Gastblogger 28 september 2026 0 reacties Print Minimumtarief voor zzp’ers: een werknemersoplossing voor een ondernemersprobleemEen minimumtarief voor zzp’ers lijkt bescherming te bieden tegen lage tarieven, maar lost volgens Loe van Erp het onderliggende probleem niet op. In de kunst- en cultuursector gaat het volgens hem vooral om overaanbod, beperkte vraag en een ongelijke onderhandelingspositie.Ik wil graag reageren op diverse artikelen van Wilmar Dik over een tariefminimum voor zzp’ers, in het bijzonder ‘Een sectorspecifieke tariefondergrens voor zzp’ers in de praktijk’. De situatie die Wilmar Dik beschrijft is reëel. In kunst, cultuur en media staan tegenover een beperkt aantal, grotendeels gesubsidieerde opdrachtgevers heel veel zelfstandigen. Die verhouding laat de opdrachtgever de voorwaarden bepalen. Er is altijd wel iemand die het ervoor wil doen. Dat is een probleem van het systeem in de sector. Een geconcentreerde vraagkant tegenover een versnipperd aanbod, met een overschot dat de prijs blijft drukken. Die diagnose betwist ik niet. Er zijn ongetwijfeld ook nog andere sectoren waar dit probleem ook speelt. Voor sectoren waar het probleem niet speelt, biedt het voorstel geen enkele toegevoegde waarde. Dik kiest bovendien een middel dat het probleem niet oplost. Een wettelijke tariefondergrens verandert niets aan het overaanbod. Sterker nog: het houdt het in stand en het neemt de prikkel weg om er iets anders tegenover te zetten. En het middel zelf is van a tot z geleend uit het arbeidsrecht. Dat is de kern van mijn bezwaar: hier wordt een werknemersoplossing gebruikt voor een ondernemersprobleem. Een prijsbodem creëert geen vraag Begin bij de eenvoudigste vraag: wat gebeurt er als je in een markt met te veel aanbieders de prijs van onderaf vastzet? Er komt geen opdracht bij. De opdrachtgever heeft een budget en dat budget verandert niet doordat het uurtarief omhoog moet. In gesubsidieerde cultuur is dat budget bovendien van buitenaf vastgesteld: het staat in de beschikking. Verhoging van het uurtarief zonder het budget te verhogen, leidt simpelweg tot de inkoop van minder uren. Het gevolg is herverdeling, geen verbetering. Dezelfde pot geld gaat naar minder mensen. Wie de opdracht krijgt, is beter af. De groep die hem niet krijgt, heeft pech. En die groep wordt groter. Dat wie de opdracht krijgt een beter tarief krijgt, is geen goede reden om een minimumtarief in te voeren. Dat geldt bij elke vorm van rantsoenering. Je kunt elke maatregel goed praten zolang je alleen naar de winnaars kijkt. En zelfs voor die winnaar valt de winst kleiner uit dan hij lijkt. Bij een vast budget koopt de opdrachtgever minder uren in. Een hoger tarief over minder uren levert per saldo geen hoger inkomen op. Bovendien is niemand steeds de winnaar. Wie wint, wordt in een markt zonder prijsconcurrentie ook niet op kwaliteit geselecteerd maar op netwerk, bekendheid en eerdere opdrachten. Degene die al het best gepositioneerd is, heeft voordeel bij een minimumtarief. De rest heeft het nakijken. Een minimumtarief is daarnaast ook niet eerlijk. Zodra in een sector een minimum geldt, wordt dat de richtprijs en wordt het minimumtarief feitelijk het maximumtarief. Voor de specialist, die nu hogere tarieven kan bedingen, is dat allesbehalve eerlijk. Dat het budget een cruciale factor is, blijkt uit de route die OCW zelf koos. Voor de subsidieperiode 2025-2028 is structureel 38,4 miljoen euro aan extra middelen voor fair pay toegekend aan de bis-regeling, de musea in de Erfgoedwet en de Rijkscultuurfondsen. Extra financiële ruimte zodat het tarief omhoog kan zonder dat het aantal uren omlaag gaat. Een wettelijke ondergrens doet precies het omgekeerde: het verhoogt de prijs en laat het budget ongemoeid. Hier hoort een nuance bij. Uit arbeidsmarktonderzoek naar het minimumloon blijkt dat de werkgelegenheidseffecten vaak klein zijn en waar één werkgever de markt domineert, kan een minimum én loon én werkgelegenheid zelfs verhogen. Maar die uitkomst is afhankelijk van twee factoren die hier niet spelen. De eerste is dat de drempel dicht bij het echte marktevenwicht wordt gezet, maar waar dat punt in deze markt ligt, is niet zo duidelijk. De tweede is dat een werkgever het werk hoe dan ook nodig heeft. Een opdrachtgever kan iets wat een werkgever niet kan: minder inkopen, later inkopen of niet inkopen. Dik ziet dit zelf ook. Hij schrijft dat een tariefondergrens overaanbod niet oplost, maar wel voorkomt dat tarieven verder zakken. Dik benoemt daarmee de oorzaak, maar behandelt vervolgens het symptoom. Overaanbod in stand houden Een lage prijs is vervelend, maar het is ook een heel duidelijk signaal. Het vertelt dat er te veel mensen achter te weinig opdrachten aanlopen. Een wettelijke bodem onderdrukt dat signaal zonder de oorzaak weg te nemen. Het aanbod blijft te hoog, maar het is niet meer zichtbaar in de prijs. Een minimumtarief maakt een sector aan de buitenkant aantrekkelijker om in te stappen dan hij in werkelijkheid is. Er gaat bovendien een verkeerde prikkel van uit. Niet omdat de noodzaak om je te onderscheiden verdwijnt, want wie zich niet onderscheidt komt ook met een minimumtarief niet aan de bak. Het punt is waarop dat onderscheid wordt gemaakt. Valt prijs weg als manier om binnen te komen, dan blijft vooral zichtbaarheid over: bekendheid, netwerk en eerdere opdrachten. Daar heeft een nieuwkomer niets aan. Voor die groep gaat de markt op slot. Daarnaast dreigt de dynamiek uit de markt te verdwijnen. Het minimumtarief gaat omhoog terwijl het aantal opdrachten daalt waardoor blijven waar je zit aantrekkelijker lijkt dan het is. Specialiseren, samenwerken, een eigen product ontwikkelen, andere markten opzoeken of het verdienmodel omgooien zijn strategieën die minder dringend lijken zolang het wettelijke tarief suggereert dat het nog wel kan. Dat is opmerkelijk voor een voorstel dat over zelfstandigen gaat. De enige oplossing voor een slechte markt is dat de overheid de prijs vastlegt. Ondernemerschap komt er totaal niet in voor. Lees ook: Een zzp-status zonder tariefgrens: wie wordt daar eigenlijk mee beschermd? Werknemersoplossing Kijk waar de onderdelen vandaan komen. Een bodem per gewerkt uur. Indexering met het wettelijk minimumloon. Toezicht door de Arbeidsinspectie. Een onderbouwing per opdracht die feitelijk neerkomt op urenregistratie. Stuk voor stuk instrumenten uit het arbeidsrecht. Eén element laat Dik volledig buiten beschouwing, maar dat is nu juist het element dat werknemersoplossingen laat werken: namelijk de werkgever. Het minimumloon beschermt niet omdat er een bedrag in de wet staat, maar omdat dat bedrag vastzit aan een verplichting om te blijven betalen. Er is loondoorbetaling bij ziekte, er is ontslagbescherming, er is een zorgplicht. De prijs is gereguleerd én het volume is gebonden. Een tariefondergrens regelt alleen de prijs. Er staat geen afnameplicht tegenover, geen doorbetaling, geen opzegtermijn. De opdrachtgever kan gewoon minder uren kopen. Daarmee is het geen beschermingsnorm maar een inkoopvoorwaarde. Wie inkoopt, betaalt minimaal dit bedrag. Wie niet inkoopt, betaalt niets. Voor de zelfstandige is dat de ongunstigste combinatie die er is. Hij houdt alle risico’s van het ondernemerschap; geen opdracht is geen inkomen, ziekte is zijn probleem, leegloop is zijn probleem. En hij levert het enige instrument in dat hij heeft: de vrijheid om zelf te bepalen wat hij voor welk werk vraagt. De meetlat komt ook uit het arbeidsrecht Dat werknemersdenken zit niet alleen in de vorm, maar ook in de variabele die Dik kiest. In zijn schijvenmodel bepaalt het gemiddelde aantal declarabele uren in een beroep hoe hoog de bodem is. Vraag je af wat dat meet. Niet hoe moeilijk het werk is. Niet hoeveel opleiding het vergt, hoe schaars de professional is, wat hij heeft geïnvesteerd, welk risico hij loopt of waar hij aansprakelijk voor is. Declarabiliteit meet maar één ding: hoeveel van je tijd je aan een opdrachtgever kunt verkopen. Dat is beschikbaarheid. Bij een werknemer is beschikbaarheid inderdaad de maatstaf. Je verkoopt uren en de werkgever draagt het risico. Bij een zelfstandige zit de waarde juist in wat géén uren zijn: expertise, specialisatie, reputatie, eigen apparatuur, verzekering, aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid voor het resultaat. Dik corrigeert wel voor hogere bedrijfskosten, dat moet ik hem nageven. Maar kosten zijn niet hetzelfde als expertise of schaarste. Een fotograaf met veertigduizend euro aan apparatuur krijgt een correctie, een specialist die vijftien jaar expertise heeft opgebouwd en daardoor gevraagd is, krijgt niets. Het is zelfs omgekeerd. Iemand met meer ervaring doet in vier uur wat een ander in acht doet. Zijn waarde stijgt, maar zijn declarabiliteit in het voorstel van Dik niet. Een bodem per uur maakt daarin geen onderscheid. En dat botst frontaal met de rest van het stelsel. Een zelfstandig ondernemer werkt voor eigen rekening en risico, met eigen expertise en eigen investeringen. Diks ondergrens stelt daarom de verkeerde vraag, namelijk hoeveel uur kun je factureren? Waar het stelsel hem als ondernemer beoordeelt, behandelt het tariefinstrument hem als een hoeveelheid beschikbare tijd. Het is al eens geprobeerd Nederland heeft dit pad al eens bewandeld. De Wet minimumbeloning zelfstandigen met daarin een minimumtarief van 16 euro is op 15 juni 2020 ingetrokken. Niet omdat het idee onsympathiek was, maar omdat het onwerkbaar bleek. Onduidelijkheid over directe en indirecte uren en kosten, een urenregistratieplicht voor opdrachtnemer én opdrachtgever, een controleplicht per facturatieperiode inclusief bewijs van girale betaling. De Commissie Borstlap, de Stichting van de Arbeid en het Adviescollege toetsing regeldruk waren tegen. Het wetsvoorstel ging over één minimumtarief voor alle zelfstandigen. Dik voegt daar zes schijven plus een indeling van beroepen aan toe, een kostencorrectie en een omrekenregel voor projectprijzen waarin ‘het aantal uren dat redelijkerwijs nodig is’ moet worden vastgesteld. Dit laatste vraagt om een normatief oordeel over andermans werkproces, de complexiteit daarvan lijkt Dik te ontgaan. Zijn geruststelling dat partijen de berekening alleen ‘bij controle’ hoeven te onderbouwen, is exact de verplichting van 2019 in een vriendelijker jasje. Wat de sanctie is bij overtreding, staat er dan weer niet bij. Lees ook: Het zijn niet de uren die bepalen wat een zzp’er verdient Europa kijkt mee Het Europese recht komt daar nog bovenop en dat noemt Dik niet. Een wettelijke tariefondergrens voor dienstverleners valt onder artikel 15 lid 2 sub g van de Dienstenrichtlijn en moet de toets van lid 3 doorstaan: niet-discriminerend, noodzakelijk en evenredig. In C-377/17 (Commissie/Duitsland, 4 juli 2019) sneuvelden de Duitse minimumtarieven voor architecten en ingenieurs op die toets. Geen categorisch verbod maar elke ondergrens moet per sector met bewijs worden gedragen en die last wordt zwaarder naarmate het tarief hoger wordt. Niet toevallig kwam de wetgever in 2019 uit op 16 euro. Dat bedrag was expliciet afgeleid van het sociaal minimum plus 15 procent opslag. Dat was juridische strategie, geen zuinigheid. Ook de ACM trekt in haar Leidraad tariefafspraken zzp’ers uit 2023 de grens bij afspraken die niet verder reiken dan nodig om in het bestaansminimum te voorzien. Dik gaat uit van het netto minimumloon plús reserveringen en komt op 45 euro en hoger. Dat is ruim boven het bestaansminimum, maar geeft niet aan waarom dat in dit geval wel zou kunnen. Ook een onafhankelijke rekencommissie kan niet zomaar. Een lidstaat mag zijn prijsbevoegdheid niet aan marktpartijen delegeren. In de zaak API (HvJ EU 4 september 2014) sneuvelde de Italiaanse regeling van minimumbedrijfskosten in het wegvervoer mede omdat het vaststellende orgaan grotendeels uit branchevertegenwoordigers bestond. Wat kan wel Als de markt in kunst en cultuur niet werkt, hoe verander je die markt dan in plaats van hem te bevriezen? Dik pleit voor een sectorspecifiek tariefinstrument, terwijl zijn eigen sector er sinds 1 januari 2026 een heeft. De Wet versterking auteurscontractenrecht (36.536) verankert collectieve onderhandelingen tussen verenigingen van makers en exploitanten, en vermoedt een collectief onderhandelde vergoeding billijk. De bewijslast van het tegendeel verschuift daarmee naar de exploitant. Artikel 25c Auteurswet kende al de mogelijkheid dat de minister voor een hele branche een billijke vergoeding vaststelt. Van die mogelijkheid is nooit gebruik gemaakt omdat er nooit een gezamenlijk verzoek kwam. Dat is een organisatieprobleem, geen wetgevingsprobleem. En het instrument rekent in exploitatiewaarde in plaats van in uren. Je verdient aan gebruik, oplage, termijn en exclusiviteit, niet aan beschikbaarheid. Een bodemtarief doet precies het tegenovergestelde en maakt de maker inwisselbaar. Dat organisatieprobleem wordt voor een deel trouwens al aangepakt. Platform ACCT werkt aan een plan voor implementatie en borging van de ketentafels van fairPACCT, waarin principes als ‘evenwicht aan tafel’, ‘vertegenwoordiging met mandaat’ en ‘aanspreekbaarheid op de uitvoering’ worden uitgewerkt, samen met onderbouwing, toetsing en toepasbaarheid van de afspraken. Daar zit de winst. Mandaat en representativiteit organiseren zodat de sector zijn eigen afspraken kan maken en dragen in plaats van de prijsbevoegdheid bij de wetgever te leggen. Het auteurscontractenrecht dekt iedere maker; freelance journalisten, tekstschrijvers, vertalers, ontwerpers, fotografen en componisten. Media, uitgeverij, reclame en design hebben dus precies hetzelfde instrument in handen. Voor sectoren waar niets te exploiteren valt en waar sprake is van een slechte onderhandelingspositie voor zzp’ers loopt de route via het mededingingsrecht. De ACM-leidraad tariefafspraken zzp’ers (2023) en de Europese richtsnoeren 2022/C 374/02 halen collectieve afspraken buiten het kartelverbod voor schijnzelfstandigen, zij-aan-zij-werkenden, economisch afhankelijke zzp’ers en platformwerkers, en de Commissie handhaaft niet tegen onderhandelen met opdrachtgevers boven 2 miljoen euro omzet of tien werkzame personen. Daarmee valt vrijwel elk ziekenhuis, bouwbedrijf, uitzender en gemeente binnen bereik. Tariefafspraken tot het bestaansminimum mogen sowieso. En er is een route die de sector al heeft: de subsidievoorwaarde. Bij de bis 2025-2028 kreeg het extra fair-pay geld een voorwaarde mee: aansluiten bij een collectieve tariefafspraak, een cao of een honoreringsrichtlijn, of die afspraak volgen en de Fair Practice Code onderschrijven. Met gemeenten en provincies zijn voor dezelfde periode cultuurconvenanten gesloten met fair pay als belangrijk uitgangspunt. Dat raakt hetzelfde doel als een tariefondergrens, maar via de knop waar de overheid als financier zelf aan zit. Het grijpt in op het niveau waar het geld vandaan komt, het is per deelsector te normeren en het legt geen prijsregulering op aan een hele markt. Wie meer wil, verzwaart die voorwaarde, niet de wet. Tot slot Een wettelijke prijsautoriteit voor de hele zelfstandigenmarkt is een grote stap, en het is de verkeerde. Zij behandelt zelfstandigen als werknemers zonder werkgever. Alle risico’s van het ondernemerschap, geen van de zekerheden van het dienstverband en straks ook geen ruimte meer om zelf je prijs te bepalen. Wie vindt dat de markt in kunst en cultuur niet werkt, heeft gelijk. De vraag is dan hoe je die markt verandert. Niet hoe je die markt bevriest en volledig op slot zet. Over de auteur Loe van Erp is directeur van SoloPartners, brancheorganisatie voor zzp’ers in de zorg, en bestuurslid van VZN (Vereniging Zelfstandigen Nederland). minimumtarief zzp Print Over de auteur Over Gastblogger ZiPconomy geeft ruimte aan auteurs die eenmalig een artikel willen plaatsen op ZiPconomy. Naam en functie van deze gastbloggers worden onder het artikel vermeld. Bekijk alle berichten van Gastblogger