"Exploring the future of work & the freelance economy"
SLUIT MENU

Nieuwe Kamerleden willen zzp-wet splitsen: wel rechtsvermoeden onder een uurtarief, geen inbeddingscriterium

Nieuw Sociaal Contract, SGP en VVD hebben een duidelijk idee over nieuwe regels over inhuur van zzp’ers. Demissionair minister Karien van Gennip (Sociale Zaken) is nog niet overtuigd en werkt haar originele wetsvoorstel verder uit.

Tweede Kamerleden in de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) zijn het eens: ze willen schijnzelfstandigheid bij kwetsbare werkenden zo gauw mogelijk aanpakken. Dat bleek donderdag tijdens het eerste commissiedebat Arbeidsmarktbeleid in de nieuwe samenstelling sinds de Tweede Kamerverkiezingen.

Om snel iets te doen tegen verkapt werknemerschap bij laagbetaalde werknemers willen Nieuw Sociaal Contract, SGP en VVD een rechtsvermoeden van werknemerschap instellen onder een bepaald uurtarief. Om dat voor elkaar te krijgen, moet de minister vernieuwing van de criteria om te werken als zzp’er voorlopig laten zitten. Oftewel: zij moet haar conceptwetsvoorstel Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelatie en Rechtsvermoeden (Wet VBAR) in twee delen splitsen. 

Enthousiasme over een rechtsvermoeden

Zo zit dat: een rechtsvermoeden van werknemerschap is al onderdeel van de conceptwet VBAR. In dit wetsvoorstel van minister Karien van Gennip (SZW) staat onder andere dat zzp’ers die onder een uurtarief van 32,24 euro werken, direct gelijk krijgen van de rechter als zij vinden dat ze recht hebben op een dienstverband.

Kamerleden zijn enthousiast over deze nieuwe regel, een uitwerking van het advies van de Sociaal Economische Raad (SER). De wet zal werkgevers huiverig maken zzp’ers in te huren voor lage tarieven. De wet geeft economisch kwetsbare werkenden in één keer flink meer onderhandelingsmacht. Ook zullen werkgevers problemen willen voorkomen met hogere uurtarieven. En met meer inkomsten kunnen zzp’ers zelf hun sociale zekerheid organiseren.

Massale weerstand tegen deel twee

Politici vinden dit een goed idee, maar toch is de kans klein dat de Wet VBAR snel wordt aangenomen. Dat komt omdat het rechtsvermoeden slechts een onderdeel is van het geheel. De Wet VBAR bestaat uit twee nieuwe regels en er is heel veel kritiek op de tweede. Samengevat: in deel twee staan vernieuwde criteria voor inhuur en die maken het een stuk moeilijker om te werken als zzp’er. Ook voor zelfstandigen met goede onderhandelingsposities en tarieven.

Tijdens de internetconsultatie over het voorstel bleek dat zzp’ers, opdrachtgevers en bemiddelaars er massaal tegen zijn. Ook politici zijn tegen, behalve het CDA is eigenlijk niemand enthousiast. De PvdA/GroenLinks vindt dit deel van de wet niet streng genoeg, VVD, SGP en Nieuw Sociaal Contract zien het helemaal niet zitten.

Maar als het huidige wetsvoorstel geen politieke steun krijgt, betekent dat vertraging van zzp-wetgeving van minimaal drie jaar. Dat wil niemand. De oplossing: splits de wet in tweeën. Hoe dat werkt schreef ZiPconomy-hoofdredacteur Hugo-Jan Ruts begin deze week al. Ook Sem Overduin van Bovib (de branchevereniging voor intermediairs) benoemde het in de podcast ZiPTalk

Van Gennip wil niet splitsen

De minister moet vaart maken, want het handhavingsmoratorium op schijnzelfstandigheid verloopt op 1 januari 2025. De VVD zei eerder dat nieuwe regels een voorwaarde zijn voor de opheffing van die pauze op boetes en controles van de fiscus. Ook uit onderzoek van de Algemene Rekenkamer blijkt dat de Belastingdienst eerst meer duidelijkheid nodig heeft, voordat de inspecteurs effectief kunnen handhaven.

Maar de minister bleek niet enthousiast over het plan om haar wet te splitsen. “Ik werk gewoon het wetsvoorstel verder uit, er komt een volgende versie en daar kunnen we dan over verder praten”, zei Van Gennip tijdens het commissiedebat.

“De wet moet uitvoerbaar en haalbaar zijn. Daar zullen we dus nog veel over spreken. De criteria in het wetsvoorstel zijn bovendien niet nieuw, we maken ze alleen duidelijker. Zo komt ‘inbedding in de organisatie’ al sinds 1978 voor in jurisprudentie.” 

Uitbreiding van de plannen

De nieuwe zzp-wetgeving is een onderdeel van een groot pakket maatregelen om de arbeidsmarkt te hervormen. Tjebbe van Oostenbruggen (Nieuw Sociaal Contract) maakte aan het begin van het commissiedebat direct duidelijk hoe hij denkt over het hervormingsplan. Volgens hem gaan de plannen niet snel en ver genoeg: “Ik wil nog meer maatregelen uit het rapport van Borstlap invoeren om de arbeidsmarkt in balans te brengen. Ik wil de plannen aanscherpen en uitbreiden, met bijvoorbeeld een persoonlijk ontwikkelbudget en een verbod op een concurrentiebeding onder bepaald salaris.”

Ook Mariëtte Patijn (PvdA/GroenLinks) vindt dat de plannen niet ver genoeg gaan, maar haar partij heeft een heel andere visie. PvdA/GroenLinks wil hogere lonen en minder flexcontracten. Patijn: “Het percentage vaste contracten in Nederland moet omhoog. Nu heeft 55% een direct dienstverband met zijn werkgever, dat moet naar 85%.”

Stand van zaken aov voor zelfstandigen en uitzendwet

Bijna alle Kamerleden benadrukken dat ze vaart willen blijven maken met de hervormingen. Ze vroegen de minister naar de stand van zaken, onder andere over de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering (aov) voor zelfstandigen en de nieuwe regelgeving voor uitzenders en detacheerders, de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wet TTA).

Zoals eerder aangekondigd is minister Van Gennip nu bezig met een conceptwetsvoorstel voor een verplichte aov voor zelfstandigen met een private opt-out. Dat betekent dat zelfstandigen ook een eigen, gelijkwaardige aov mogen afsluiten. Hoe dat precies gaat werken, is nog niet duidelijk.

Lees ook: Opt-out bij aov voor zelfstandigen is voor VVD ‘essentieel’

Ook meer regulering van de uitzendsector heeft haast, vindt de minister. Volgens haar is het nog steeds mogelijk om de wet TTA op 1 januari 2026 in te laten gaan. “Misstanden aanpakken in de uitzendsector is belangrijk. Dat vinden ook uitzendorganisaties zoals de NBBU en de ABU”, zei ze. “De arbeidsinspectie krijgt daarbij 90 FTE extra voor handhaving. Zij gaan nu al aan de slag.”

Van Gennip benadrukt dat ze de maatregelen ‘zo snel mogelijk’ wil invoeren. “Ik zie het als mijn taak en verantwoordelijkheid om het arbeidsmarktpakket zo ver mogelijk uit te werken en te behandelen”, zei de minister.

 

Meer weten? 

Volg op 6 februari (11.15 uur) het gratis webinar van de NBBU over het toelatingsstelsel tijdens de WebinarWeek. Inschrijven kan hier https://www.wbnrs.live/webinarweek/   

Alles weten over wat die Wet TTA (toelatingsstelsel) betekent voor inleners? Kijk dan naar de sessie met Patrick Tom op 8 februari (13:30 uur) en stel hem al je vragen. Inschrijven kan hier https://www.wbnrs.live/webinarweek/  

2 reacties op dit bericht

  1. Prima zo…
    En van Gennip wil niet splitsen…..ook prima…..haar positie en visie opnzaken is van nul en generlei waarde…..

  2. Waar ik toch op wil wijzen is de volgende kamer vraag die destijds gesteld is en het antwoord namens Eric Wiebes op deze vraag Het komt erop neer dat indien blijkt dat een zzp-er toch in loondienst werkt dat deze zelf de niet afgedragen loonheffingen moet terug storten aan de inlener. De inlener moet op haar beurt dan alsnog sociale lasten en pensioen premie betalen. Indien een zzp-er dus automatisch een dienstbetrekking kan claimen indien een tarief gehanteerd wordt dat lager is dan 32,24 dan moet deze zzp-er zich wel realiseren dat de eerder niet ingehouden loonheffing alsnog eerst moet worden terug gestort aan de inlener (werkgever). Ik voorzie hierin een probleem aangezien ik vrees dat velen hiervoor geen beschikbare reserves hebben.

    Wat is uw mening inzake het feit dat de Belastingdienst
    modelovereenkomsten goedkeurt waarin is opgenomen dat
    werkgeversverzekeringen verhaald mogen worden op zzp’ers?

    Verhaalsbepalingen in overeenkomsten zijn niet relevant voor de fiscale duiding en
    beoordeling van een arbeidsrelatie. Om die reden zijn verhaalsbepalingen in de op de site
    van de Belastingdienst3 aangeboden modelovereenkomsten weggelaten. Hoewel dus niet
    relevant voor de fiscale duiding, ongebruikelijk zijn deze bepalingen niet. Als achteraf
    blijkt dat een arbeidsrelatie toch een dienstbetrekking is (geweest) en een opdrachtgever
    met betrekking tot die arbeidsrelatie te maken krijgt met een naheffing van loonheffingen,
    is het verhalen door de opdrachtgever op de opdrachtnemer van de nageheven
    loonbelasting en premie volksverzekeringen gebruikelijk. Dit deel van de heffingen dient
    immers door de werknemer te worden gedragen. Zolang een opdrachtgever/werkgever
    alleen de verschuldigde loonbelasting en premies volksverzekeringen verhaalt, handelt hij
    dus conform de wet. De opdrachtnemer/werknemer kan de op hem verhaalde premie
    volksverzekeringen en loonbelasting als voorheffing vervolgens verrekenen met de door
    hem in de inkomstenbelasting over zijn totale inkomen verschuldigde inkomensheffing.
    Voor de premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage
    Zorgverzekeringswet geldt een verhaalsverbod. Die heffingen worden immers door de
    werkgever gedragen. Een bepaling over het verhalen van deze premie of deze bijdrage op
    de werknemer, die wettelijk niet is toegestaan, is in zijn geheel nietig en converteert niet
    in een geldige bepaling. Hiermee is sprake van de bedoelde gedeelde
    verantwoordelijkheid voor de arbeidsrelatie, waarbij ieder de «eigen» lasten draagt.