“Er zitten 1,4 miljoen zelfstandigen in de flexschil”. Lariekoek?

Hugo-Jan Ruts door
8 reacties

In een boek vegen de hoogleraren Paul de Beer en Evert Verhulp 1,4 miljoen zelfstandigen op een hoop met uitzendkrachten en oproepkrachten. Een grote flexschil. Volgens Hugo-Jan Ruts een geheel verkeerde aanname, waardoor een relevante discussie over ‘vast vs flex’ wordt vertroebeld.

In een boek vegen de hoogleraren Paul de Beer en Evert Verhulp 1,4 miljoen zelfstandigen op één hoop met uitzendkrachten en oproepkrachten. Een grote flexschil.

Volgens Hugo-Jan Ruts een geheel verkeerde aanname, waardoor een relevante discussie over ‘vast vs flex’ wordt vertroebeld. 

“Alle zelfstandigen zijn flexwerkers”

In de Nederlandse flexibele schil zitten onder andere bijna 1,4 miljoen zelfstandigen. Dat stellen de Amsterdamse Hoogleraren Paul de Beer en Evert Verhulp in het boek “Dertig vragen en antwoorden over flexibel werk” dat vandaag gepresenteerd wordt tijdens een conferentie in de SER. “Lariekoek” noemde ik dat in een tweet een paar weken geleden toen ik de publicatie had gelezen.

Een wat kort door de bocht opmerking die niet door iedereen in de wetenschappelijke wereld even gewaardeerd werd. Naar aanleiding van de presentatie vandaag, zal ik – met iets meer nuance – proberen duidelijk te maken waar de schoen wat mij betreft wringt.

Door alles op een hoop te gooien maken De Beer en Verhulp sommige punten groter dat het is, terwijl andere van hun zorgpunten juist minder groot lijken dan ze zijn.

De zzp’er bestaat niet

Ik weet niet wie precies dit tegeltjewijsheid bedacht heeft, maar zo langzamerhand is er wel een breed besef dat de groep zelfstandigen zeer heterogeen is. Vaak te heterogeen om zo maar als groep op te nemen in een onderzoek.

De Beer en Verhulp hanteren in hun boek de meest ruime definitie waarmee het CBS de groep zelfstandigen heeft omschreven: Een persoon (tussen de 15 en 75 jaar) die arbeid verricht voor eigen rekening of risico – in een eigen bedrijf of praktijk (zelfstandig ondernemer), of – als directeur-grootaandeelhouder (dga),  met of zonder eigen personeel.” In totaal gaat het hier over 1,35 miljoen mensen.

Binnen deze definitie zit een bont gezelschap van mensen. Kijkt u even om u heen. Dat varieert van de glazenwasser tot de bakker op de hoek. Van de medisch specialist (in algemeen ziekenhuis) tot de interim IT’er die opdrachten van een of meerdere jaren bij een organisatie doet. Van de zelfstandig boekhouder tot de klusjesman. Van de eigenaar van een webwinkel (die dat naast een vaste baan doet) tot de wandelcoach. Van de zelfstandig bouwvakker tot pensionado die jaarlijks nog wat geld trekt uit zijn pensioen BV en misschien nog een commissariaat heeft. De pizzabezorger, Uber-chauffeur, een groeiend aantal thuishulpen, de boer in de polder, plus zijn meewerkende vrouw en zoon of dochter.

Wat is nu het probleem?

De Beer en Verhulp hebben hun publicatie gemaakt in het kader van hun studie “Vast en flex: een overbrugbare kloof?”. Het maken van die vergelijking tussen ‘vast’ en ‘flex’ is zinvol. Het is goed en belangrijk voor de discussie om een vergelijking te maken rond fiscale voorzieningen, contractvormen en sociale zekerheid tussen werknemers en iedereen met een bepaalde vorm van een flexibel contract.

Maar als je die vergelijking maakt, moet je wel de juiste groepen nemen om met elkaar te vergelijken. Anders trek je verkeerde conclusies en vertroebel je een op zich belangrijke discussie.

Door deze hele groep van zelfstandigen als flexwerkers te bestempelen, creëer je een onjuist beeld.

Zo is voor De Beer en Verhulp een van hun belangrijkste conclusies dat “slechts twee op de vijf personen die instromen in de flexibele schil, binnen vijf jaar een vaste baan vinden”. Voor mensen met een oproep of uitzendkracht klopt dat grotendeels. Maar volgens het CBS wil minder dan 10% van alle zelfstandigen liever een vaste baan.  Dat zet het woordje ‘slechts’ in een heel ander perspectief.

Maar nog veel belangrijker: deze hele vast/flex vergelijking en discussie daaromheen past helemaal niet bij de context hoe de grootste groep zelfstandigen onderneemt.

Ook rond de Wet DBA wordt met regelmaat maar al te gemakkelijk geroepen dat “de Wet DBA 1 miljoen zzp’ers treft”, terwijl die Wet geen enkel effect heeft op het merendeel van de zelfstandigen (een vergissing die ook De Beer en Verhulp in het boek maken). Simpelweg omdat hun manier van werken op geen enkele manier te vergelijken is met die van een werknemers in loondienst.

Onjuiste interpretatie van cijfers zet beleids- en opiniemakers op een verkeerd spoor. Dat terwijl er genoeg in de wereld van werk genoeg aanleiding is om een – op basis van juiste beelden – scherpe discussie te voeren.

Welke zelfstandigen zitten er dan wel in de ‘flex-schil’           

Wanneer je een vergelijkende studie maakt tussen ‘vast contract’ en ‘flex contract’, dan lijkt me een logisch uitgangspunt dat je daarbij dus alleen werkenden betrekt die – via welke contract vorm dan ook – voor organisaties een alternatief vormen voor iemand met een vast contact.

Dan heb je een zuiver speelveld om discussies te voeren over de (al dan niet ongewenste) effecten van fiscale, contractuele en sociale zekerheid verschillen, zoals De Beer en Verhulp doen.

Van een deel van alle zelfstandigen kan je zeggen dat ze een vorm van flexibele arbeid doen. Ze worden namelijk ingehuurd door organisaties. Vanwege hun specifieke expertise, omdat er behoefte is aan tijdelijke capaciteit of omdat het voor een opdracht/werkgever makkelijker en/of goedkoper is om met een zelfstandige te werken.  De interim professionals uit deze groep krijgen vlekken in hun nek als je ze flexwerkers noemt, maar die gevoeligheid laten we hier maar even buiten beschouwing.

Payrolling ontbreekt dan weer in de studie

Opvallend is ook dat De Beer en Verhulp payrolling, contracting en detachering dan weer niet meenemen in hun vergelijkingen. Terwijl dat nu juist bij uitstek wel vormen van flexibele arbeid zijn. En juist in deze vormen van flexarbeid spelen ook de issues rond concurrentie op voorwaarden ipv kwaliteit, ongewilde contractvormen et cetera die ze zo graag in hun vergelijkende hoofdstukken aan het daglicht willen brengen.

Het argument dat ze zelf geven om deze groepen niet mee te nemen, namelijk dat er geen goede cijfers beschikbaar zijn, komt me wat vreemd over. Ten eerste heb je de cijfers niet nodig voor een kwalitatieve vergelijking op bijvoorbeeld de arbeidsvoorwaarden. Ten tweede zijn die cijfers er weldeglijk (deels bij het CBS, deels bij de branche. Misschien iets minder zuiver, maar het geeft toch aardige indicaties) .

Hoeveel zelfstandigen doen een vorm van flexibele arbeid?

Bepalen hoe groot de groep van zelfstandigen is die een vorm van flexibele arbeid verrichten, dat is nog niet zo eenvoudig. Maar laat ik toch eens een poging doen (waarbij ik meer dan open sta voor suggesties voor andere indelingen en getallen).

De Beer en Verhulp hebben het over 1,35 zelfstandigen in de flexschil.

Daar zitten dus om te beginnen 316.000 zelfstandigen mét personeel in. De kleine zelfstandigen dus, van winkelier tot huisarts, van IT-bureautje met een paar medewerkers in loondienst tot aannemer of boerenbedrijf. Een heel beperkt deel daarvan zal wel eens ingehuurd worden (bijv. interim-managementbureau ), maar dat is m.i. een te verwaarlozen aantal.

Dan hebben we 47.000 meewerkende gezinsleden. Een bijzondere groep. Vaak vrouw en/of kinderen die een aantal uur in de week meewerken in het bedrijf, veelal in de agrarische sector en detailhandel. Een groep die je die je – lijkt me – ook beter uit deze discussie kan houden.

Zo houden we een kleine miljoen zelfstandigen zonder personeel over. In die groep zitten verder 134.000 zzp-ers waarvan een vaste baan de eerste werkkring is en 151.000 zzp’ers die minder van 12 uur per week werken als zelfstandige. Hier in zitten zowel de ‘inactieven’ als de mensen die een baan combineren met startend bedrijfje of webwinkel. Een deel zal – al dan niet gedwongen – als zzp-flexwerker werken naast een vaste baan.  Een heel beperkt deel van deze groep vermoed ik.

Niet onterecht hanteren andere onderzoekers rond zzp’ers liever de definitie van zzp-inkomen als hoofdinkomen. Dat lijkt me ook een zinvolle benadering in deze context. Dan zitten we al op 871.000 in plaats van 1,35 miljoen. (Overigens maakt volgens het IBO-zzp rapport  500.000 zzp’ers gebruik van de zelfstandigenaftrek. Er werken dus 371.000 zzp’ers blijkbaar minder dan 1.225 uur per jaar.)

Maar dan zijn we er nog niet.

Deze groep ‘echte zzp’ers’ valt ook nog eens onder te verdelen in een aantal hoofdgroepen.

Ten eerste zijn er de zzp’ers die het (volledig) moeten hebben van het verkopen van ‘goederen of grondstoffen’ (denk aan winkeliers, marktkooplieden of webwinkels). Een groep die je m.i. toch lastig in de ‘flexibele schil’ kan of mag stoppen. We hebben het dan over 18,9 % van alle zzp’ers, of te wel weer 194.000 die niet in de flexschil thuis horen.

Ondertussen zitten we zo ongeveer op de helft van de oorspronkelijke groep waar De Beer en Verhulp het over hadden.

We houden de groep “zzp’ers eigen arbeid” over.

Zzp’ers eigen arbeid

Eerst een paar algemene karakteristieken over deze groep: dit is de hardst gegroeide groep zelfstandigen de afgelopen 10 jaar, vooral met hoger opgeleiden. Ze zijn gemiddeld wat ouder dan de ‘gewone’ beroepsbevolking (en zeker dan de uitzendkrachten/oproepkrachten). Verreweg het grootste deel doet dit uit vrije wil en niet gedwongen. Verreweg het grootste deel heeft ook geen ambities om personeel in dienst te nemen.

De groep ‘zzp’ers eigen arbeid’ (zoals het CBS ze omschrijft en ook apart registreert tegenwoordig) valt echter weer verder onder te verdelen in drie groepen. Een onderverdeling die in de ‘vast/flex’ discussie relevant is.

  1. Zzp’ers die diensten leveren aan particulieren. Van de huisschilder tot fysiotherapeut. Van de belastingadviseur tot de loodgieter.
  2. Zzp’ers die (korte lopende) diensten leveren aan (zeer veel tot veel gelijktijdige) opdrachtgevers. Van boekhouders tot zelfstandig advocaten, van coaches tot dagvoorzitters.
  3. Zzp’ers die hun kennis en kunde (vaak per uur) ten gelden maken via vaak wat langer lopende opdrachten, meestal voor een aaneengesloten periode (van enkele weken tot enkele jaren), met niet zelden (dus) maar enkele opdrachtgevers per jaar.

(Dan is er nog een kleine groep zzp’ers die met een startup bezig zijn, maar gezien het geringe aantal hou ik die maar even buiten beschouwing.)  

Wanneer we het hebben over de vraag welke zzp’ers flexibele arbeid aanbieden, in de context van een vergelijking tussen werknemers in loondienst en niet-in-loondienst, dan hebben we het dus primair over de zelfstandigen in groep 3. Dat is – terzijde – dan ook de groep waar de Wet DBA impact op kan hebben. Die groep wordt ingehuurd, mogelijk als alternatief voor iemand in loondienst of als alternatief voor iemand met een andere vorm van een flexibel contract.

Je kan zeggen dat de personen in groep 1 en 2 ook (soms) concurreren met ondernemingen met personeel. Maar wanneer je de vergelijking op die manier breder trekt, dan moet je ook MKB en het groot bedrijf meenemen, want ook daar zitten verschillen in rond de thema’s die De Beer en Verhulp beschrijven.

Er zit zeker een (kleine?) overlap tussen deze groepen, zelfstandigen die zowel in de ene groep zitten als de andere. Een bouwvakker die gedurende een wat langere tijd een paar dagen per week via een (onder)aannemer mee bouwt aan een huizenproject van de BAM (groep 3) en daarnaast klussen doet bij particulieren (groep 1). Of de tekstschrijver die twee dagen als zzp’ers op de redactie van een krant werkt (groep 3) en daarnaast losse schrijfopdrachten doet voor veel, wisselende andere opdrachtgevers (groep 2). De zzp-thuiszorg medewerkers die diensten aan particulieren leveren doen dan veelal via bureaus en zitten dus in groep 3.

aantal zzp onderverdeeld

Hoeveel zzp’ers bieden flexibele arbeid?

De hamvraag: hoe groot is die groep 3 dan (inclusief de overlap)? Deze onderverdeling wordt niet door het CBS gemaakt, dus heel hard zijn deze cijfers niet te maken. We moeten het hebben van wat afgeleiden en andere cijfers.

De groep zzp’ers die flexibele arbeid levert in de context van deze vast-flex discussie, kenmerkt zich doordat ze een beperkt aantal opdrachtgevers hebben en het gros van hun omzet behalen met een opdrachtgever.

Daarbij kan je ook met enige zekerheid stellen dat deze groep zzp’ers haast wel een VAR-WUO of VAR-dga gehad moet hebben (waarbij er ook best wat zzp’ers waren die wel een VAR hadden maar die eigenlijk niet nodig hadden). Die was immers bedoeld voor zelfstandigen waarvan er mogelijk een twijfel was of er nu wel of geen dienstverband is.

Volgens de Zelfstandigen Enquête Arbeid 2015 had 18,6% van alle zzp’ers eigen arbeid 1 tot 3 opdrachtgevers per jaar (=130.000 zzp’ers). 46,7% minder dan 10 opdrachtgevers (=327.000). 21,3% van de zzp’ers eigen arbeid haalt meer dan 60% van zijn/haar omzet bij één opdrachtgever (typerend voor zzp’er flexibele arbeid), dus 150.000.

Het CBS stelde een jaar geleden dan 20,4 van alle zzp’ers (alle types, dus ook zzp’ers als bijberoep) een VAR WUO had (plus naar schatting maximaal nog zo’n 40.000 VARdga). Zo kom je (ruim genomen) op een maximum van zo’n 360.000 zelfstandigen die – mogelijk en deels af en toe  – een vorm van werk verrichten die je als ‘flexibele arbeid’ kan bestempelen.

Blijft lastig precies te bepalen, maar die groep 3 die is dus zo ergens tussen de 150.000 (ondergrens) en 350.000 (bovengrens) mensen groot.

Lariekoek?

De studie van De Beer en Verhulp is nuttig voor de discussie over ‘vast & flex’. Dat is zeker geen lariekoek. Dat de heren geen fan zijn van flexibele arbeid is bekend. Net als dat met name Verhulp zich graag uitlaat in termen als ‘we creëren een nieuwe onderklasse’ als het gaat om zelfstandigen.  Dat mogen ze wat mij betreft vinden.

Wat ik lariekoek vond is hoe eenvoudig zij (en ook anderen) alle zelfstandigen neerzetten als mensen met een ‘flexibel dienstverband’.

Hoeveel zelfstandigen er in de flexschil zitten, is lastig te bepalen. Ze daarom allemaal maar meenemen, zoals De Beer en Verhulp lariekoek te noemen, dat was misschien niet zo heel respectvol. Toch blijf ik van mening dat ze er al snel een miljoen naast zitten. En dat is toch wel wat veel.

Maar de belangrijkste boodschap is dat er  – zeker richting de beleidsmakers en beslissers in Den Haag – een noodzaak is om tot scherpere definities te komen en betere cijfers. Zonder dat kan je geen gericht beleid maken en al helemaal niet dat beleid toetsen.

(alle genoemde cijfers komen uit het boek van De Beer/Verhulp zelf of direct bij de bron: het CBS [statline of de Zelfstandigen Enquete Arbeid 2015]) 

Hugo-Jan Ruts

Over Hugo-Jan Ruts

Hugo-Jan Ruts is ‘editor-in-chief’ en uitgever van ZiPconomy.

Bekijk meer artikelen van Hugo-Jan Ruts >

Reacties

  1. Hi Hugo-Jan, zoals je weet ben ik ook niet vies van een krachtig woord op z’n tijd, maar in dit geval is ‘lariekoek’ nog zwak uitgedrukt. Wat een stelletje gemakzuchtige ‘wetenschappers’, op zoek naar een graantje dat kan worden meegepikt in de hele discussie. We zullen maar hopen dat er geen enkele beleidsmaker is die hier serieus iets mee gaat doen.

    En hulde voor je ‘infographic’, die maakt meer inzichtelijk dan al die beleidsnota’s bij elkaar.

  2. Hugo-Jan, heel mooie en zinvolle nadere concretisering van de zelfstandigen/flex-discussie. Je uitgangspunt – alternatief voor iemand met een vast contract – is helder, maar het blijft moeilijk om scherpe grenzen te trekken met o.a. detachering, consultancy en dienstverlening. Terecht dat jij ook wijst op het overgrote aandeel dat zzp’t uit vrije wil. Aan de hand van jouw ramingen was de flexschil in 2016 dan niet 34% maar 26% groot – een stevig verschil! Omdat ik verwacht dat een deel van jouw groep 5 (b2b, korte opdrachten, veel opdrachtgevers) ‘gewoon’ in de flexschil zit, zouden we nog een goede uitsplitsing van je groepen 4 en 5 moeten vinden, en vermoedelijk een 5a (niet in de flexschil) en 5b (wel). En (samen met het CBS?) je raming van je groep 6 harder maken.

    • Wim,

      1. Eens dat het lastig is om scherpe grenzen te trekken. Consultancy – net als outsourcing – is ook een vorm van flexibel organiseren. Die vormen van dienstverlening zou je er bij kunnen betrekken, als je echt alle vormen wil vergelijken ikv vergelijking van voorwaarden en omstandigheden.
      2. Je opmerking over groep 5: deel is zeker flexibel organiseren van werk. Vraag is wel of de keuze van opdrachtgever hier erg bepaald wordt door juridische omstandigheden of kostenvoordeel door ander sociale voorzieningen, zoals de auteurs inzichtelijk proberen te maken. Denk dat het bij deze groep in aanleg toch primiair gaan om hun kennis.
      3. In verlengde daarvan zou je ook groep 6 kunnen uitsplitsen in groep die daadwerkelijk wordt ingehuurd met als motief kosten/minder regels en groep die wordt ingehuurd voor expertise (duurder). Dan wordt de flexschil nog wat kleiner.
      4. Goed plan om met CBS en anderen (KvK?) proberen om raming harder te krijgen.

  3. Hugo-Jan:hulde en niets dan lof voor deze uitstekende analyse. Deze analyse zou voor de politiek in het algemeen, en voor de politici die thans aan het formeren zijn in het bijzonder, een nuttig instrument kunnen zijn om een helder standpunt én beleid te vormen. Op de vraag wie nu over alle gevraagde cijfers en gegevens beschikt is er m.i. maar één instantie: de belastingdienst. Het merkwaardige én verbijsterende is, dat de belastingdienst niet in staat is de benodigde cijfers te integreren en te aggregeren. En kennelijk vind ook niemand dat nodig of wenselijk dat de belastingdienst deze gegevens aanlevert. Onbewust houden we blijkbaar rekening met het feit dat deze organisatie al jaren (decennia?) worstelt met haar eigen organisatie, terwijl zij over een schat aan gegevens beschikt. Je aangifte staat voor 90% al klaar, zo slecht is de informatievoorziening van en voor de belastingdienst kennelijk niet. Uit de gegevens van de belastingdienst zou bijvoorbeeld kunnen blijken dat circa driehonderdduizend (schatting) mensen die nu als ondernemer staan ingeschreven in het handelsregister, een inkomen hebben beneden bijstandsniveau, maar geen bijstand aanvragen om uiteenlopende redenen. Het zou een heel ander licht doen schijnen op onze ‘officiële’ statistieken.
    Dus ik pleit ervoor om een zwaargewicht op de belastingdienst te zetten. Jeroen Dijsselbloem?

    • Ach, wat is vast…..
      met een vast contract heb je een minimum zekerheid ter grootte van je opzeg termijn, 1 maand.
      Met een contract voor bepaalde tijd (bv 1 jaar) heb je tenminste zekerheid voor dat jaar.

      Alleen tillen banken er voor een hypotheek nog altijd erg zwaar aan. Onterecht in mijn ogen, want iemand die na een vast dienstverband van bv 20 jaar ontslagen wordt, komt vaak veel moeilijker weer aan de bak dan iemand die gewent is om altijd met korte contracten te werken en zijn netwerk al op orde heeft.

  4. Rest de vraag waarom het voor de politiek toch zo ingewikkeld is. Nmm volg je een glasheldere redenering; daar heb ik er nog niet veel op kunnen betrappen in deze discussie. Dank weer!