Wiebes erkent onduidelijkheid in zijn VVD filmpje over Wet DBA.

Staatssecretaris Wiebes geeft antwoord op Kamervragen die gesteld zijn over zijn VVD filmpje over de wet DBA.

Staatssecretaris Wiebes zette daags na zijn Kamerbrief waarin hij de handhaving van de Wet DBA opschort via het VVD kanaal een filmpje online waarin hij zijn besluit toelicht. Zowel de vorm (vvd-kanaal) als de inhoud (is de wet nu opgeschort of niet?) riep direct vragen en irritatie op. Kamerleden Omtzigt (CDA) en Van Weyenberg (D66) stelde een aantal Kamervragen aan de Staatssecretaris en aan Minister Asscher. Daar is vanmiddag antwoord op gekomen.

Uit die antwoorden blijkt dat Wiebes moet erkennen dat de claim uit het filmpje dat de DBA uitgesteld is gewoon onjuist is.

Daarnaast stelt Wiebes dat hij geen formeel besluit gaat nemen wat hij wel en niet handhaaft.

Voor Pieter Omtzigt betekent dat dat “zzp’ers hier kunnen geen enkele zekerheid aan kunnen ontlenen. Het uitstel van handhaving leidt tot forse onzekerheid. Zeker grote opdrachtgevers – bijvoorbeeld banken die echt compliant willen zijn – zullen geen ZZP’ers inhuren op deze manier.”

Het debat met de Kamer over de voortgangsrapportage is waarschijnlijk donderdag 8 december 14:30 uur.

De volledige vragen en antwoorden

Vragen van de leden Van Weyenberg (D66) en Omtzigt (CDA) aan de Staatssecretaris van Financiën en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het VVD-filmpje over de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (Wet DBA) (ingezonden 25 november 2016)

Vraag 1. Heeft u het filmpje van de VVD gezien waarvan de VVD claimt: “Kan staatssecretaris Eric Wiebes de zorgen van een miljoen zzp’ers wegnemen? Ja, dat kan hij!”.1

Antwoord 1 Ja.

Vraag 2. Is dit filmpje een communicatie van een bewindspersoon en dus van het kabinet waaraan burgers (en dan met name zzp’ers en opdrachtgevers) rechten en rechtszekerheid aan kunnen ontlenen? Zo nee, wat is het dan?

Vraag 3. Waarom richt u zich slechts via een partijkanaal tot zelfstandigen en opdrachtgevers en niet veel breder?

Antwoord op de vragen 2 en 3
Op 18 november 2016 is direct met het versturen van de tweede voortgangsrapportage DBA naar uw Kamer gestart met de communicatie hierover. Naast het persoonlijk informeren van de pers hebben die dag onderstaande acties plaatsgevonden.
De Belastingdienst heeft de informatie direct geplaatst op www.belastingdienst.nl/dba en op de website van de Belastingdienst https://belastingdienst-in-beeld.nl.
Ter attendering op deze informatie en de voortgangsrapportage zijn diverse nieuwsberichten gepubliceerd:
• Nieuwsbericht op de website van de Belastingdienst op de pagina voor ondernemers
• Nieuwsbericht op de website van de Belastingdienst op de pagina voor fiscaal intermediair
• Nieuwsbericht op het Forum Fiscaal Dienstverleners
• Nieuwsbericht op het Forum Salaris
• Nieuwsbericht op de corporatewebsite van de Belastingdienst Daarnaast zijn er diverse twitterberichten verstuurd zowel vanuit het Ministerie van Financiën als vanuit de Belastingdienst.
Hier bovenop wordt gewerkt aan communicatie naar specifieke doelgroepen. Daarbij zullen alle communicatiemogelijkheden worden benut. Via een brief zal ik de belangenorganisaties en de brancheorganisaties en via hen ook zoveel mogelijk de opdrachtgevers benaderen. Ik zal ook de fiscaal intermediairs aanschrijven. De zzp’ers hoop ik te benaderen via hun branche- en koepelorganisaties maar ik zal ook, in de hoop daarmee een groot deel van de zzp’ers rechtstreeks te benaderen, de mensen benaderen aan wie voorheen een VAR was verstrekt. Uiteraard zal ik ook de mij ter beschikking staande andere communicatiemogelijkheden benutten. Zonder uitputtend te willen zijn, denk ik daarbij aan de site van de

 

Belastingdienst, Webcare, BelastingTelefoon, Ondernemersplein.nl en de Kamer van Koophandel.
Naast deze brede communicatie naar de betrokken doelgroepen, heb ik ervoor gekozen om de besluiten ook via een partijkanaal toe te lichten.

Vraag 4. Herinnert u zich de uitspraak: “Daarom hebben we besloten dat we die wet (DBA) uitstellen tot 1 januari 2018”?

Antwoord 4
Wat is uitgesteld is natuurlijk de handhaving. In strikt formele zin was de Wet DBA immers alleen de afschaffing van de VAR, en dat heeft inmiddels zijn beslag gekregen en kan dus niet worden uitgesteld. In het spraakgebruik is de term “Wet DBA” model gaan staan voor het systeem van zekerheid vooraf met hervatting van de handhaving. Alleen in die betekenis is de ”Wet DBA” uitgesteld.

Vraag 5. Is de wet uitgesteld tot 1 januari 2018? Zo ja, kunt u dan de AMVB, het beleidsbesluit of welke andere formele wijze waarop u dat gedaan heeft, aan de Kamer doen toekomen?

Antwoord 5
Zie het antwoord op vraag 4.

Vraag 6. Is de handhaving van de wetgeving voor bepaalde gevallen – bijvoorbeeld zogenaamd goedwillenden – opgeschort, maar de wet nog wel geldig? Zo ja, kunt u dan het beleidsbesluit of de formele wijze waarop u dat gedaan heeft aan de Kamer doen toekomen?

Antwoord 6
Het opschorten van de handhaving tot 1 januari 2018 wordt niet in een separaat beleidsbesluit opgenomen. De Belastingdienst zal het opschorten van de handhaving opnemen in zijn “Handboek Loonheffingen” dat gepubliceerd wordt op de website van de Belastingdienst.

Vraag 7. Heeft u kennisgenomen van het feit dat volgens de staatssecretaris van Financiën de gekochte tijd gebruikt gaat worden om de knelpunten in de arbeidswetgeving aan te pakken, wetgeving die meer dan 100 jaar oud is?

Antwoord 7
Ik heb in de tweede voortgangsrapportage aangekondigd dat ik samen met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die beleidsverantwoordelijk is als het gaat om het arbeidsovereenkomstenrecht, en met de Minister van Veiligheid en Justitie, die eerste ondertekenaar is van het Burgerlijk Wetboek, – in overleg met onder andere sociale partners – zal onderzoeken hoe aan de criteria “gezagsverhouding” en “vrije vervanging” een concretere of andere invulling moet worden gegeven, een invulling die beter aansluit bij het huidige maatschappelijke beeld van een arbeidsverhouding. Een daartoe strekkend onderzoek vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Vraag 8. Herinnert u zich nog dat u, in het plenaire debat over de problemen, moties om de arbeidswetgeving aan te passen, nog ontraadde met de woorden:

 

“De moties op de stukken nrs. 26 en 27 vragen ons, nu het naar elven loopt, om de arbeidswetgeving even open te breken. Ik moet deze moties echt ontraden. Hier wordt een breekijzer gezet in zorgvuldig tot stand gekomen arbeidsrecht. Ik kan dit niet op eigen houtje hier omarmen. Dit is ook niet de manier waarop we over arbeidswetgeving moeten nadenken.”, en dat die moties dus werden weggestemd?

Antwoord 8
In de door de vragenstellers aangehaalde moties werd de regering verzocht het begrip “persoonlijke arbeid” opnieuw te definiëren en een plan met concrete actiepunten op te stellen om een vast dienstverband aantrekkelijker te maken. Ik heb in het debat van 29 september 2016 deze moties ontraden omdat ik van mening was en ben dat het niet wenselijk is om zonder een nader onderzoek, waarbij ook de hiervoor primair verantwoordelijke bewindspersoon en (onder meer) de sociale partners moeten worden betrokken, een herziening van het arbeidsrecht te bewerkstelligen. Dat onderzoek betreft specifiek de begrippen “gezagsverhouding” en “vrije vervanging”en volgt een route en tijdspad dat naar mijn opvatting – hoewel ambitieus – wel haalbaar en verantwoord is.

Vraag 9. Kunt u alle stukken (nota’s, emails) over mogelijke veranderingen in de arbeidswetgeving ter oplossing van DBA problemen, die u beiden onder ogen gekomen zijn in augustus, september, oktober en november 2016 aan de Kamer doen toekomen?

Antwoord 9
Uit de vele gesprekken aan mijn tafel, onder andere met mensen die een oordeel van de Belastingdienst hadden gekregen op een voorgelegde overeenkomst, lijkt het arbeidsrecht soms een knellende factor te zijn. Om ook daar meer duidelijkheid over te krijgen is het Meldpunt DBA onbedoelde gevolgen arbeidsmarkt ingesteld. Vervolgens heeft de Commissie beoordeling modelovereenkomsten DBA onder leiding van prof. Mr. Gerrard Boot, in haar rapport gewezen op de moeilijkheden die er zijn om vooraf te kunnen vaststellen of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Dit rapport heb ik uw Kamer als bijlage gezonden bij mijn meergenoemde brief van 18 november 2016. Er liggen geen voorstellen voor mogelijke aanpassingen van het arbeidsrecht, daartoe strekt juist het hiervoor genoemde onderzoek.

Vraag 10. Wanneer is het kabinet tot de overtuiging gekomen dat de arbeidswetgeving aangepast moet worden om de DBA-problemen op te lossen?

Antwoord 10
Zie het antwoord op vraag 9.

Vraag 11. Herinnert u zich nog dat u in het plenaire debat over de problemen met de Wet DBA de motie om opdrachtgevers die niet ter kwader trouw zijn te vrijwaren van naheffing ontraadde? Kunt u aangeven wat u tot een ander inzicht heeft gebracht?

Antwoord 11
Ik heb in het debat benadrukt dat goedwillende opdrachtgevers en opdrachtnemers niet bevreesd hoeven te zijn voor een naheffing. Ik streef voor opdrachtgevers en opdrachtnemers naar zekerheid vooraf, maar niet naar een ongeconditioneerde vrijwaring. De motie die uitging van het niet opleggen van naheffingen tenzij de betreffende opdrachtgever niet van goede wil is, bevatte naar mijn mening een omkering van de bewijslast waarvan ik de juridische consequenties niet kon overzien. Deze motie zou daarmee feitelijk een ongeconditioneerde vrijwaring met zich brengen. Zover wilde ik niet gaan.

Vraag 12. Kunt u – in het verlengde van het debat over de Algemene Financiële Beschouwingen in de Eerste Kamer – aangeven hoe u het begrip kwaadwillenden gaat operationaliseren en hoe u alle goedwillende opdrachtgevers gaat benaderen, en hoe u actief richting opdrachtgevers gaat communiceren opdat zij weer opdrachten aan zelfstandigen gaan durven geven?

Antwoord 12
In de tweede voortgangsrapportage heb ik aangegeven dat de Belastingdienst bij de opschorting van de handhaving een uitzondering maakt voor de zogenoemde kwaadwillenden. In bijlage 4 van genoemde voortgangsrapportage is daarover het volgende opgenomen: “Kwaadwillend is de opdrachtgever of opdrachtnemer die opzettelijk een situatie van evidente schijnzelfstandigheid laat ontstaan of voortbestaan, omdat hij weet – of had kunnen weten – dat er feitelijk sprake is van een dienstbetrekking (en daarmee een oneigenlijk financieel voordeel behaalt en/of het speelveld op een oneerlijke manier aantast)”.

Tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen in de Eerste Kamer heb ik de handhavingsinzet op kwaadwillenden gedurende de implementatietermijn verduidelijkt. De handhaving richt zich nu eerst op de ernstigste gevallen: situaties waarin partijen evident zo ver buiten het wettelijk kader treden dat de Belastingdienst dat niet mag laten lopen. Vanzelfsprekend gaat het daarbij dus niet om een zelfstandige professional bij wie er ruis is over de gezagsrelatie. Het gaat wel om gevallen waarin opdrachtgevers opereren in een context van opzet, fraude of zwendel. Daarbij kan worden gedacht aan situaties waarin sprake is van listigheid, valsheid of samenspanning en situaties die leiden tot ernstige concurrentievervalsing, economische of maatschappelijke ontwrichting of waarin het risico aanwezig is van uitbuiting. In het debat in de Eerste Kamer heb ik geschat dat hiervan nu ordegrootte 10 gevallen in het vizier zijn, maar andere kwaadwillenden kunnen en mogen niet worden uitgesloten.

Ik zal dit operationaliseren in het “Handboek Loonheffingen” dat gepubliceerd wordt op de website van de Belastingdienst. Op de communicatie richting opdrachtnemers en opdrachtgevers ben ik ingegaan in het antwoord op vragen 2 en 3.

Vraag 13. Bent u in staat om voor het plenaire debat over de problemen met de DBA te komen met een brief met kabinetsvoorstellen om de arbeidswetgeving te veranderen en actief richting opdrachtgevers te gaan communiceren?

 

Antwoord 13
Het kabinet maakt haast met het onderzoek naar de herijking van de begrippen “vrije vervanging” en “gezagsverhouding” om deze meer in lijn te brengen met het huidige maatschappelijke beeld van een arbeidsverhouding en hoopt tijdig voor een volgend regeerakkoord met resultaten te komen.
In het antwoord op vraag 3 ben ik ingegaan op het communicatietraject dat ik voor ogen heb en deels al in gang heb gezet.

Vraag 14. Kunt u deze vragen één voor één en voor dinsdag aanstaande 11 uur beantwoorden?

Antwoord 14
Omwille van de leesbaarheid heb ik de antwoorden op de vragen 2 en 3 in een antwoord samengevoegd.

Hugo-Jan Ruts is 'editor-in-chief' en uitgever van ZiPconomy. Bekijk alle berichten van Hugo-Jan Ruts

2 reacties op dit bericht

  1. De man is inmiddels totaal ongeloofwaardig geworden. Dit gaat de VVD veel zetels kosten vermoed ik: heel veel stemmers hebben last van zijn beleid. Maar goed loyaliteit aan de persoon is belangrijker dan competentie binnen de VVD. VVD: veel succes in maart, met dit kaliber politici is het niet de kracht van andere partijen maar de zwakte van je eigen partij waardoor kiezers vertrekken. Overigens pleit dit natuurlijk ook zeker niet voor de PvdA, maar als het gaat om economie is mijn verwachting daarvan ook niet zo hoog.

  2. En hij blijft de ellende maar voor zich uitschuiven zonder harde toezeggingen te willen doen op de korte termijn. “Tijdig voor een volgend regeerakkoord” houdt dus in dat we nog een half jaar met deze ellende blijven worstelen. Hoeveel ZZP’ers zijn tegen die tijd failliet? Hoe ernstig en onomkeerbaar zal de schade aan de economie zijn door dit op z’n beloop te laten? Het is niet 1 minuut voor 12 zoals ik ergens las, maar kwart over. Besluiten moeten NU worden genomen om de giftige werking van deze wet te laten ophouden. Uiteraard zeg ik dit ook uit eigenbelang, maar weet ook dat er tienduizenden zoniet inmiddels honderdduizenden anderen zijn die ook in dezelfde situatie zitten of dreigen te komen. Laffe politici, hoe “verbaal behendig” ook, mogen er niet mee wegkomen dat ze zoveel stukmaken dat er een miljardenschade optreedt. Ik wil het kabinet dan ook aanraden hun financiele meevallers te reserveren voor de schadevergoeding die ze straks zullen moeten gaan uitkeren aan gedupeerde ZZP’ers.