ZiPredactie 19 mei 2026 4 reacties Print Minister: ingangsdatum toelatingsstelsel bureaus blijft 1 januari 2027. Urgentie geboden.Minister Vijlbrief gaat de invoeringsdatum van de wet toelating ter beschikkingstelling arbeidskrachten niet aanpassen. Ondanks de mogelijk risico’s van dit ‘krappe tijdspad’. Minister Vijlbrief houdt vast aan het tijdspad van de gefaseerde inwerkingtreding van de wet toelating terbeschikkingstelling arbeidskrachten (Wtta). Er komt dus geen uitstel. Het toelatingsstelsel gaat op 1 januari 2027 in. Dat heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid laten weten aan de Tweede Kamer. Vijlbrief erkent dat er zeker risico’s zitten in het stevige tijdspad maar, zo schrijft hij “de urgentie van het tegengaan van de misstanden in de uitzendsector (weegt) zwaarder dan het geringe profijt van uitstel.” Brede reikwijdte toelatingsstelsel De Wtta introduceert een toelatingsstelsel voor bureaus die medewerkers ‘ter beschikking stellen’. Al ligt de aanleiding voor de wet bij misstanden met arbeidsmigranten in de uitzendsector – in kaart gebracht door de Commissie Roemer – de reikwijdte van de wet is veel breder. Het toelatingsstelsel, waarbij bureaus aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen en inlenende organisaties uitsluitend zaken mogen doen met bureaus die zijn toegelaten, geldt voor alle dienstverleners die medewerkers ter beschikking stellen (conform de definities van de WAADI). Dat zijn dan uitzendbureaus en detacheerders maar ook dienstverleners als IT-bedrijven, accountancybureaus en consultancybureaus kunnen (deels) onder deze definities en zullen zich dus ook aan de Wtta moeten houden. Nog steeds zijn veel van deze bureaus – die zich qua tarieven vaak aan de bovenkant van de markt bevinden – zich daar niet van bewust. Risico’s In zijn brief somt Vijlbrief een aantal risico’s op rond het tijdig op orde krijgen van de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU). Het onderzoeksbureau Gateway bracht die risico’s eerder in beeld. Dat begint met de tijdige beschikbaarheid van de infrastructuur voor de informatievoorziening. Vijlbrief zegt dat de doorlooptijd ‘krap’ is maar dat er ook geen aanwijzingen zijn dat de huidige planning niet gehaald wordt. Of de NAU alle aanvragen tijdig en correct kan verwerken hangt nog steeds vooral af van de hoeveelheid (voor)aanvragen. Daarover is nog steeds geen volledig inzicht. Vooral ook vanwege het genoemde punt dat een deel van de markt zich momenteel nog niet voldoende bewust zijn dat ze onder de Wtta vallen. Ook het tijdig kunnen afgeven van een VOG voor Rechtspersonen in ‘een kort tijdsbestek’ is nog onderwerp van gesprek tussen de NAU en Justis. De vraag of er voldoende inspectiecapaciteit is hangt ook samen met die aantallen. “De groei van de private inspectiecapaciteit is sterk afhankelijk van de omvang van de vraag vanuit de markt” schrijft Vijlbrief. Hij verwacht dat met het nu vaststellen van een definitieve inwerkingtredingsdatum en door het voeren een intensieve communicatiecampagne – die binnenkort gestart wordt – de markt in beweging komt en dat “inspectie-instellingen anticiperen op de verwachte vraag en investeren in groei van capaciteit.” Geen uitstel Risico’s dus, maar die zijn voor Vijlbrief geen aanleiding om invoering van de wet uit te stellen. Zo’n uitstel heeft volgens de minister “een remmend effect kunnen hebben op de benodigde stappen die, vanuit de markt en andere betrokkenen, worden gezet op deze onderwerpen. Inwerkingtreding van het toelatingsstelsel per 1 januari 2027 biedt goedwillende werkgevers een eerlijke kans en draagt direct bij aan de bescherming van kwetsbare arbeidskrachten. Uitstel van de inwerkingtreding van de Wtta weegt daarom niet op tegen de effecten van een zo snel mogelijke inwerkingtreding.” Vijlbrief zegt dat de mogelijke gevolgen van deze risico’s – zoals wachtrijen als gevolg van onvoldoende inspectiecapaciteit of opschalingsmogelijkheden bij de NAU – bekend zijn en “waar mogelijk worden maatregelen getroffen om die te beheersen.” De minister wijst er ook op dat er overgangsrecht geldt “om te voorkomen dat uitleners door omstandigheden die buiten hun macht liggen bij de start van het toelatingsstelsel niet kunnen voldoen aan de Wtta. Uitleners die tijdig een aanvraag indienen, mogen blijven uitlenen zolang de NAU nog niet over de aanvraag heeft beslist.” Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten, wtta Print Over de auteur Over ZiPredactie De ZiPredactie plaatst hier interviews en eigen artikelen. Daarnaast persberichten, aankondigingen of (met toestemming) overgenomen artikelen. (contact: info[AT]zipconomy.nl) Bekijk alle berichten van ZiPredactie
Goed artikel, maar de alinea over de reikwijdte van de Wtta mist een belangrijke nuance. Contracting – werken onder een overeenkomst van opdracht (OvO volgens art. 7:400 BW) – valt in principe buiten de Wtta, omdat geen sprake is van werken ‘onder leiding en toezicht’. De meeste bureaus (zeker de kleinere!) zullen daarom ook geen WTTA toelating aanvragen. Die ton borgstelling en de extra administratieve belasting is voor kleine bureaus niet te rechtvaardigen en strikt gesproken ook niet nodig. Maar let op: de Wtta is bestuursrecht, en het bestuursrecht heeft een eigen definitie van werken ‘onder leiding en toezicht’, die anders is dan het civielrechtelijke criterium. Deliveroo-criteria zijn hier bijvoorbeeld niet van toepassing – dat is civiel recht. Sinds de Waadi bestaat hiervoor een zelfstandige bestuursrechtelijke lijn, met eigen jurisprudentie. Daarbij geldt: • dit is een materieel criterium: contracten en structuren sluiten risico niet uit; • de arbeidsinspectie stelt dit feitelijk vast; • daardoor kan iemand civielrechtelijk correct onder een OvO werken, terwijl toch werken ‘onder leiding en toezicht’ wordt aangenomen door een inspecteur. Tegelijk laat jurisprudentie zien dat dit risico goed beheersbaar is met een gedocumenteerde werkwijze, die bovendien al grotendeels overeenkomt met de huidige praktijk. Bovendien moet in het bestuursrecht een boete proportioneel zijn: bij goed betaalde experts in dienst van bonafide bureaus zonder misstand kan een boete in feite niet worden gerechtvaardigd en door de rechter tot nul worden gematigd. Conclusie: voorkom dat hier een bestuursrechtelijk “tweede front” ontstaat tegen zelfstandigen en MKB. De risico’s zijn niet nul, maar met goede inrichting en documentatie goed beheersbaar. De recente, mildere toon richting zzp’ers biedt hier hoop. Beantwoorden
Dank voor je aanvulling. Het klopt natuurlijk dat als iemand niet onder leiding en toezicht werkt, dat er dan geen sprake is van ter beschikkingstelling van arbeid en dus de Wtta niet van toepassing is. Zo is de Wtta ook niet van toepassing voor bureaus die uitsluitend met zzp’ers werken. Maar er zijn hier wel wat parallellen met de zzp-wereld. Om te beginnen (zoals je ook beschrijft) je kan als inlener en uitlener zelf nog wel vinden dat er geen sprake is van werken onder leiding en toezicht, maar daar kan een handhavende instantie anders naar kijken. Mocht er nu een overtreding geconstateerd worden, dan is dat primair een probleem van de uitlener. Met de Wtta verandert. Dan krijgt de inlener een boete (immmers: ingeleend bij een niet toegelaten bureau). En dat kan dan wel weer eens ‘risicomijdend gedrag’ opleveren bij die opdrachtgevers. Terecht of onterecht (net als wat we nu bij zzp zien). Dat zou bureaus (ook die kleine) ook kunnen doen overwegen om toch maar die toelating aan te vragen. Beantwoorden
Beste Hugo-Jan, je reactie laat precies zien waar de schoen wringt in deze discussies. Je stelt volkomen terecht vast dat er sprake is van bestuursrechtelijke onduidelijkheid. Maar in plaats van rustig te analyseren, schiet je direct door naar de meest extreme conclusie: dan moeten ook kleine bureaus die helemaal niet werken onder leiding en toezicht maar een ton borg gaan betalen. Dat is in de praktijk helemaal niet nodig en volstrekt onrealistisch. Deze reactie weerspiegelt exact de manier waarop veel partijen momenteel uit de bocht vliegen in het debat rondom schijnzelfstandigheid. Het doet sterk denken aan het bekende kinderversje: Pietje valt in de appelmoes, snijdt zijn hand aan de scherven, bloedt dood, en de conclusie is: ‘Eet nooit meer pindakaas allemaal!’ Laten we alsjeblieft stoppen met dit soort paniekvoetbal en logisch blijven nadenken over de reële risico’s en de proportionaliteit. Bovendien mis je een belangrijk praktisch punt: de Arbeidsinspectie handhaaft risicogestuurd. De Wtta is er om misstanden en uitbuiting aan te pakken, niet om bonafide MKB-dienstverleners te pesten. Gezien het overduidelijke gebrek aan inspectiecapaciteit gaan controleurs hun schaarse tijd echt niet besteden aan discussies over ‘leiding en toezicht’ bij hoogbetaalde experts. Jezelf preventief opzadelen met een ton borgsom voor een theoretisch bestuursrechtelijk risico dat in de praktijk nooit prioriteit zal hebben, is simpelweg onverstandig ondernemerschap. Beantwoorden
Ik begrijp je punt. Ik zeg ook niet als organisatiesadviesbureaus mee moeten in het toelastingscircus. Maar ze moeten wel een bewust afweging maken. Onderdeel daarin is ook – wat we zien in die zzp-discussie – is dat er een verschil zit tussen de puur rationeel benadering (intentie wet, handhavingstrategie, risico) en het gedrag van opdrachtgevers. Immers: ook de BD komt nog nauwelijks toe aan echt handhaven, terwijl de vraaguitval wel groot is. Dat zullen bureau moeten wegen. En wie er (terecht) voor kiest om buiten de Wtta verplichtingen te blijven, doet er mijn inziens in ieder geval ook goed aan om na te denken wat ze qua communicatie kunnen en moeten doen richting hun opdrachtgevers. Puur rekenen op een rationele afwegingen van die opdrachtgevers, inclusief om grondige materiekennis, lijkt me gevaarlijk. Beantwoorden