Wilmar Dik 25 september 2026 0 reacties Print Zzp of loondienst: waarom zou bestaanszekerheid daarvan afhangen?Wilmar Dik onderzoekt waarom de sociale bescherming van zelfstandigen zo verschilt van die van werknemers. Een vergelijking met België laat zien dat ook economische positie en tarieven bepalend zijn voor bestaanszekerheid.Nederland heeft een uitgebreid stelsel van sociale zekerheid. Toch maakt het voor je bestaanszekerheid nogal wat uit of je in loondienst werkt of als zelfstandige. Werknemers zijn beschermd tegen risico’s als ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid. Voor zelfstandigen ziet die bescherming er heel anders uit. Dat verschil komt nadrukkelijk terug in het nieuwe boek De staat van de sociale zekerheid in Nederland, onder redactie van Bea Cantillon, emeritus hoogleraar sociaal beleid aan de Universiteit Antwerpen. Nederlandse en Belgische wetenschappers analyseren daarin ons sociale zekerheidsstelsel en houden Nederland een Belgische spiegel voor. Paul Schoukens, professor Belgisch, Europees en rechtsvergelijkend socialezekerheidsrecht aan de KU Leuven, schreef mee aan het hoofdstuk over de Europese sociale zekerheid. Daarin staat dat Nederland vanuit Europa herhaaldelijk is aangespoord de sociale bescherming van zelfstandigen te verbeteren. Inmiddels gaat die kritiek ook over het ongelijke speelveld tussen werknemers en zelfstandigen. Tijdens het congres Self-employment and Social Security aan Tilburg University sprak ik Schoukens hierover. Daarbij kwam voor mij opnieuw scherp naar voren dat twee vragen uit elkaar moeten worden gehouden: is iemand juridisch een echte zelfstandige en kan die zelfstandige zijn sociale bescherming ook daadwerkelijk financieren? Een belangrijk begrip daarbij is arbeidsneutraliteit. Sociale bescherming zou niet te sterk moeten afhangen van de vraag of je werknemer of zelfstandige bent. De regelingen mogen verschillen, maar de bescherming zou van vergelijkbare waarde moeten zijn. Nederland en België kiezen anders Nederlandse zelfstandigen vallen wel onder algemene voorzieningen zoals de AOW en zorgverzekering. Het verschil zit vooral in arbeidsgerelateerde inkomensrisico’s en aanvullende voorzieningen. Bij ziekte, arbeidsongeschiktheid, werkloosheid en aanvullend pensioen is hun bescherming veel beperkter dan die van werknemers. In België zijn zelfstandigen verplicht aangesloten bij een sociaal verzekeringsfonds en betalen sociale bijdragen. Daar staan wettelijke rechten tegenover bij onder meer ziekte, arbeidsongeschiktheid, pensioen en ernstige economische problemen. Die bescherming is niet hetzelfde als voor werknemers en ook niet onbeperkt. Maar sociale bescherming is wel onderdeel van het zelfstandig ondernemerschap. Dat verschil zie je bijvoorbeeld bij arbeidsongeschiktheid. In Nederland moeten zzp’ers dit grotendeels zelf regelen en betalen. In 2024 betaalde slechts 15,5 procent van de zzp’ers met ondernemerschap als hoofdinkomen premie voor een AOV. Ruim acht op de tien deden dat dus niet. België kent daarnaast het overbruggingsrecht, waarmee een zelfstandige onder voorwaarden tijdelijk een uitkering kan krijgen bij bijvoorbeeld faillissement of ernstige economische problemen. Nederland kent vangnetten zoals het Bbz en, voor bepaalde oudere stoppende zelfstandigen, de IOAZ. Dat zijn echter voorwaardelijke inkomensvoorzieningen rond het sociaal minimum en geen algemene sociale verzekering voor zelfstandigen. Ook zakelijk biedt België meer bescherming De Belgische vergelijking wordt nog interessanter als je buiten de sociale zekerheid kijkt. Het Belgische economische recht kent een verbod op misbruik van economische afhankelijkheid tussen ondernemingen. Het beschermt bedrijven die sterk afhankelijk zijn van een machtigere zakenpartner tegen misbruik van die positie, bijvoorbeeld via onredelijke prijzen of voorwaarden. Daarnaast kent België bredere B2B-bescherming tussen ondernemingen, onder meer tegen oneerlijke marktpraktijken en onrechtmatige contractuele bedingen. Daarmee wordt erkend dat twee ondernemingen juridisch gelijkwaardig kunnen zijn, maar niet automatisch evenveel onderhandelingsmacht hebben. Je kunt juridisch volledig zelfstandig zijn en toch economisch een zwakke onderhandelingspositie hebben. In sectoren waar zelfstandigen weinig onderhandelingsmacht hebben, kan dat ertoe leiden dat tarieven gemiddeld zo laag liggen dat een duurzame beroepspraktijk nauwelijks mogelijk is. Juist die economische kwetsbaarheid wordt in het Belgische recht explicieter erkend. Voor echte zelfstandigen ontbreekt in Nederland een algemene economische tariefbodem die een race to the bottom kan afremmen. Geen klanten vinden of je onvoldoende onderscheiden is ondernemersrisico. Maar als in een hele markt wel vraag is en tarieven door overaanbod of sterke inkoopmacht structureel te laag zijn om normale kosten en risico’s te dragen, is dat geen individueel probleem meer maar een marktprobleem. Goedkoper doordat bescherming ontbreekt Een van de interessantste passages uit het boek gaat over de economische gevolgen van die beperkte sociale bescherming. De auteurs leggen een verband tussen de groei van het aantal zzp’ers en lagere arbeidskosten voor opdrachtgevers, mede door hun beperktere sociale bescherming. Ziekte, arbeidsongeschiktheid, pensioen, werkloosheid en andere risico’s kosten geld. Bij werknemers worden die kosten via werkgevers, werknemers en collectieve regelingen betaald. Bij zelfstandigen liggen veel van die kosten en risico’s bij henzelf. Dat hoeft geen probleem te zijn als het tarief daarvoor voldoende ruimte biedt. Maar juist daar gaat het in sommige markten mis. Dan krijgt de opdrachtgever wel de flexibiliteit van zelfstandige arbeid, terwijl de zelfstandige onvoldoende verdient om pensioen, verzekeringen, ziekte en periodes zonder opdrachten goed op te vangen. Economische afhankelijkheid betekent bovendien niet automatisch dat iemand geen echte zelfstandige meer is. Arbeidsrechtelijke ondergeschiktheid en een zwakke economische positie zijn verschillende dingen. Dat past ook bij het Europese uitgangspunt dat werknemers en zelfstandigen toegang moeten hebben tot adequate sociale bescherming. Zie ook de Europese Commissie over toegang tot sociale bescherming. Als zelfstandigen pensioen, verzekeringen en financiële buffers uit hun eigen tarief moeten financieren, moet je ook weten over hoeveel betaalde uren zij die kosten kunnen terugverdienen. Daarom zijn de gemiddelde declarabele uren in een sector zo belangrijk. Alleen dan kun je bepalen welk tarief nodig is om inkomen, bedrijfskosten en sociale risico’s te financieren. Te zelfstandig voor bescherming Het Nederlandse zzp-beleid kijkt vooral naar de arbeidsrelatie. Wie onder de tariefgrens van het rechtsvermoeden werkt en feitelijk werknemer is, kan via de rechter proberen om werknemersrechten op te eisen. Wie tegen een laag tarief werkt maar een echte zelfstandige is, heeft daar niets aan. Die zelfstandige kan dus structureel werken tegen een tarief waarvan pensioen, verzekeringen en buffers nauwelijks betaald kunnen worden. Daar schreef ik eerder over in Te zelfstandig voor bescherming: de blinde vlek in het rechtsvermoeden voor zzp’ers. Het rechtsvermoeden vraagt vooral of iemand eigenlijk werknemer is. Voor een echte zelfstandige blijft de vraag of het tarief voldoende is om de kosten en risico’s van zelfstandig werken te dragen. Die vraag speelde ook tijdens het congres in Tilburg: hoe organiseer je sociale bescherming in een arbeidsmarkt waarin steeds meer mensen buiten het klassieke werknemersmodel werken? Voor mij hoort daar nadrukkelijk een economische vraag bij. Als zelfstandigen hun bescherming grotendeels zelf moeten financieren, moet hun tarief daar ook voldoende ruimte voor bieden. Bescherming is een politieke keuze De vergelijking met België en andere Europese landen laat vooral zien dat bescherming van zelfstandigen een politieke keuze is. Nederland legt veel verantwoordelijkheid voor sociale bescherming bij de zelfstandige zelf. Een arbeidsongeschiktheidsverzekering is nu nog niet verplicht, maar een verplichte AOV komt er wel aan. Daarmee komt er voor zelfstandigen nog een extra financiële verplichting bij, naast pensioenopbouw, het opvangen van ziekte en het aanhouden van financiële buffers. Juist daarom wordt het steeds belangrijker dat tarieven voldoende ruimte bieden om die sociale bescherming ook daadwerkelijk te kunnen betalen. Sectorspecifieke tariefondergrenzen kunnen daarvoor een economische bodem bieden. Die ondergrenzen moeten gebaseerd zijn op realistische declarabele uren en noodzakelijke kosten. Een normale beroepspraktijk moet gemiddeld voldoende kunnen opleveren om sociale bescherming te financieren. Mijn voorstel daarvoor beschreef ik eerder in Eerlijke minimumtarieven voor zelfstandigen met schijven per beroep. De mogelijkheid om sociale bescherming te financieren mag niet afhangen van de vraag of je werknemer of zelfstandige bent. Wat een zelfstandige kan verdienen, verschilt per sector. Dat is geen probleem zolang een gemiddelde beroepspraktijk voldoende oplevert om de kosten en sociale risico’s van zelfstandig werken te dragen. Als dat structureel niet lukt, is het niet langer alleen een individueel ondernemersprobleem, maar ook een marktprobleem dat raakt aan arbeidsneutraliteit en bestaanszekerheid. Eén tariefgrens beschermt niet iedere zzp’er Hoogleraar socialezekerheidsrecht Paul Schoukens wees mij erop dat zelfstandigen in een economisch zwakke of ondergeschikte positie in veel landen extra sociale bescherming krijgen. Ook een tariefondergrens kan daar onderdeel van zijn. Mijn voorstel gaat daarbij niet uit van een collectief onderhandelde ondergrens, maar van een berekende ondergrens die de overheid per sector vaststelt. Gebaseerd op realistische declarabele uren, noodzakelijke kosten en de voorzieningen die een zelfstandige zelf moet financieren. Nederland gebruikt bij het rechtsvermoeden nu één landelijke tariefgrens als bescherming aan de onderkant. Maar die grens zegt weinig over wat een zelfstandige daadwerkelijk kan verdienen. Het maakt nogal uit of iemand in een sector gemiddeld 18, 24 of 30 uur per week kan declareren en welke kosten bij het beroep horen. Zo’n sectorspecifieke berekening kost meer onderzoek, maar kan wél rekening houden met die verschillen. Bij werknemers vinden we differentiatie naar sector heel normaal: Nederland kent niet voor niets veel verschillende cao’s met eigen lonen en vergoedingen. Als we zelfstandigen zelf verantwoordelijk maken voor een belangrijk deel van hun sociale zekerheid, moet de economische bodem ook voldoende zijn om die verantwoordelijkheid te kunnen dragen. minimumtarief zzp, sociale zekerheid Print Over de auteur Over Wilmar Dik Wilmar Dik is fotograaf, cameraman en actief pleitbezorger voor de positie van zelfstandigen in Nederland. Sinds 2008 werkt hij als zelfstandig professional en combineert hij zijn praktijkervaring met publicaties over ondernemerschap, marktwerking, tariefvorming, fotografie, marketing en duurzame verdienmodellen voor zzp’ers. Hij schrijft regelmatig over werken als zelfstandige en over de economische realiteit achter het ondernemerschap. Vanuit die betrokkenheid zet hij zich actief in voor realistische en uitvoerbare oplossingen die bijdragen aan een economisch houdbare positie van zelfstandigen. Bij de NVJ is hij vertegenwoordiger in het beleidsteam Werkvoorwaarden namens de ledengroep NVF/Beeldmakers. Daarnaast is hij als zelfstandig specialist betrokken bij de Ketentafel Fotografie (fairPACCT). Bekijk alle berichten van Wilmar Dik