Hybride organiseren. Deel 2: wat is de theoretische grondslag?

Hybride organiseren is een kruising tussen zelf doen en uitbesteden. In een vierluik diept Paul Bessems dit onderwerp uit. In dit deel 2 de theoretische grondslag.

Dit is deel 2 in de reeks over hybride organiseren. Hybride organiseren is een kruising tussen zelf doen en uitbesteden. Het is organiseren met een nieuwe eenheid van analyse en ontwerp.

Bij zelf doen is dat het bedrijf, bij uitbesteden is dat de markttransactie. Bij hybride organiseren is organiserend vermogen de eenheid van analyse en ontwerp. In het eerste deel kwam het ‘waarom’ aan bod. In dit deel de vraag: wat is de theoretische grondslag voor hybride organiseren?

2_tip of icebergEn de twee zullen elkaar nooit ontmoeten…

Ik heb het vermoeden dat het onvoldoende productiever worden van kenniswerkers wel eens te maken zou kunnen hebben met de volgende uitspraak van Nobelprijswinnaar Oliver Williamson. Williamson beschrijft het in zijn boek ‘Markets and Hierarchies’, als volgt: ‘The study of economic organization commonly proceeds as though market and administrative modes of organization were disjunct. Market organi­zation is the province of economists. Inter­nal organization is the concern of organization theory specialist. And never the twain shall meet’.

Op dit moment doe ik een promotieonderzoek dat vooral de ‘never’, in deze quote wil uitdagen. Er is waarschijnlijk wel een derde weg, een kruising tussen zelf doen en uitbesteden, een samenwerking tussen sociologen en economen, mogelijk.

Werk en werkorganisatie moeten passen

De reden dat kenniswerkers nauwelijks productiever worden zou dus wel eens te maken kunnen hebben met de manier waarop we hun werk organiseren: traditioneel via zelf doen (bedrijf, bekeken door de bril van sociologen), of uitbesteden (markt, bekeken door de bril van economen). Werk en werkorganisatie moeten bij elkaar passen en de vraag is of dit nog steeds zo is? We zien dat steeds meer organisaties hun strategie, structuur en cultuur aanpassen aan de zogenaamde ‘netwerkeconomie’. De vraag is welke theoretische grondslagen uit de organisatieleer hiervoor gebruikt kunnen worden. Wat is de context waarbinnen dit plaatsvindt, wat zijn de fundamenten en drijfveren en hoe zien nieuwe organisaties eruit met betrekking tot hun constellatie van strategie, structuur en cultuur? Het lijkt alsof steeds meer bedrijven slim willen samen werken met hun omgeving, maar onze kennis van samenwerkingsverbanden is vooral gebaseerd op onze kennis hoe bedrijven en markten functioneren en samenwerken. We hebben nauwelijks kennis van een kruising tussen beide provincies, zoals Williamson het noemt.

Schaalbaarheid versus flexibiliteit

Traditioneel organiseren we ons werk dus via het bedrijf of de markt. Het bedrijf is meestal schaalbaar, maar minder flexibel en de markt is flexibel, maar vaak minder schaalbaar. In de context van de 21e eeuw hebben we behoefte aan hybride organisatievormen die én schaalbaar, én flexibel zijn. Wat zijn de fundamenten van deze hybride vormen, hoe zien ze eruit en hoe werken ze? Om deze vragen te beantwoorden kunnen we ook kijken naar de manier waarop de natuur ‘zich’ organiseert. Het blijkt namelijk dat zowel natuurlijke organisaties (zoogdieren), als woonorganisaties (steden), als werkorganisaties (bedrijven), vergelijkbare patronen volgen. De reden is eenvoudig: het draait om mensen en mensinteracties. We zien een stad als een verzameling wegen en gebouwen, een bedrijf als een gebouw met werkplekken, maar uiteindelijk gaat het om de mensen en de verbindingen daartussen.

De twee fundamentele drijfveren voor organisaties (zoogdier, werk- en woonorganisatie) zijn: schaalbaarheid (economy of scales) en flexibiliteit (aanpassingsvermogen). Deze drijfveren zijn vaak antagonisten: schaalbaarheid gaat vaak ten koste van flexibiliteit en flexibiliteit gaat vaak ten koste van schaalbaarheid. Tot nu toe organiseerden we ons werk via zelf doen (het bedrijf) of uitbesteden (de markt). Bedrijven zijn meestal schaalbaar, maar minder flexibel en de markten zijn meestal flexibel, maar vaak minder schaalbaar. Traditioneel wordt het bedrijf bestudeerd door sociologen en de markt door economen. Hierdoor zien we traditioneel ook een ‘tweesplitsing’, in de manier waarop we naar organiseren en organisatie kijken. We kijken door de ‘dichtbij bril’ van de socioloog (bedrijf) of de ‘‘veraf bril’ van de econoom (markt). We hebben behoefte aan een multifocale bril.

Grofweg hebben we dus twee stromingen uit de organisatieleer waarmee we het organiseren van werk kunnen beschouwen, ontwerpen en verklaren. De theorie die ik voor mijn promotieonderzoek gebruik is dan ook te onderscheiden (niet te scheiden) in twee groepen: de klassieke organisatietheorie en neo-institutionele theorie.

 (Klassieke) organisatietheorie

Deze theorie kijkt vooral door de sociologenbril en neemt het bedrijf of de hiërarchie als eenheid van denken, analyse en ontwerp. Exponenten van deze theorie zijn bijvoorbeeld Max Weber en Frederick Taylor. Binnen deze theorie zullen vooral de volgende deelterreinen belangrijk zijn voor hybride organiseren:

  1. Klassieke, mechanische, middelen- of structuurlijn lijn. Exponenten van deze theorie zijn bijvoorbeeld Weber en Michels.
  2. Neoklassieke, organische, mens- of cultuurlijn (zie bijvoorbeeld de Hawthorne onderzoeken).
  3. Contingency theorie gaat er van uit dat er geen ‘beste’ manier van organiseren is, maar dat dit afhangt van de intern en externe situatie. Deze theorie gaat ervan dat er een fit nodig is tussen omgeving en organisatie, waaronder zelforganiserend vermogen waarmee bedoeld wordt dat ook geprobeerd wordt de omgeving aan te passen aan de omgeving. Exponenten van deze theorie zijn bijvoorbeeld Joan Woodward, Lawrence en Lorsch, en Gareth Morgan.

Neo-institutionele theorie

Deze theorie kijkt vooral door de economenbril en neem de markttransactie als eenheid van denken, analyse en ontwerp. Ze zien een bedrijf als marktfalen, ontstaan onder marktdruk van efficiënte bedrijven, als hulpmiddel om de span of control te verbeteren. Er zijn grofweg twee marktgerichte benaderingen welke proberen te verklaren waarom bedrijven (voort)bestaan:

  1. Alfred Chandler benadert het vanuit de markt en benadrukt dat bedrijven een efficiënt antwoord zijn op druk vanuit de markt om steeds goedkoper en daardoor efficiënter te werken.
  2. Oliver Williamson benadert het vanuit het bedrijf en benadrukt het concept van de transactiekosten van Ronald Coase. Deze theorie stelt dat bedrijven een gevolg zijn van marktfalen of te hoge transactiekosten. Ze zien een bedrijf als nexus van contracten die als voordeel hebben dat een bedrijf niet elke keer een markttransactie hoeft uit te voeren met transactiekosten als gevolg. Binnen deze theorie zal ik vooral de volgende deelterreinen bestuderen:
      • transaction costs
      • principal-agent
      • property right

Hybride organiseren is een kruising tussen deze twee visies op organiseren: de klassieke organisatietheorie en neo-institutionele theorie

In het volgende deel zal ik ingaan op concrete toepassingen van hybride organiseren: wat kun je ermee?

Paul is ondernemer, adviseur en (co-)auteur van negen managementboeken. Hij heeft ruim 25 jaar ervaring met het ontwerpen en ontwikkelen van fundamenteel nieuwe organisatievormen zoals blockchain organiseren. Hij adviseert organisaties die blockchain organiseren willen toepassen. Paul is ook CEO van Weconet Blockchain Technologies, een bedrijf dat nieuwe technologie vertaalt naar concrete toepassingen ook voor het HR-domein. Weconet zorgt ervoor dat organisaties klaar zijn voor de nieuwe en veel strengere Europese privacywet (GDPR), dat ze productiever worden en dat ze minder afhankelijk worden van grote, vooral Amerikaanse techbedrijven. Bekijk alle berichten van Paul Bessems

Eén reactie op dit bericht