De gevolgen van het arrest X/Gemeente Amsterdam voor de inhuur van zzp’ers

De Hoge Raad deed in november 2020 uitspraak in de zaak X/Gemeente Amsterdam. Al langer is er onduidelijkheid over het juridische verschil tussen werknemerschap en zelfstandig ondernemerschap. Advocaat Joyce Snijder legt uit welke gevolgen het arrest van de Hoge Raad heeft voor opdrachtgevers en bemiddelaars.

De Hoge Raad oordeelde in het arrest X/Gemeente Amsterdam dat de bedoeling van partijen geen rol speelt bij de kwalificatie van de arbeidsovereenkomst. Bemiddelaars en opdrachtgevers vreesden dat het arrest tot gevolg had dat veel zzp’ers aangemerkt zouden worden als schijnzelfstandigen. Is deze vrees terecht?

De wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst

De omschrijving van de arbeidsovereenkomst is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 7:610 BW omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.

Partijbedoeling niet langer relevant

De Hoge Raad besliste in de zaak X/Gemeente Amsterdam dat een overeenkomst wordt aangemerkt als een arbeidsovereenkomst indien de inhoud van de overeenkomst voldoet aan deze wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst.

Daarbij overwoog de Hoge Raad uitdrukkelijk dat – anders dan uit het arrest Groen/Schoevers wel is afgeleid – de bedoeling van partijen geen rol speelt bij de vraag of de overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst.

Afscheid van Groen/Schoevers

Naar aanleiding van het arrest Groen/Schoevers uit 1997 gingen wij er steeds vanuit dat de partijbedoeling wel relevant is bij de beoordeling of een overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. In het arrest Groen/Schoevers stond de vraag centraal of tussen de heer Groen en Schoevers sprake was van een arbeidsovereenkomst. De Hoge Raad oordeelde dat deze vraag beoordeeld moest worden aan de hand van feiten en omstandigheden van het geval. Daarbij was doorslaggevend of de partijen een arbeidsovereenkomst hadden beoogd. Dat de heer Groen en Schoevers niet de bedoeling hadden een arbeidsovereenkomst aan te gaan, werd door de Hoge Raad als cruciaal gezien bij de vraag of tussen hen een arbeidsovereenkomst bestond.

Partijbedoeling wel relevant bij uitleg rechten en plichten

In het arrest X/Gemeente Amsterdam besliste de Hoge Raad dus dat de bedoeling van partijen niet relevant meer is bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Toch betekent het arrest X/Gemeente Amsterdam niet dat de partijbedoeling helemaal niet meer relevant is.

De Hoge Raad heeft uitgelegd dat eerst aan de hand van de Haviltex-maatstaf moet worden bekeken welke rechten en plichten partijen zijn overeengekomen. De vraag is of aan alle elementen van de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst is voldaan: 1) arbeid, 2) loon, 3) gedurende een zekere tijd, en 4) gezag. De Haviltex-maatstaf houdt namelijk in dat bij de uitleg van een overeenkomst niet alleen gekeken wordt naar de taalkundige betekenis van de tekst, maar naar de betekenis die partijen aan die tekst toekennen, gelet op de gegeven omstandigheden van het geval en op basis van wat zij van elkaar mochten verwachten. De manier waarop de overeenkomst is uitgevoerd, is daarbij relevant. In deze beoordeling is de partijbedoeling wel degelijk belangrijk.

Gevolgen voor opdrachtgevers en bemiddelaars

Zie ik het goed, dan hebben opdrachtgevers en bemiddelaars niets te vrezen van de uitspraak in de zaak X/Gemeente Amsterdam. Een zzp’er zal zijn werkzaamheden doorgaans naar eigen inzicht en zonder toezicht of leiding van zijn opdrachtgever uitvoeren. Wanneer de gezagsrelatie niet alleen op papier, maar ook bij de feitelijke uitvoering van de opdracht ontbreekt, kan de overeenkomst niet als een arbeidsovereenkomst worden aangemerkt. Zonder gezagsrelatie wordt de zzp’er niet aangemerkt als schijnzelfstandige.

In de tijd voor X/Gemeente Amsterdam benoemden we steeds dat partijen niet de intentie hadden een arbeidsovereenkomst met elkaar aan te gaan en welke feiten en omstandigheden dit toonden.

Na X/Gemeente Amsterdam zullen we moeten benoemen dat partijen niet de intentie hebben een gezagsrelatie te laten ontstaan en welke feiten en omstandigheden aantonen dat de gezagsrelatie ontbreekt. Wanneer de gezagsrelatie ontbreekt, kan de overeenkomst immers niet kwalificeren als een arbeidsovereenkomst.

Tijd om de modelovereenkomst aan te passen

De volgende verplichte overweging in de ‘Algemene modelovereenkomst geen werkgeversgezag’ is achterhaald:

“Overwegende dat: partijen uitdrukkelijk niet beogen om een arbeidsovereenkomst aan te gaan in de zin van artikel 7:610 e.v. BW.”

Partijen doen er goed aan deze verplichte overweging te vervangen door de volgende:

“Overwegende dat: Partijen uitdrukkelijk niet beogen om een gezagsverhouding tussen hen te laten ontstaan als bedoeld in artikel 7:610 e.v. BW.”

De Belastingdienst zou hierin het voortouw moeten nemen door de modelovereenkomst aan te passen. Het is in de huidige modelovereenkomst immers een gele, verplichte bepaling die niet aangepast mag worden.

Meer weten?

Joyce Snijders verzorgt tijdens de WebinarWeek op dinsdag 9 februari om 13.30 uur het (gratis) webinar ‘Flexibele arbeidsrelaties; terug- en vooruitblikken rechtspraak 2020 en 2021‘. Daarin komt ook dit arrest en de gevolgen voor opdrachtgevers en bemiddelaars uitvoerig aan bod.  

Joyce Snijder werkt als advocaat bij Wijn & Stael en is gespecialiseerd in arbeidsrecht. Ze treedt op voor ondernemingen, bestuurders en professionals. Joyce is dé expert als het gaat om flexibele arbeidsrelaties. Ze adviseert (grote) flexspelers o.a. over de inrichting van hun bedrijfsmodel en over de contractdocumentatie bij het in-en uitlenen van flexibele arbeidskrachten en zzp’ers. Legal 500 beveelt Joyce aan voor haar specifieke kennis en kunde op het gebied van flexibele arbeidsrelaties. In 2020 werd zij als rising star vermeld met de quote: “Joyce Snijder really stands out on her knowledge on labour law in the flex-market (contingent workforce).” Bekijk alle berichten van Joyce Snijder

Eén reactie op dit bericht

  1. Beste Joyce,

    Interessante lezing! Maar wat is de waarde van het opschrijven dat je nadrukkelijk niet beoogt een gezagsverhouding te laten ontstaan? Dat is toch logisch?

    Of je het nou opschrijft of niet, een rechter zal toch gaan beoordelen hoe de feitelijke werkrelatie was? Als er geoordeeld wordt dat er een gezagsverhouding bestaat, had je het net zo goed niet op hoeven schrijven (behalve dan om de aandacht af te leiden) en als er geen gezagsverhouding zou zijn, hoef je het ook niet op te schrijven.

    Vriendelijke groeten,

    Kees

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *