeren. ‘En anders ga ik zeer waarschijnlijk zelf met een initiatiefvoorstel daartoe komen’, verklapt hij.

Wij willen dat externen alleen nog maar bedoeld zijn voor klussen die echt tijdelijk zijn, en dat overheden het meeste werk door eigen mensen laten doen.

Van Raak brengt nog even in herinnering dat het ooit ook een provincie was die aanleiding gaf tot de invoering van de Roemer-norm. ‘Het zou goed zijn om die norm verplicht te stellen voor alle overheden’, zegt hij. ‘Nu betalen gemeentes en provincies heel veel geld, voor mensen die soms heel lang blijven, en dan hun kennis weer meenemen. Wij willen dat externen alleen nog maar bedoeld zijn voor klussen die echt tijdelijk zijn, en dat overheden het meeste werk door eigen mensen laten doen. En je ziet dat een norm werkt. Toen de norm bij het Rijk het beleid werd, is de inhuur snel minder geworden.’

De SP is niet de enige die zich zorgen maakt

De SP blijkt overigens niet de enige die zich zorgen maakt over de rol van de externen bij de overheid. Zo schreven Piet Hein de Sonnaville en Marleijn de Groot van Schaekel & Partners vorige week nog in het FD over de stijgende tarieven van consultants en interim managers. Daardoor dreigt enerzijds de belastingbetaler op kosten te worden gejaagd, stellen zij. Anderzijds dreigen goede mensen voor de overheid verloren te gaan. De twee pleiten in antwoord daarop om minder op basis van uurtje-factuurtje te werken. De overheid doet er volgens hen juist beter aan met externen af te rekenen op basis van vooraf gedefinieerde doelen.

Lees ook:

Geplaatst in ZP en Politiek | Tags , | 5s Reacties

‘Netwerken hebben zeker een vorm van organisatie nodig’

Veel maatschappelijke vraagstukken hebben het karakter van wicked problems. Ze zijn niet alleen in cognitieve maar ook in sociale zin complex, omdat een groot aantal partijen in wisselende constellaties betrokken is. Netwerken blijken in de praktijk bijzonder geschikt om dit soort opgaven tot een goed einde te brengen, zeggen de auteurs van Organiseren in en om netwerken. Mits ze op de juiste manier georganiseerd zijn. want netwerken hebben ondanks wat vaak wordt beweerd weldegelijk een bepaalde  vorm van organisatie nodig.

Over netwerken is in de loop der jaren toch al behoorlijk wat geschreven. Wat voegt uw boek aan al die publicaties toe?

Dat klopt, er is veel geschreven over netwerken als verschijnsel of hoe je als individu sterk kan worden in ‘het netwerken’. Met dit boek belichten we een andere invalshoek: het Organiseren in en met netwerken tussen mensen en organisaties. We proberen vat te krijgen op het ongrijpbare van netwerken – er bestaat het beeld dat ze zichzelf organiseren en zich niet laten organiseren – en de ingewikkeldheden die we in netwerken kunnen tegen komen. Om de kracht van netwerken goed te benutten, is het vaak nodig om wat actiever te sturen en te organiseren. Immers, een netwerk kent geen hiërarchie met klassieke controle en doorzettingsmacht. Net als bij samenwerken zien we in een netwerk dat verschillende interpretaties en spraakverwarring, de confrontatie van belangen, verschillende beelden over afspraken, persoonlijke voorkeuren en relationele fit het gezamenlijk werken lastig kunnen maken. Netwerken verdienen enige vorm van ‘organiseren’ om daar mee om te gaan!

Wij geloven dat je het werken in netwerken een zetje kan geven. Weliswaar op nieuwe manieren: meer gebaseerd op interactie en spelregels, meer gericht op rijkheid en minder op schaarste, en met een ander soort gedeeld leiderschap. Niet een kwestie van loslaten, maar van anders vastpakken! In ons boek beschrijven we vijf bouwstenen die daar bij helpen. De deelnemende actoren moeten in staat zijn om hun verbinding (identiteit) te vertalen naar de juiste ambities: inspanningen en activiteiten, die ook nog wat onderlinge samenhang kennen. Dat vraagt een goed fundament: afspraken over vorm, inzet en overleg, om spelregels over deelname, inzet en interactie. Het vraagt om leiderschap dat zichtbaar wordt in de vorm van een koers voor het netwerk, samenhang tussen de inspanningen van de deelnemers, het faciliteren van interactie en leerprocessen en versterking van het netwerk zelf.

Waarom heeft u uit alle mogelijke samenwerkingsvormen juist het netwerk gekozen voor het schrijven van een praktijkboek?

Netwerken zijn een bijzondere vorm van organiseren die de laatste jaren meer aandacht krijgt. Netwerken blijken zeer geschikt om lastige opgaven te adresseren; ze kunnen een grote variatie aan disciplines en expertises mobiliseren en zijn daardoor zeer geschikt voor kennisdeling en innovatie. Het probleemoplossend vermogen van netwerken is in potentie heel groot. Tegelijkertijd is de werking van netwerken nog wel een puzzel, omdat ze toch een ander repertoire van ons vragen. De kansrijkheid van netwerken aan de ene kant en de soms taaie worsteling om netwerken goed te laten functioneren aan de andere kant was voor ons aanleiding om ons in dit boek te concentreren op deze vorm van organiseren en samenwerken. Daarnaast deden we de afgelopen jaren veel waardevolle ervaringen op die we graag delen.

Bij netwerken zullen veel lezers meteen denken aan business clubs, ondernemerscontacten, en dergelijk. Maar dat blijkt  toch een te smalle interpretatie.

Klopt. Een netwerk zien wij als een samenhangend geheel van individuen, organisaties of kleine netwerken met een herkenbare identiteit. Daarbinnen kunnen vervolgens verschillende ambities ontstaan waar in (tijdelijke) coalities aan wordt gewerkt. In die coalities gebeurt het: hier verbinden mensen zich aan betekenisvolle vraagstukken, projecten, ideeën etc. Dit type netwerk is de moeite waard omdat ze ons heel veel  te bieden hebben. Ze verbinden mensen over grenzen van organisaties, sectoren, domeinen, afdelingen, wereldbeschouwingen. Netwerken zijn in staat om barrières te doorbreken. In onze versnipperde wereld is dat een heel krachtig en noodzakelijk instrument.

Hebben al die bijeenkomsten met (gratis) drank en eten het imago van het serieuzere werk schade berokkend?

Bijeenkomsten met drank en eten kunnen heel nuttig zijn. De verbinding tussen mensen, de ontmoeting, is een voorwaarde om te komen tot een gezamenlijke identiteit en om tot concrete ideeën te komen om ambities te vormen. Daarvoor kan het heel goed zijn om elkaar regelmatig te ontmoeten op zo’n bijeenkomst. Tevens is het maar net wat je beoogt. Wij maken het onderscheid tussen interactiegerichte- en opgavegerichte netwerken. Een interactiegericht netwerk, waar mensen met name kennis willen delen, of gelijkgestemden willen ontmoeten, kan prima uit met dit type bijeenkomst; op voorwaarde dat er iets van een programma is dat mensen aanspreekt.

Opgave gerichte netwerken richten zich veelal op vraagstukken waar diverse type actoren met hun eigen kennis en middelen voor nodig zijn. Dan is het zaak te zorgen dat het netwerken de mogelijkheid om tijd, energie en denkkracht biedt om meerdere ambities, doelen en resultaten tegelijkertijd. Dat maakt de kans op een hoger gezamenlijk rendement groter. Zo’n netwerk is veel krachtiger wanneer de deelnemers het werk weten te verdelen en in daadkrachtige kleinere coalities verschillende aspecten van de opgave te onderzoeken. Dat gaat veel verder dan het type bijeenkomsten waar je aan refereert. Het is dus zaak het netwerk zo te organiseren dat het bijdraagt aan datgene waarvoor het netwerk is opgericht.

De casussen in uw boeken lijken te suggereren dat het belang van netwerken met name in maatschappelijke ondernemingen gevoeld wordt.

We merken dat netwerken heel nuttig zijn in het oppakken van ingewikkelde vraagstukken waar meer invalshoeken voor nodig zijn om ze aan te pakken. In het boek zie je inderdaad veel maatschappelijke ondernemingen terug komen. Dat komt enerzijds omdat wij daar als auteurs veel in werken. Anderzijds is het wellicht ook zo dat maatschappelijke vraagstukken zich bij uitstek lenen voor deze manier van organiseren: iets als een veilige leefomgeving, of schuldenproblematiek kan niet door één organisatie worden aangepakt.

Tegelijkertijd is het zeker zo dat andere organisaties er veel belang bij kunnen hebben, denk aan innovatievraagstukken. Immers: ze bieden de mogelijkheid om veel en diverse deelnemers te accommoderen. Dat maakt het mogelijk om een enorme rijkheid aan invalshoeken, disciplines en vaardigheden bij elkaar te brengen. Daarmee is het een ideaal platform voor het leren, voor het ontwikkelen van creativiteit en innovatie en voor het agenderen en adresseren van lastige opgaven. Daarbij heeft het netwerk de krachtige eigenschap dat ze de deelnemers de mogelijkheid biedt om op meerdere paarden te wedden. Zo vergoten ze de kans op nuttige inzichten, op een betere analyse of op een snellere doorbraak naar een werkbare oplossing. Dat maakt de kans op een hoger gezamenlijk rendement groter.

Als netwerken op zich al een uitdaging is, dan is netwerkleiderschap dat zeker. Is het daardoor nog zo’n onderbelicht thema in de literatuur?

Waarschijnlijk wel, al neemt de aandacht voor het onderwerp snel toe. Het is belangrijk om te beseffen dat we nog erg ons best moeten doen om netwerken goed te begrijpen, en dan is vervolgens ook het inzicht in wat er nodig is om netwerken te ontwikkelen, in stand te houden en te inspireren nog een stevige zoektocht. Wat daarbij een  rol speelt is dat we ook in vormen van leiderschap terecht komen die soms haaks staan op traditionele leiderschapsconcepten. Denk bijvoorbeeld aan het verschijnsel dat netwerkleiderschap een activiteit is die door meerdere deelnemers aan het netwerk wordt ingevuld (gedeeld leiderschap).

In ons boek geven we wat houvast voor dat netwerkleiderschap op basis van een inventarisatie van activiteiten die sleutelpersonen in netwerken doen. Dat gaf ons inzicht in de rollen die netwerkleiders vervullen in netwerken, de dilemma’s waar ze zoal tegen aan lopen en de vaardigheden die zij daarbij aanwenden.

Tekst: Bert Peene. Dit interview is eerder verschenen op Managementboek.nl

Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags , | 1 Reactie