"Exploring the future of work & the freelance economy"
SLUIT MENU

Minimumtarief voor zzp’ers: een werknemersoplossing voor een ondernemersprobleem

Een minimumtarief voor zzp’ers lijkt bescherming te bieden tegen lage tarieven, maar lost volgens Loe van Erp het onderliggende probleem niet op. In de kunst- en cultuursector gaat het volgens hem vooral om overaanbod, beperkte vraag en een ongelijke onderhandelingspositie.

Ik wil graag reageren op diverse artikelen van Wilmar Dik over een tariefminimum voor zzp’ers, in het bijzonder ‘Een sectorspecifieke tariefondergrens voor zzp’ers in de praktijk’. De situatie die Wilmar Dik beschrijft is reëel. In kunst, cultuur en media staan tegenover een beperkt aantal, grotendeels gesubsidieerde opdrachtgevers heel veel zelfstandigen. Die verhouding laat de opdrachtgever de voorwaarden bepalen. Er is altijd wel iemand die het ervoor wil doen.

Dat is een probleem van het systeem in de sector. Een geconcentreerde vraagkant tegenover een versnipperd aanbod, met een overschot dat de prijs blijft drukken. Die diagnose betwist ik niet. Er zijn ongetwijfeld ook nog andere sectoren waar dit probleem ook speelt. Voor sectoren waar het probleem niet speelt, biedt het voorstel geen enkele toegevoegde waarde.

Dik kiest bovendien een middel dat het probleem niet oplost. Een wettelijke tariefondergrens verandert niets aan het overaanbod. Sterker nog: het houdt het in stand en het neemt de prikkel weg om er iets anders tegenover te zetten. En het middel zelf is van a tot z geleend uit het arbeidsrecht. Dat is de kern van mijn bezwaar: hier wordt een werknemersoplossing gebruikt voor een ondernemersprobleem.

Een prijsbodem creëert geen vraag

Begin bij de eenvoudigste vraag: wat gebeurt er als je in een markt met te veel aanbieders de prijs van onderaf vastzet? Er komt geen opdracht bij. De opdrachtgever heeft een budget en dat budget verandert niet doordat het uurtarief omhoog moet. In gesubsidieerde cultuur is dat budget bovendien van buitenaf vastgesteld: het staat in de beschikking. Verhoging van het uurtarief zonder het budget te verhogen, leidt simpelweg tot de inkoop van minder uren. Het gevolg is herverdeling, geen verbetering. Dezelfde pot geld gaat naar minder mensen. Wie de opdracht krijgt, is beter af. De groep die hem niet krijgt, heeft pech. En die groep wordt groter.

Dat wie de opdracht krijgt een beter tarief krijgt, is geen goede reden om een minimumtarief in te voeren. Dat geldt bij elke vorm van rantsoenering. Je kunt elke maatregel goed praten zolang je alleen naar de winnaars kijkt. En zelfs voor die winnaar valt de winst kleiner uit dan hij lijkt. Bij een vast budget koopt de opdrachtgever minder uren in. Een hoger tarief over minder uren levert per saldo geen hoger inkomen op. Bovendien is niemand steeds de winnaar. 

Wie wint, wordt in een markt zonder prijsconcurrentie ook niet op kwaliteit geselecteerd maar op netwerk, bekendheid en eerdere opdrachten. Degene die al het best gepositioneerd is, heeft voordeel bij een minimumtarief. De rest heeft het nakijken.

Een minimumtarief is daarnaast ook niet eerlijk. Zodra in een sector een minimum geldt, wordt dat de richtprijs en wordt het minimumtarief feitelijk het maximumtarief.  Voor de specialist, die nu hogere tarieven kan bedingen, is dat allesbehalve eerlijk. 

Dat het budget een cruciale factor is, blijkt uit de route die OCW zelf koos. Voor de subsidieperiode 2025-2028 is structureel 38,4 miljoen euro aan extra middelen voor fair pay toegekend aan de bis-regeling, de musea in de Erfgoedwet en de Rijkscultuurfondsen. Extra financiële ruimte zodat het tarief omhoog kan zonder dat het aantal uren omlaag gaat. Een wettelijke ondergrens doet precies het omgekeerde: het verhoogt de prijs en laat het budget ongemoeid.

Hier hoort een nuance bij. Uit arbeidsmarktonderzoek naar het minimumloon blijkt dat de werkgelegenheidseffecten vaak klein zijn en waar één werkgever de markt domineert, kan een minimum én loon én werkgelegenheid zelfs verhogen. Maar die uitkomst is afhankelijk van twee factoren die hier niet spelen. De eerste is dat de drempel dicht bij het echte marktevenwicht wordt gezet, maar waar dat punt in deze markt ligt, is niet zo duidelijk. De tweede is dat een werkgever het werk hoe dan ook nodig heeft. Een opdrachtgever kan iets wat een werkgever niet kan: minder inkopen, later inkopen of niet inkopen.

Dik ziet dit zelf ook. Hij schrijft dat een tariefondergrens overaanbod niet oplost, maar wel voorkomt dat tarieven verder zakken. Dik benoemt daarmee de oorzaak, maar behandelt vervolgens het symptoom.

Overaanbod in stand houden

Een lage prijs is vervelend, maar het is ook een heel duidelijk signaal. Het vertelt dat er te veel mensen achter te weinig opdrachten aanlopen. Een wettelijke bodem onderdrukt dat signaal zonder de oorzaak weg te nemen. Het aanbod blijft te hoog, maar het is niet meer zichtbaar in de prijs. Een minimumtarief maakt een sector aan de buitenkant aantrekkelijker om in te stappen dan hij in werkelijkheid is.

Er gaat bovendien een verkeerde prikkel van uit. Niet omdat de noodzaak om je te onderscheiden verdwijnt, want wie zich niet onderscheidt komt ook met een minimumtarief niet aan de bak. Het punt is waarop dat onderscheid wordt gemaakt. Valt prijs weg als manier om binnen te komen, dan blijft vooral zichtbaarheid over: bekendheid, netwerk en eerdere opdrachten. Daar heeft een nieuwkomer niets aan. Voor die groep gaat de markt op slot.

Daarnaast dreigt de dynamiek uit de markt te verdwijnen. Het minimumtarief gaat omhoog terwijl het aantal opdrachten daalt waardoor blijven waar je zit aantrekkelijker lijkt dan het is. Specialiseren, samenwerken, een eigen product ontwikkelen, andere markten opzoeken of het verdienmodel omgooien zijn strategieën die minder dringend lijken zolang het wettelijke tarief suggereert dat het nog wel kan.

Dat is opmerkelijk voor een voorstel dat over zelfstandigen gaat. De enige oplossing voor een slechte markt is dat de overheid de prijs vastlegt. Ondernemerschap komt er totaal niet in voor.

Werknemersoplossing

Kijk waar de onderdelen vandaan komen. Een bodem per gewerkt uur. Indexering met het wettelijk minimumloon. Toezicht door de Arbeidsinspectie. Een onderbouwing per opdracht die feitelijk neerkomt op urenregistratie. Stuk voor stuk instrumenten uit het arbeidsrecht.

Eén element laat Dik volledig buiten beschouwing, maar dat is nu juist het element dat werknemersoplossingen laat werken: namelijk de werkgever.  Het minimumloon beschermt niet omdat er een bedrag in de wet staat, maar omdat dat bedrag vastzit aan een verplichting om te blijven betalen. Er is loondoorbetaling bij ziekte, er is ontslagbescherming, er is een zorgplicht. De prijs is gereguleerd én het volume is gebonden. 

Een tariefondergrens regelt alleen de prijs. Er staat geen afnameplicht tegenover, geen doorbetaling, geen opzegtermijn. De opdrachtgever kan gewoon minder uren kopen. Daarmee is het geen beschermingsnorm maar een inkoopvoorwaarde. Wie inkoopt, betaalt minimaal dit bedrag. Wie niet inkoopt, betaalt niets.

Voor de zelfstandige is dat de ongunstigste combinatie die er is. Hij houdt alle risico’s van het ondernemerschap; geen opdracht is geen inkomen, ziekte is zijn probleem, leegloop is zijn probleem. En hij levert het enige instrument in dat hij heeft: de vrijheid om zelf te bepalen wat hij voor welk werk vraagt.

De meetlat komt ook uit het arbeidsrecht

Dat werknemersdenken zit niet alleen in de vorm, maar ook in de variabele die Dik kiest. In zijn schijvenmodel bepaalt het gemiddelde aantal declarabele uren in een beroep hoe hoog de bodem is.

Vraag je af wat dat meet. Niet hoe moeilijk het werk is. Niet hoeveel opleiding het vergt, hoe schaars de professional is, wat hij heeft geïnvesteerd, welk risico hij loopt of waar hij aansprakelijk voor is. Declarabiliteit meet maar één ding: hoeveel van je tijd je aan een opdrachtgever kunt verkopen.

Dat is beschikbaarheid. Bij een werknemer is beschikbaarheid inderdaad de maatstaf. Je verkoopt uren en de werkgever draagt het risico. Bij een zelfstandige zit de waarde juist in wat géén uren zijn: expertise, specialisatie, reputatie, eigen apparatuur, verzekering, aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid voor het resultaat.

Dik corrigeert wel voor hogere bedrijfskosten, dat moet ik hem nageven. Maar kosten zijn niet hetzelfde als expertise of schaarste. Een fotograaf met veertigduizend euro aan apparatuur krijgt een correctie, een specialist die vijftien jaar expertise heeft opgebouwd en daardoor gevraagd is, krijgt niets. Het is zelfs omgekeerd. Iemand met meer ervaring doet in vier uur wat een ander in acht doet. Zijn waarde stijgt, maar zijn declarabiliteit in het voorstel van Dik niet. Een bodem per uur maakt daarin geen onderscheid.

En dat botst frontaal met de rest van het stelsel. Een zelfstandig ondernemer werkt voor eigen rekening en risico, met eigen expertise en eigen investeringen. Diks ondergrens stelt daarom de verkeerde vraag, namelijk hoeveel uur kun je factureren? Waar het stelsel hem als ondernemer beoordeelt, behandelt het tariefinstrument hem als een hoeveelheid beschikbare tijd.

Het is al eens geprobeerd

Nederland heeft dit pad al eens bewandeld. De Wet minimumbeloning zelfstandigen met daarin een minimumtarief van 16 euro is op 15 juni 2020 ingetrokken. Niet omdat het idee onsympathiek was, maar omdat het onwerkbaar bleek. Onduidelijkheid over directe en indirecte uren en kosten, een urenregistratieplicht voor opdrachtnemer én opdrachtgever, een controleplicht per facturatieperiode inclusief bewijs van girale betaling. De Commissie Borstlap, de Stichting van de Arbeid en het Adviescollege toetsing regeldruk waren tegen.

Het wetsvoorstel ging over één minimumtarief voor alle zelfstandigen. Dik voegt daar zes schijven plus een indeling van beroepen aan toe, een kostencorrectie en een omrekenregel voor projectprijzen waarin ‘het aantal uren dat redelijkerwijs nodig is’ moet worden vastgesteld. Dit laatste vraagt om een normatief oordeel over andermans werkproces, de complexiteit daarvan lijkt Dik te ontgaan. Zijn geruststelling dat partijen de berekening alleen ‘bij controle’ hoeven te onderbouwen, is exact de verplichting van 2019 in een vriendelijker jasje. Wat de sanctie is bij overtreding, staat er dan weer niet bij.

Europa kijkt mee

Het Europese recht komt daar nog bovenop en dat noemt Dik niet. Een wettelijke tariefondergrens voor dienstverleners valt onder artikel 15 lid 2 sub g van de Dienstenrichtlijn en moet de toets van lid 3 doorstaan: niet-discriminerend, noodzakelijk en evenredig. In C-377/17 (Commissie/Duitsland, 4 juli 2019) sneuvelden de Duitse minimumtarieven voor architecten en ingenieurs op die toets. Geen categorisch verbod maar elke ondergrens moet per sector met bewijs worden gedragen en die last wordt zwaarder naarmate het tarief hoger wordt.

Niet toevallig kwam de wetgever in 2019 uit op 16 euro. Dat bedrag was expliciet afgeleid van het sociaal minimum plus 15 procent opslag. Dat was juridische strategie, geen zuinigheid. Ook de ACM trekt in haar Leidraad tariefafspraken zzp’ers uit 2023 de grens bij afspraken die niet verder reiken dan nodig om in het bestaansminimum te voorzien. Dik gaat uit van het netto minimumloon plús reserveringen en komt op 45 euro en hoger. Dat is ruim boven het bestaansminimum, maar geeft niet aan waarom dat in dit geval wel zou kunnen.

Ook een onafhankelijke rekencommissie kan niet zomaar. Een lidstaat mag zijn prijsbevoegdheid niet aan marktpartijen delegeren. In de zaak API (HvJ EU 4 september 2014) sneuvelde de Italiaanse regeling van minimumbedrijfskosten in het wegvervoer mede omdat het vaststellende orgaan grotendeels uit branchevertegenwoordigers bestond.

Wat kan wel

Als de markt in kunst en cultuur niet werkt, hoe verander je die markt dan in plaats van hem te bevriezen?

Dik pleit voor een sectorspecifiek tariefinstrument, terwijl zijn eigen sector er sinds 1 januari 2026 een heeft. De Wet versterking auteurscontractenrecht (36.536) verankert collectieve onderhandelingen tussen verenigingen van makers en exploitanten, en vermoedt een collectief onderhandelde vergoeding billijk. De bewijslast van het tegendeel verschuift daarmee naar de exploitant. Artikel 25c Auteurswet kende al de mogelijkheid dat de minister voor een hele branche een billijke vergoeding vaststelt. Van die mogelijkheid is nooit gebruik gemaakt omdat er nooit een gezamenlijk verzoek kwam. Dat is een organisatieprobleem, geen wetgevingsprobleem. En het instrument rekent in exploitatiewaarde in plaats van in uren. Je verdient aan gebruik, oplage, termijn en exclusiviteit, niet aan beschikbaarheid. Een bodemtarief doet precies het tegenovergestelde en maakt de maker inwisselbaar.

Dat organisatieprobleem wordt voor een deel trouwens al aangepakt. Platform ACCT werkt aan een plan voor implementatie en borging van de ketentafels van fairPACCT, waarin principes als ‘evenwicht aan tafel’, ‘vertegenwoordiging met mandaat’ en ‘aanspreekbaarheid op de uitvoering’ worden uitgewerkt, samen met onderbouwing, toetsing en toepasbaarheid van de afspraken. Daar zit de winst. Mandaat en representativiteit organiseren zodat de sector zijn eigen afspraken kan maken en dragen in plaats van de prijsbevoegdheid bij de wetgever te leggen.

Het auteurscontractenrecht dekt iedere maker; freelance journalisten, tekstschrijvers, vertalers, ontwerpers, fotografen en componisten. Media, uitgeverij, reclame en design hebben dus precies hetzelfde instrument in handen.

Voor sectoren waar niets te exploiteren valt en waar sprake is van een slechte onderhandelingspositie voor zzp’ers loopt de route via het mededingingsrecht. De ACM-leidraad tariefafspraken zzp’ers (2023) en de Europese richtsnoeren 2022/C 374/02 halen collectieve afspraken buiten het kartelverbod voor schijnzelfstandigen, zij-aan-zij-werkenden, economisch afhankelijke zzp’ers en platformwerkers, en de Commissie handhaaft niet tegen onderhandelen met opdrachtgevers boven 2 miljoen euro omzet of tien werkzame personen. Daarmee valt vrijwel elk ziekenhuis, bouwbedrijf, uitzender en gemeente binnen bereik. Tariefafspraken tot het bestaansminimum mogen sowieso.

En er is een route die de sector al heeft: de subsidievoorwaarde. Bij de bis 2025-2028 kreeg het extra fair-pay geld een voorwaarde mee: aansluiten bij een collectieve tariefafspraak, een cao of een honoreringsrichtlijn, of die afspraak volgen en de Fair Practice Code onderschrijven. Met gemeenten en provincies zijn voor dezelfde periode cultuurconvenanten gesloten met fair pay als belangrijk uitgangspunt. Dat raakt hetzelfde doel als een tariefondergrens, maar via de knop waar de overheid als financier zelf aan zit. Het grijpt in op het niveau waar het geld vandaan komt, het is per deelsector te normeren en het legt geen prijsregulering op aan een hele markt. Wie meer wil, verzwaart die voorwaarde, niet de wet.

Tot slot

Een wettelijke prijsautoriteit voor de hele zelfstandigenmarkt is een grote stap, en het is de verkeerde. Zij behandelt zelfstandigen als werknemers zonder werkgever. Alle risico’s van het ondernemerschap, geen van de zekerheden van het dienstverband en straks ook geen ruimte meer om zelf je prijs te bepalen.

Wie vindt dat de markt in kunst en cultuur niet werkt, heeft gelijk. De vraag is dan hoe je die markt verandert. Niet hoe je die markt bevriest en volledig op slot zet.


Over de auteur

Loe van Erp is directeur van SoloPartners, brancheorganisatie voor zzp’ers in de zorg, en bestuurslid van VZN (Vereniging Zelfstandigen Nederland).

ZiPconomy geeft ruimte aan auteurs die eenmalig een artikel willen plaatsen op ZiPconomy. Naam en functie van deze gastbloggers worden onder het artikel vermeld. Bekijk alle berichten van Gastblogger

5 reacties op dit bericht

  1. Loe van Erp vertelt hier het zelfde als ik in mijn stuk. Met net even andere woorden en hier en daar met juridische argumenten. Bovendien gaat het niet om uurtarieven, het gaat om wat je maakt. Ik kan schilderen en ik kan kunst in het groot maken, maar ik kan geen viool spelen. Niemand zal mij welk uurtarief dan ook willen betalen als ik de viool pak. Ook geen minimumtarief.
    Maar wat moeten we straks met al die mensen en organisaties, al die vergadertijgers die zich met dit soort dingen dagelijks bezig houden? Al die mensen die nu belang hebben bij het in stand houden van een probleem en werkloos worden als het zou worden opgelost?

  2. Heel uitgebreid stuk, maar zeer volledig en juridisch goed onderbouwd.
    Volgens mij is iedereen het er over eens dan échte zzp’ers ondernemend moeten zijn en niet als werknemer gezien en behandeld moeten worden. En een minimum tarief is inderdaad iets wat voor werknemers een groot goed is, maar voor ondernemers een gruwel. En er is een oplossing voor iedereen die wél graag de veiligheid van een minimum inkomen wil. Gewoon lekker in loondienst gaan!

    • Helemaal mee eens. Niet de wetgever bepaald voor welk tarief een zzp-er werkt. Dat wordt voornamelijk bepaald door de kosten en het gewenste inkomen van iedere zzp-er op zich. Daarmee het kabinet zich niet mee bemoeien.

  3. Bedankt Loe voor je uitgebreide reactie op mijn voorstel.
    Mooi dat we het in ieder geval eens zijn over een belangrijk deel: in sommige sectoren staan veel zelfstandigen tegenover een beperkt aantal opdrachtgevers, is de onderhandelingsmacht ongelijk verdeeld en kunnen tarieven daardoor structureel onder druk staan.

    Over de oplossing verschillen we duidelijk van mening. En dat is prima.

    Voor wie weinig tijd heeft, begin ik met een korte reactie. Daarna volgt de uitgebreide versie.

    Korte reactie

    Mijn voorstel is niet bedoeld om overaanbod op te lossen of iedere zzp’er van voldoende opdrachten te voorzien. Het doel is veel eenvoudiger: als professioneel werk wordt ingekocht, moet daar aan de onderkant een economisch houdbare vergoeding tegenover staan.

    Een ondergrens schakelt de markt of prijsconcurrentie niet uit. Hij bepaalt alleen hoe ver tarieven naar beneden kunnen. Boven die bodem blijven zelfstandigen vrij om te vragen wat ze willen en blijven opdrachtgevers vrij om te kiezen wie zij inhuren.

    Ook overaanbod blijft bestaan. Bij veel aanbod zullen zelfstandigen gemiddeld minder declarabele uren hebben en zullen sommigen uiteindelijk ander werk zoeken. Maar ik zie niet waarom overaanbod daarnaast ook zou moeten betekenen dat degenen die wél opdrachten krijgen, dat moeten doen tegen tarieven waarmee zij hun normale kosten en sociale risico’s niet kunnen dekken.

    De overheid kan daarnaast proberen vraag en aanbod beter in balans te brengen, maar dat is een andere politieke keuze waar zelfstandigen aan de onderkant nu niets mee kunnen.
    Budgetten zijn bovendien geen natuurgegeven. Ze worden door mensen bij organisaties en overheden vastgesteld en kunnen worden aangepast wanneer kosten veranderen. Dat gebeurt ook bij andere kosten.

    Een ondergrens maakt zichtbaar wat professioneel zelfstandig werk minimaal kost. Mijn uitgangspunt is daarbij niet het kale bestaansminimum. Zelfstandigen moeten zelf pensioen, arbeidsongeschiktheid, ziekte en periodes zonder opdrachten financieren.

    Vanuit contractneutraliteit vind ik het logischer om te kijken naar een minimale economische positie die vergelijkbaar is met die van iemand die fulltime in loondienst werkt. Een ondergrens bepaalt dus niet wat werk waard is. Hij bepaalt alleen wat economisch te weinig is.

    Uitgebreide reactie

    Juist omdat je bestuurder bent van VZN, een organisatie die zegt op te komen voor de belangen van zelfstandigen, verbaast je positie mij. We zijn het erover eens dat marktmacht en overaanbod tarieven structureel kunnen drukken. De zelfstandigen aan de onderkant houden daardoor juist te weinig ruimte over voor pensioen, arbeidsongeschiktheid en buffers.

    Daar komt bij dat van zelfstandigen steeds meer wordt verwacht. De zelfstandigenaftrek wordt verder afgebouwd en er ligt een wetsvoorstel voor een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering. Zelfstandigen moeten dus steeds meer financiële verantwoordelijkheid dragen en daarvoor ook daadwerkelijk ruimte in hun inkomen hebben. Wordt het dan niet juist tijd om ook serieus naar economische bescherming aan de onderkant te kijken?

    Waarom geef jij volledige tariefvrijheid meer gewicht dan economische bescherming van zelfstandigen aan de onderkant? Welk belang weegt voor jou zwaarder: de vrijheid van opdrachtgevers om zeer laag in te kopen, of de mogelijkheid voor zelfstandigen om met hun werk ook hun eigen risico’s te kunnen betalen?

    Je schrijft dat ik uitga van het netto minimumloon plus reserveringen en uitkom op ‘45 euro en hoger’. Dat klopt niet. Die €45 komt uit één rekenvoorbeeld voor een sector waarin gemiddeld ongeveer 24 uur per week declarabel is. In hetzelfde artikel schrijf ik expliciet dat de economische ondergrens in sectoren met veel declarabele uren en beperkte kosten ook onder €38 kan liggen. Zie: https://www.zipconomy.nl/2026/09/een-sectorspecifieke-tariefondergrens-voor-zzpers-in-de-praktijk/

    Een prijsbodem creëert geen extra vraag, en dat is ook niet het doel. Een ondergrens garandeert niemand werk; ondernemers moeten nog steeds klanten vinden, kwaliteit leveren en zich onderscheiden. Hij voorkomt alleen dat prijsconcurrentie bij overaanbod zo ver doorschiet dat professioneel werken economisch niet meer loont.

    Overaanbod kun je daarnaast aanpakken, maar dat kost tijd. Tot die tijd vind ik dat werk dat wél wordt ingekocht een vergoeding moet opleveren waarmee normaal zelfstandig werken mogelijk is. Vraag en aanbod zie je bovendien terug in het gemiddelde aantal declarabele uren binnen een sector. Bij veel aanbod en weinig opdrachten ligt dat gemiddelde lager. Juist daarom zijn die marktgemiddelden relevant bij het berekenen van een economische ondergrens.

    Een hogere ondergrens betekent niet automatisch dat er minder te besteden is. Budgetten bewegen mee met kosten en prioriteiten. Dat gebeurt ook bij lonen, huur, energie en materialen. Als professioneel zelfstandig werk iets meer kost, kunnen opdrachtgevers hun budget aanpassen of andere keuzes maken.

    Ook een hoger tarief over minder uren hoeft economisch niet nadelig uit te pakken. Dezelfde omzet in minder uren geeft juist ruimte voor acquisitie en het vinden van beter betaalde opdrachten.

    Prijsconcurrentie blijft bovendien gewoon bestaan. Een ondergrens bepaalt alleen hoe ver tarieven naar beneden kunnen. Boven die bodem blijven zelfstandigen op prijs concurreren en blijven opdrachtgevers vrij om te kiezen.
    In vrijwel iedere markt is wel iemand te vinden die het voor minder wil doen. Daarom is een bodem relevant: prijsconcurrentie bepaalt niet vanzelf waar een economisch houdbaar tarief begint.

    Ook het argument dat het minimum automatisch het maximum wordt, vind ik te stellig. Mensen in loondienst werken ook niet allemaal voor het minimumuurloon. En áls een minimum in een sector uiteindelijk het maximum zou worden, zegt dat vooral iets over hoe laag de tarieven daar nu al liggen.

    Hetzelfde geldt voor nieuwkomers. Je schrijft dat wanneer prijs als manier om binnen te komen wegvalt, vooral bekendheid, netwerk en eerdere opdrachten overblijven. Maar prijs valt helemaal niet weg. Alleen extreem lage prijzen onder de economische bodem vallen weg. Een nieuwkomer kan nog steeds goedkoper zijn dan een ervaren specialist en daarnaast concurreren op kwaliteit, specialisatie, service of snelheid.

    Ik vind het een vreemde gedachte dat een nieuwkomer alleen toegang tot een markt zou kunnen krijgen door werk zo goedkoop aan te bieden dat er nauwelijks van te leven valt.
    Je haalt daarbij ook een specialist aan die vijftien jaar expertise heeft opgebouwd. Maar daarmee geef je mijn ondergrens een functie die hij niet heeft. Ik probeer niet te berekenen wat vijftien jaar expertise waard is. Die specialist bepaalt zelf zijn prijs. Ervaring, kwaliteit, reputatie, schaarste en toegevoegde waarde kunnen allemaal redenen zijn om veel meer te vragen.

    Ik pleit niet voor een goed of hoog tarief voor iedere zzp’er. Ik pleit voor een goed berekende ondergrens. Die grens bepaalt niet wat werk waard is. Hij bepaalt alleen wat economisch te weinig is.

    Gemiddelde declarabele uren per beroep gebruik ik om te berekenen hoeveel omzet een gemiddelde zelfstandige per declarabel uur nodig heeft om ook niet-declarabele tijd, bedrijfskosten, pensioen, arbeidsongeschiktheid, ziekte en ondernemersrisico te kunnen dragen. Dat zegt niets over de marktwaarde van een specialist.

    Bovendien betekent meer ervaring niet automatisch dat werk minder tijd kost. Een freelance moderator, locatiemanager, fotograaf of horecamanager die acht uur op een congres aanwezig moet zijn, is ook met twintig jaar ervaring gewoon acht uur op locatie. Tijd blijft bij veel professionele diensten onderdeel van de kostprijs.

    Je noemt collectief onderhandelen als alternatief. Dat kan nuttig zijn, maar voor het vaststellen van een economische ondergrens zou ik rekenen in plaats van onderhandelen.

    Als partijen die het tarief betalen meeonderhandelen over de hoogte ervan, blijft marktmacht invloed houden op de uitkomst. De Ketentafel AV/Film van Platform ACCT laat zien waarom dat relevant is: daar beginnen de Fair Pay-starttarieven in 2026 bij €29,16 per uur. In mijn eerdere analyse laat ik zien hoe sterk zo’n tarief afhangt van aannames over declarabele uren, ziekte en cao-referenties. Met andere aannames kwam ik voor hetzelfde omzetdoel uit op €42,62 per uur. Lees hier wat er mis kan gaan bij collectieve onderhandelingen:
    https://www.zipconomy.nl/2026/06/een-zzp-tarief-vergelijken-met-een-cao-waar-het-mis-kan-gaan/
    Dat maakt €42,62 niet tot dé juiste marktprijs. Het laat vooral zien dat een collectief onderhandeld tarief nog niet automatisch een economisch houdbare bodem is. Die bodem moet je daarom onafhankelijk berekenen, niet uitonderhandelen.

    Platform ACCT laat wel zien dat Fair Pay-afspraken nuttig kunnen zijn. In delen van de gesubsidieerde culturele sector is er bovendien een stok achter de deur: wie subsidie ontvangt, kan aan Fair Pay-voorwaarden worden gebonden. Bij commerciële opdrachtgevers ontbreekt die stok achter de deur.

    Er is bovendien een verschil tussen Fair Pay en een economische ondergrens. Fair Pay zou boven die bodem moeten liggen en daarover kun je overleggen en onderhandelen. Maar juist omdat het een onderhandelingsuitkomst is, kan het resultaat in de praktijk ook onder een economisch houdbare bodem uitkomen. De economische bodem zelf moet je daarom niet uitonderhandelen, maar onafhankelijk berekenen op basis van objectieve gegevens over declarabele uren, kosten en risico’s.

    Ook bij werknemers is onderhandeling niet de enige bescherming. Naast cao’s en loononderhandelingen bestaat een wettelijke bodem. Waarom zou je bij zelfstandigen aan de onderkant volledig op onderhandelingen vertrouwen?

    De API-zaak die je aanhaalt onderstreept juist mijn punt: de inrichting is bepalend. Met een onafhankelijke rekencommissie bedoel ik niet dat branchevertegenwoordigers zelf de wettelijke bodem bepalen. Juist niet. De overheid stelt criteria vast, beoordeelt de gegevens en neemt uiteindelijk het besluit. Brancheorganisaties kunnen gegevens aanleveren over bijvoorbeeld gemiddelde declarabele uren en bedrijfskosten, maar bepalen niet zelf de uitkomst.

    Je schrijft dat ik overaanbod als oorzaak benoem, maar vervolgens met een ondergrens alleen het symptoom van lage tarieven behandel. Ik zie dat als twee problemen die je naast elkaar kunt aanpakken. Bij overaanbod kunnen opdrachtgevers relatief goedkoop inkopen, terwijl de gevolgen van die lage prijs vooral bij zelfstandigen aan de onderkant terechtkomen. Je kunt een economische bodem leggen en daarnaast proberen vraag en aanbod beter in balans te brengen. Bescherming aan de onderkant hoeft niet te wachten tot vraag en aanbod ooit beter in balans zijn. Dat kan jaren duren en is bovendien een afzonderlijke politieke keuze.

    Ik vind niet dat iedere zelfstandige recht heeft op voldoende opdrachten of op een goed inkomen in iedere gewenste sector. Maar als een goed georganiseerde zelfstandige bij een realistisch aantal declarabele uren structureel onvoldoende ruimte heeft voor inkomen, pensioen, arbeidsongeschiktheid, ziekte en periodes zonder opdrachten, is er meer aan de hand dan alleen individueel ondernemerschap. Dan gaat het ook over de inrichting van de markt en onderhandelingsmacht.

    Een sectorale ondergrens geeft niemand een gegarandeerd inkomen. Ondernemers kunnen nog steeds te weinig klanten vinden, verkeerde keuzes maken of simpelweg niet goed genoeg zijn. Maar werk dat wél wordt ingekocht, hoeft niet steeds goedkoper te worden doordat kosten en risico’s zonder gelijkwaardige financiële vergoeding bij de zelfstandige worden neergelegd. Daar raakt dit voor mij aan bestaanszekerheid.

    We verwachten van zelfstandigen dat zij veel van hun sociale bescherming zelf organiseren en betalen. Dan moet hun verdienmodel daar ook ruimte voor kunnen bieden. Een juridisch echte zelfstandige kan tegelijkertijd economisch kwetsbaar zijn.
    Daarom pleit ik voor meer contractneutraliteit: bestaanszekerheid en sociale bescherming zouden minder afhankelijk moeten zijn van de vraag of iemand werknemer of zelfstandige is.

    Hoogleraar socialezekerheidsrecht Paul Schoukens wees mij er daarbij op dat zelfstandigen in een economisch zwakke of ondergeschikte positie in veel landen extra sociale bescherming krijgen. Ook een tariefondergrens kan daar onderdeel van zijn.

    De Europese pijler van sociale rechten en de aanbeveling over sociale bescherming gaan eveneens uit van adequate sociale bescherming voor werknemers en, onder vergelijkbare voorwaarden, zelfstandigen. In die Europese aanbeveling wordt adequate bescherming omschreven als bescherming die bij inkomensverlies de levensstandaard helpt behouden én tegen armoede beschermt.
    Nederland is daarnaast in Europese aanbevelingen aangesproken op adequate sociale bescherming voor zelfstandigen.
    Daar schreef ik onlangs uitgebreider over:
    https://www.zipconomy.nl/2026/09/zzp-of-loondienst-waarom-zou-bestaanszekerheid-daarvan-afhangen/

    Je noemt mijn voorstel een werknemersoplossing en wijst erop dat onderdelen ervan ook bekend zijn uit het arbeidsrecht. Mijn idee is daar niet uit gekopieerd. Ik ben begonnen bij de economische vraag wat een zelfstandige minimaal nodig heeft om duurzaam te werken én hoe je zelfstandigen op relevante punten met elkaar kunt vergelijken.

    Jarenlang is gezegd dat zelfstandigen te verschillend zijn om te vergelijken. Maar iedere zelfstandige werkt binnen een specifieke markt, met een gemiddeld aantal declarabele uren in die markt, bepaalde kosten en vergelijkbare risico’s. Juist die marktgemiddelden maken een sectorspecifieke bodem mogelijk.

    Dat daar overeenkomsten uitkomen met beschermingsprincipes uit het arbeidsrecht vind ik eerder logisch dan vreemd. Een goed beschermingsinstrument hoeft niet exclusief bij één contractvorm te horen. Een zelfstandige blijft ook met een economische bodem gewoon ondernemer: hij bepaalt welk tarief hij vraagt en de opdrachtgever beslist of hij daarvoor wil inkopen. De bodem verandert die verhouding niet. Hij begrenst alleen hoe laag professioneel zelfstandig werk kan worden ingekocht.

    Juist vanuit contractneutraliteit vind ik het vreemd om economische en sociale bescherming uitsluitend aan werknemerschap te koppelen. Zelfstandigen kunnen die bescherming net zo goed nodig hebben. Dat zag het kabinet in 2019 ook al. Welke echte economische bescherming aan de onderkant is er sindsdien bijgekomen?

    In 2019 stelde het kabinet een wettelijk minimumtarief van €16 voor alle zelfstandigen voor, nadat een eerder plan om laagbetaalde zelfstandigen onder bepaalde omstandigheden automatisch als werknemer te behandelen Europeesrechtelijk problematisch bleek. Het minimumtarief moest voorkomen dat zelfstandigen te weinig verdienden om van te leven, te sparen voor werkloosheid en zich te verzekeren tegen ziekte en arbeidsongeschiktheid.

    Daarbij werd onderzocht of zo’n minimumtarief binnen het Europese recht mogelijk was. Dat kon, mits het noodzakelijk, proportioneel en niet-discriminerend werd vormgegeven. Het voorstel werd uiteindelijk niet ingevoerd, maar niet omdat het Europeesrechtelijk verboden zou zijn.

    Toch wordt juist dat oude traject nu door jou en eerder ook door minister Aartsen aangehaald als reden om sectorale minimumtarieven niet verder te onderzoeken. Dat vind ik vreemd.

    Koolmees werkte geen stelsel van wettelijke sectorale ondergrenzen uit op basis van realistische declarabele uren in een sector. Juist een sectorspecifieke aanpak kan meer proportionaliteit bieden: niet iedere zelfstandige langs dezelfde economische aanname leggen, maar per sector of beroep kijken naar realistische declarabele uren en noodzakelijke kosten.

    Je verwijst daarnaast naar de ACM en schrijft dat daar het bestaansminimum als grens wordt gebruikt. De ACM noemt dat inderdaad als een van de situaties waarin tariefafspraken mogelijk zijn en richt de Leidraad uit 2023 in het bijzonder op zzp’ers met lage inkomens, een onzekere positie en weinig onderhandelingsmacht.

    Maar de Europese ruimte is breder. De Europese Commissie staat collectieve onderhandelingen door zzp’ers met een zwakke onderhandelingspositie toe over onder meer beloning en andere arbeidsvoorwaarden.

    Het Europese kader beperkt zulke afspraken niet uitsluitend tot een inkomen op het bestaansminimum.
    https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX%3A52022XC0930%2802%29

    Daarnaast wordt in de Raadsaanbeveling over sociale bescherming aanbevolen dat lidstaten zelfstandigen toegang geven tot adequate sociale bescherming.

    Ook de Europese minimumloonrichtlijn kijkt voor de beoordeling van een adequaat minimumloon naar het algemene loonpeil. De richtlijn noemt daarbij als indicatieve referentiewaarden 60% van het mediane en 50% van het gemiddelde brutoloon. Voor Nederland komt dat grofweg neer op een bruto maandinkomen van circa €2.100–€2.450, afhankelijk van de arbeidsduur.

    Dat is relevant voor mijn voorstel. Die referentiewaarden laten zien dat bij de beoordeling van een adequate ondergrens niet alleen wordt gekeken naar wat iemand minimaal nodig heeft om te bestaan, maar ook naar de economische positie ten opzichte van andere werkenden. Vanuit contractneutraliteit ligt het daarom voor de hand om ook voor zelfstandigen uit te gaan van een vergelijkbare minimale economische positie.

    Voor zelfstandigen moet die inkomensbasis worden vertaald naar een tarief waarin bedrijfskosten, pensioen, arbeidsongeschiktheid, ziekte, periodes zonder opdrachten en het gemiddelde aantal declarabele uren in een sector zijn meegenomen. Zonder een realistisch beeld van wat in een sector gemiddeld factureerbaar is, valt de berekende ondergrens al snel te laag uit.

    Tot slot wijs je op het auteurscontractenrecht. Dat gaat over een ander soort vergoeding: de exploitatie van een auteursrechtelijk beschermd werk, niet over wat iemand minimaal per gewerkt uur nodig heeft om duurzaam zelfstandig te kunnen werken. Een billijke auteursrechtvergoeding kan aanvullend inkomen opleveren, zoals toeslagen voor weekend- of nachtdiensten dat bij werknemers kunnen doen. Maar zo’n aanvullende vergoeding vervangt geen economische bodem voor het werk zelf.

    De kern is simpel: wie zelfstandigen hun eigen risico’s laat dragen, moet zorgen dat het tarief ruimte biedt om die risico’s ook daadwerkelijk te dragen. Daar hoort een economische bodem bij. Boven die bodem is de markt vrij en bepaalt de zelfstandige zelf zijn prijs. Onder die bodem komt de rekening van goedkoop inkopen uiteindelijk bij de zelfstandige terecht. Werken moet ook voor zelfstandigen lonen, ongeacht de sector.

    Over veel van deze onderwerpen heb ik de afgelopen tijd al uitgebreider geschreven. Een overzicht van mijn artikelen over zzp-beleid, tarieven en bestaanszekerheid vind je hier:
    https://www.zipconomy.nl/author/wilmar-dik/

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *



×