SLUIT MENU

Zelfstandigenwet: meer eisen vragen om meer bescherming

De Zelfstandigenwet biedt zzp’ers meer zekerheid over hun status, maar stelt daar ook financiële voorwaarden tegenover. Volgens Wilmar Dik schiet de wet tekort zolang zelfstandigen aan de onderkant wel meer risico’s dragen, maar onvoldoende verdienen om die te kunnen opvangen.

De nieuwe Zelfstandigenwet wil vooraf duidelijker maken wanneer iemand als zelfstandige kan werken. Wie aan de voorwaarden voldoet, krijgt een veilige haven: meer zekerheid dat buiten loondienst kan worden gewerkt. 

Maar tegenover die zekerheid staan extra financiële eisen. Wie van de veilige haven gebruik wil maken, moet een nog vast te stellen bedrag besteden aan voorzieningen tegen ondernemersrisico’s, zoals arbeidsongeschiktheid, ziekte en pensioen.

Daar ontbreekt de andere helft: bescherming. Zeker aan de onderkant is de financiële ruimte nu al beperkt. Als de wet meer financiële verplichtingen bij zelfstandigen neerlegt, moet die verantwoordelijkheid ook economisch te dragen zijn. De wet regelt wanneer je met meer zekerheid zelfstandig kunt werken, maar niet of je van dat werk duurzaam kunt bestaan. 

De onderkant heeft nu al te weinig financiële ruimte

De economische kwetsbaarheid is zichtbaar. In 2025 had slechts 24 procent van de zzp’ers een arbeidsongeschiktheidsverzekering (bron: CBS). Van de zzp’ers zonder AOV zegt 23,3 procent dat zij die niet kunnen betalen. Ook bij pensioen speelt betaalbaarheid een grote rol: 46,3 procent van de zelfstandigen zonder pensioenvoorziening noemt de kosten als reden.

Zzp’ers leven bovendien vaker in armoede dan werknemers. In 2024 leefde 4,4 procent van de zzp’ers volgens het CBS in een arm huishouden, tegenover 1,7 procent van de werknemers. In cultuur, recreatie en overige dienstverlening liep dit aandeel op tot 8 procent. 

En belangrijk: deze cijfers zijn grotendeels gebaseerd op de periode voordat de verscherpte handhaving op schijnzelfstandigheid merkbaar doorwerkte in het aantal opdrachten voor zzp’ers. De financiële ruimte aan de onderkant was daarvoor dus al beperkt.

Het ministerie van SZW liet Ipsos I&O onder zelfstandigen en opdrachtgevers peilen of de mogelijke criteria van de Zelfstandigenwet duidelijk en werkbaar zijn en of zij denken eraan te kunnen voldoen. In het onderzoek zegt 72 procent van de zzp’ers jaarlijks te investeren in voorzieningen tegen ondernemersrisico’s. Aan dat criterium is echter geen minimumbedrag gekoppeld. Daarom geeft deze weergave uit het rapport naar mijn idee een te rooskleurig beeld: 

Uit het rapport blijkt namelijk dat 49 procent van de ondervraagde zzp’ers niets of maximaal 1.000 euro per jaar besteedt aan voorzieningen tegen ondernemersrisico’s. Als de helft nog geen 1.000 euro per jaar besteedt aan alle soorten voorzieningen dan kun je niet concluderen dat 72 procent kan voldoen aan een toekomstig verplicht bedrag dat nu nog niet eens bekend is. Van de zzp’ers die nu helemaal niet in zulke voorzieningen investeren, verwacht bovendien 59 procent dat het waarschijnlijk niet mogelijk is om dat alsnog te gaan doen.

De veilige haven helpt niet iedere echte zelfstandige

Wie onvoldoende verdient om aan de financiële voorwaarden te voldoen, wordt niet automatisch werknemer. Een echte zelfstandige kan buiten de veilige haven gewoon zelfstandig blijven werken.

Daar ontstaat een blinde vlek: geen werknemersbescherming, geen zekerheid van de veilige haven en wel de mogelijkheid om tegen een economisch te laag tarief te blijven werken. Ook het rechtsvermoeden bij een laag uurtarief lost dat voor echte zelfstandigen niet op. Blijkt iemand daadwerkelijk zelfstandig, dan blijft werken tegen een economisch te laag tarief mogelijk.

Aan de onderkant is bescherming ver te zoeken

Voor kwetsbare zelfstandigen lijkt de route naar betere bescherming vooral richting werknemerschap te lopen. De memorie noemt een verschuiving naar flexibele arbeidsrelaties zelfs ‘minder onwenselijk’, omdat ‘kwetsbare zelfstandigen vaak beter beschermd worden als zij richting het flexibel werknemerschap worden bewogen.’ Maar in sectoren waar zelfstandig werken de norm is en nauwelijks banen in loondienst worden aangeboden, is dat geen vanzelfsprekende uitweg. 

Er kan bovendien een vreemde prikkel ontstaan. Een zelfstandige in de veilige haven moet verplicht kosten voor voorzieningen maken en die uiteindelijk in zijn tarief verwerken. Een echte zelfstandige buiten de veilige haven hoeft niet aan die specifieke financiële voorwaarden te voldoen en kan zelfstandig blijven werken. Met minder verplichte kosten, waardoor het uurtarief lager kan zijn. 

Ook factureren op nacalculatie wordt een probleem

Ook de manier waarop een zelfstandige factureert kan toegang tot de veilige haven in de weg staan. In de wettekst staat dat de zelfstandige voor eigen rekening en risico moet werken, waarbij diegene economische baten kan genieten en financiële risico’s loopt. De memorie van toelichting vult dat opvallend strikt in. Volgens de regering is aan dit criterium in ieder geval niet voldaan bij een vergoeding die ‘uitsluitend is gebaseerd op het aantal gewerkte uren’. Ook als vooraf een concreet resultaat is afgesproken, vindt de regering het in beginsel niet passend wanneer alle extra gewerkte uren gegarandeerd worden vergoed.
Dat raakt een heel gewone manier van ondernemen: werken tegen een afgesproken uurtarief en achteraf de gewerkte uren factureren. Nacalculatie is juist logisch bij opdrachten waarvan vooraf niet precies vaststaat hoeveel tijd nodig is. Dat iemand zijn daadwerkelijk gewerkte uren factureert, zegt op zichzelf weinig over de vraag of hij zelfstandig ondernemer is. Hij kan nog steeds zelf opdrachten verwerven, aansprakelijk zijn voor zijn werk, investeringen doen en het risico’s dragen op onbetaalde ziekte dagen, uitval en periodes zonder werk.

Bescherming mag niet afhangen van het contract

Werknemers en zelfstandigen hoeven niet dezelfde regelingen te hebben, maar bescherming en bestaanszekerheid zouden niet wezenlijk afhankelijk moeten zijn van de contractvorm. Dat sluit aan bij het Europese begrip labour status neutrality. De Europese Commissie koppelt dat onder meer aan betaalbaarheid, toereikendheid en solidariteit in Employment, Social Affairs and Inclusion.

Een Europees discussiedocument over labour status neutrality benadrukt daarnaast een eerlijke verdeling van kosten en bijzondere aandacht voor kwetsbare groepen. Ook de Raad van de EU roept lidstaten op gaten in de bescherming van zelfstandigen te dichten en een toereikend beschermingsniveau te bieden, zoals te lezen is bij Consilium en Europese Commissie: Access to social protection.

Juist hier ontstaat bij de Zelfstandigenwet een probleem. Wie de extra voorzieningen niet kan betalen, mist de veilige haven maar kan juridisch wel zelfstandige blijven. De situatie zou er dan zo uitkomen te zien:

Daarmee wordt rechtszekerheid mede afhankelijk van verdienvermogen. Niet de mate van zelfstandigheid, maar de financiële ruimte in de sector bepaalt dan mede wie de veilige haven kan bereiken.

Meer risico dragen vraagt om een bodem

Opvallend is dat de memorie bij werken voor eigen rekening en risico spreekt over de ‘lusten en lasten’ en de ‘economische baten’ van zelfstandig ondernemerschap. Maar wat als de economische omstandigheden structureel nadelig zijn? Als tarieven zo laag zijn dat inkomen, bedrijfskosten en sociale voorzieningen er niet van betaald kunnen worden, draagt de zelfstandige wel de risico’s, maar blijven de economische baten uit.

De Pensioenfederatie wees in haar reactie op de eerdere internetconsultatie over de Zelfstandigenwet al op de zwakke onderhandelingspositie van laagbetaalde zelfstandigen en stelde dat pensioen en arbeidsongeschiktheid uit de vergoeding moeten kunnen worden betaald. Ook de Stichting van de Arbeid benadrukte in die consultatie het belang van betere sociale bescherming en een eerlijk, toereikend tarief.

Wat in deze Zelfstandigenwet ontbreekt: een economische bodem

Een economische ondergrens bepaalt niet wat werk waard is. Hij markeert het punt waaronder duurzaam zelfstandig werk financieel niet meer kan. Die ondergrens moet niet één landelijk bedrag zijn. Het landelijke tarief bij het rechtsvermoeden is bedoeld om mogelijke schijnzelfstandigheid juridisch aan te pakken. Voor duurzaam zelfstandig werk moet juist rekening worden gehouden met verschillen tussen sectoren en beroepsgroepen, waaronder het aantal uren dat gemiddeld declarabel is.

Daarom moet alles worden meegerekend:

Zo’n ondergrens is geen aanbevolen marktprijs en geen inkomensgarantie. Boven die grens blijft ruimte voor prijsconcurrentie, kwaliteit, ervaring, specialisatie en onderhandeling. De bodem markeert alleen waar een normale zelfstandige beroepspraktijk financieel niet meer duurzaam is.

Die gedachte kun je ook wettelijk omschrijven. Bijvoorbeeld: “De economische tariefondergrens wordt zodanig vastgesteld dat een zelfstandige die een normale voltijdse beroepspraktijk voert, met het binnen de betreffende sector of beroepsgroep gemiddeld declarabele deel van zijn totale werktijd voldoende omzet kan verwerven om noodzakelijke beroepskosten en genormeerde kosten voor sociale voorzieningen te betalen én een adequaat bruto beroepsinkomen over te houden.”

Dan leg je niet alleen vast dat bescherming nodig is, maar ook waar die economische bodem op gebaseerd moet zijn. Een wettelijke ondergrens kan bovendien al normerend werken voordat een rechter eraan te pas komt: opdrachtgevers en zelfstandigen weten vooraf waar de grens ligt. 

Erkenning is geen bescherming

In de memorie van toelichting staat dat de wet zelfstandigen de erkenning moet geven die zij verdienen. Dat woord sluit ook aan bij de lijn van VZN, dat al lang spreekt over erkenning van zelfstandig ondernemerschap.

Maar wat koopt een zelfstandige voor erkenning? Met erkenning betaal je geen pensioen of AOV en overbrug je geen periode zonder opdrachten. Erkenning zonder bescherming is uiteindelijk niet veel meer dan een ongevraagd schouderklopje.

Meer eisen? Dan ook meer bescherming

De Zelfstandigenwet stelt voor zekerheid vooraf extra financiële voorwaarden, maar verandert niets aan de verdienruimte. Wie voldoende verdient, kan de voorzieningen betalen. Wie werkt in een sector waar tarieven structureel te laag zijn, kan buiten de veilige haven vallen. Maar diegene kan juridisch gewoon zelfstandige blijven en tegen dezelfde lage tarieven doorwerken.

Tegelijk is de veilige haven zo volgehangen met voorwaarden dat een deel van de zelfstandigen er niet in past. Sommige voorwaarden kunnen bovendien normale vormen van zelfstandig werken problematisch maken, zoals factureren op basis van gewerkte uren en nacalculatie. In combinatie met financiële eisen die niet voor iedere zelfstandige betaalbaar zijn, dreigt deze versie van de Zelfstandigenwet in de praktijk een grote groep zzp’ers richting loondienst te duwen.

De wet moet niet alleen bepalen wanneer iemand zelfstandig mág werken, maar ook voorkomen dat duurzaam zelfstandig werken aan de onderkant financieel onmogelijk blijft. Meer financiële verantwoordelijkheid vraagt daarom ook om economische bescherming. Werken moet lonen, ongeacht de sector.

Wilmar Dik is fotograaf, cameraman en actief pleitbezorger voor de positie van zelfstandigen in Nederland. Sinds 2008 werkt hij als zelfstandig professional en combineert hij zijn praktijkervaring met publicaties over ondernemerschap, marktwerking, tariefvorming, fotografie, marketing en duurzame verdienmodellen voor zzp’ers. Hij schrijft regelmatig over werken als zelfstandige en over de economische realiteit achter het ondernemerschap. Vanuit die betrokkenheid zet hij zich actief in voor realistische en uitvoerbare oplossingen die bijdragen aan een economisch houdbare positie van zelfstandigen. Bij de NVJ is hij vertegenwoordiger in het beleidsteam Werkvoorwaarden namens de ledengroep NVF/Beeldmakers. Daarnaast is hij als zelfstandig specialist betrokken bij de Ketentafel Fotografie (fairPACCT). Bekijk alle berichten van Wilmar Dik

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *



×