schijnzelfstandigheid

Hoogleraar: ‘Schijnzelfstandigheid een groot probleem? Daar zijn geen aanwijzingen voor’

Schijnzelfstandigheid kan op veel politieke belangstelling rekenen, maar, zo zegt kersvers hoogleraar Wendy Smits: ‘Er zijn vooralsnog geen aanwijzingen dat het een groot maatschappelijk probleem is’.

Voordat je eventueel zou kunnen betogen dat schijnzelfstandigheid the root of all evil is, is volgens Smits – zoals het een wetenschapper betaamt: ‘eerst meer onderzoek nodig’. Maar tot dat onderzoek er is denkt ze eerlijk gezegd dat het wel meevalt met het probleem, zo liet ze vorige week merken, toen ze haar oratie hield als bijzonder hoogleraar Labour Market Flexibility aan de Universiteit Maastricht.

‘Van de ‘nieuwe’ zzp’ers heeft slechts 6 procent te maken met economische en organisatorische afhankelijkheid van een enkele opdrachtgever.’

‘In ons onderzoek maken we onderscheid tussen de ‘klassieke’ zzp’ers die vooral producten verkopen en de ‘nieuwe’ zzp’ers die vooral hun eigen arbeid aanbieden. De laatste groep doet soms werkzaamheden die ook in loondienst gedaan kunnen worden. Het blijkt echter dat van de ‘nieuwe’ zzp’ers slechts 6 procent te maken heeft met economische en organisatorische afhankelijkheid van een enkele opdrachtgever.’

94 procent is dus níet schijnzelfstandig

Voor die groep is dat zeker een probleem, zegt Smits. Maar overdrijven moet je het volgens haar dus ook niet. Voor 94 procent van de zelfstandigen geldt de afhankelijkheid dus niet, en lijkt er dus geen sprake van een verkapt dienstverband. ‘Duidelijk is in elk geval dat ook de groep zzp’ers divers is en dat onder hen veel mensen zijn die goed betaald worden en uitdagend werk doen.’

Al dient zich daar dus ook meteen de kanttekening van de hoogleraar aan: meer onderzoek is nodig. Om te bekijken of de definitie van schijnzelfstandigheid goed is gekozen, zegt ze. Maar ook: om meer inzicht te krijgen in de totale groep kwetsbare zelfstandigen.

‘Uitzendkrachten lopen risico’

Smits pleit sowieso voor meer inzicht in cijfers als het over de arbeidsmarkt gaat. Dat is natuurlijk ook niet zo gek voor een CBS-onderzoeker. Maar ze heeft een sterk punt: nu worden allerlei maatschappelijke en politieke discussies gevoerd (zoals 1, 2 en 3), zonder dat precies duidelijk is hoe groot de groepen precies zijn waarover het gaat. Terwijl de gevolgen van flexibele arbeid voor mens, organisatie en maatschappij alleen goed te meten zijn als we de vele vormen ervan goed onderscheiden, zegt Smits.

Zelf onderscheidt ze in elk geval 4 verschillende groepen flexwerkers:

  • Werkenden met langere flexibele contracten. Kenmerken: vaak hoogopgeleid, goed betaald en doen analytisch werk, bijvoorbeeld op het gebied van onderzoek of onderwijs.
  • Oproepkrachten. Kenmerken: gemiddeld laagopgeleid, krijgen weinig betaald en doen handmatig werk, bijvoorbeeld in de horeca of als vakkenvuller. Onder deze groep zijn veel scholieren en studenten die het werk als bijbaan doen.
  • Uitzendkrachten. Kenmerken: vaak ouder dan de oproepkrachten en werken fulltime. Gemiddeld zijn ze vaker laag of middelbaar opgeleid en ze doen vaak routinematig werk, bijvoorbeeld in de industrie. ‘Deze groep loopt risico’, zegt Smits. ‘De werkgelegenheid in routinematige beroepen neemt af en deze mensen hebben, gezien hun opleidingsachtergrond, vaak weinig alternatieven.’
  • Zzp’ers.

Theorieën toetsen

In de afgelopen jaren heeft Smits samen met haar CBS-collega’s nieuwe statistieken ontwikkeld om het verschijnsel flexibele arbeid beter in kaart te brengen. ‘Wij weten inmiddels: als je wil weten wat de gevolgen zijn van de flexibilisering van de arbeidsmarkt, voor de arbeidskrachten zelf, voor de organisaties waarvoor ze werken én voor de maatschappij, dan móét je kijken naar de verschillende groepen. Cijfers die gaan over alle flexibele arbeid samen, zeggen te weinig.’

‘Cijfers die gaan over alle flexibele arbeid samen, zeggen te weinig.’

De komende tijd gaat Smits’ onderzoeksgroep vooral de diversiteit van het flexwerk en de effecten daarvan op organisaties belichten. Daarover zijn veel theorieën, zoals dat bedrijven die veel flexibele arbeidskrachten gebruiken extra wendbaar zijn bij economische schommelingen. Maar ook dat deze bedrijven risico lopen doordat ze kennis onvoldoende vasthouden of met ongemotiveerd personeel kampen. Smits: ‘Alleen door onderzoek kunnen we die theorieën toetsen.’

Lees ook:

Peter Boerman was tot eind (eind)redacteur bij ZiPconomy. Hij is hoofdredacteur van Werf& ; over arbeidsmarktcommunicatie en recruitment. Hij is gefascineerd door de vraag hoe menselijk talent en organisaties bij elkaar worden gebracht, en wil met zijn verhalen bijdragen aan een wereld waarin mensen zoveel mogelijk van hun potentie kunnen verwezenlijken. Bekijk alle berichten van Peter Boerman

Eén reactie op dit bericht

  1. Weten vergt meten. Ik hoop dat er stevig onderzocht gaat worden! Dit stukje zal mij dus erg kritisch maken tot er betrouwbare gegevens zijn als er weer eens geroepen wordt over “schijnzelfstandigen”, of iets vergelijkbaars.