arbeidsrecht borstlap

Hoe de oproep om los van de contractvorm te denken toch weer uitmondde in een discussie over…. de contractvorm

Na veel pogingen om pleisters te plakken op de manier waarop arbeid in Nederland is georganiseerd, gaan er de laatste tijd veel stemmen op voor een rigoureuze systeemverandering. Het is opvallend dat deze roep niet alleen vanuit één stakeholder, maar vanuit alle hoeken komt. Het roer moet om. Er is consensus dat het anders moet, nu nog consensus over de oplossing en maatregelen. Een rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en van de Commissie Regulering van Werk zouden richting moeten geven aan het debat. En dat debat, dat kwam er.

In het op 15 Januari gepresenteerde WRR-onderzoek ‘Het betere werk, de nieuwe maatschappelijke opdracht’ ligt de focus op de kwaliteit van werk voor iedereen en hoe de werkende grip op geld, werk en leven terug kan krijgen. Met 9 adviespunten komt de conclusie van het rapport op het volgende neer: ‘Maak de contractvorm niet leidend en spil in concurrentie op arbeidsvoorwaarden, maar ontwerp een stelsel met basiszekerheden en flexibiliteit en autonomie voor iedereen met een focus op de kwaliteit in plaats van kwantiteit van werk.’

Een week later op 23 januari presenteerde de Commissie Regulering van Werk, ook wel bekend als de commissie Borstlap, het rapport met als titel: ‘In wat voor land willen wij werken? Naar een nieuw ontwerp voor de regulering van werk.’ Bij de presentatie waarschuwde Hans Borstlap, de voorzitter van de commissie, de verschillende stakeholders in het debat: dit is geen snoepwinkel waar je selectief oplossingen uit moet gaan pikken; het is een balans tussen zure en zoete snoepjes.

De tijd van ingraven in de loopgraven is voorbij: er moet iets gebeuren en dat kan alleen wanneer we dat samen doen. Waar het WRR een interessant meta-perspectief over de ontwikkelingen schetst, was de verwachting dat het rapport van Borstlap, waar veel juristen in de commissie zitten, meer concrete handvatten op zou leveren voor het debat. Die handvatten kwamen er. En het debat ook.

Beschouwing en verwondering

Er is vorige week veel over het rapport gezegd en geschreven. De loopgraven die Borstlap misschien wat naïef had gehoopt te kunnen voorkomen zijn intussen ingenomen en van een constructief debat is wanneer je naar de reacties kijkt nog geen sprake. Nu er zoveel is geschreven en voor veel ingebrachte reacties iets te zeggen valt heb ik lang nagedacht wat mijn bijdrage aan het debat zou zijn. Is alles al gezegd? Kan ik als platform expert iets zeggen over de platform adviezen uit het rapport? Of mijn blik als relatieve outsider in het debat en het proces? Of gooi ik nog wat olie op het vuur met wat eigen ideeën?

Ik heb besloten om het alle drie te doen. Dit doe ik vanuit mijn rol als professional outsider in het debat. Vanuit een beschouwende, verwonderende en vooral ook onafhankelijke rol heb ik de ontwikkelingen gevolgd, ben ik bij beide presentaties aanwezig geweest en heb ik ook daar veel mensen gesproken. Ik ken een groot gedeelte van de spelers, maar ik kan mij vanwege mijn onafhankelijkheid permitteren om niemand te vriend te hoeven houden. En de meeste mensen kunnen ook echt wel wat van mij hebben.

De rol van platformen in de toekomst van werk

De rol van de impact van technologie op (de organisatie van) werk in het Borstlap rapport is beperkt. Platformen hebben met zo’n 1.000 woorden nog het grootste aandeel in het ‘tech’ stuk. Die keuze is ook niet heel verrassend: er is nationaal en internationaal nog veel juridische onduidelijkheid over de rol en impact van platformen op de arbeidsmarkt.

Veel fragmenten roepen eerder vragen op dan dat deze bijdragen aan het debat. In 1.000 woorden kun je niet heel veel zeggen over een ontwikkeling en mijn gevoel na het lezen van het stuk is dat het beter was geweest om minder specifiek op het onderwerp in te gaan. Je zou alleen kunnen vermelden dat platformen transactiekosten en dus drempels verlagen voor werkenden om als ZZP’er aan de slag te gaan en daardoor voor een grote groei van het aantal ZZP’ers zou kunnen zorgen. En dat er veel onderzoeken lopen (zoals van het Ministerie van Financiën over heffing inkomstenbelasting via platformen) en de komende jaren een beter zicht komt op de impact en beleidsopties voor de platformeconomie.

De rol van ‘het contract’

Een van de voorstellen van Borstlap is een basisinkomenszekerheid en verzekering voor alle werkenden, ongeacht de vorm van het contract. Deze stap zou voor platformen een ultieme droom zijn: zij willen nu al graag meer doen voor de werkenden, maar doen dit niet omdat zij bang zijn om als werkgever te worden aangemerkt. Wanneer deze basiszekerheden centraal worden getrokken zou het voor veel mensen opeens een stuk aantrekkelijker kunnen worden om via platformen aan het werk te gaan. Ik denk dat dit ten koste zal gaan van de uitzendmarkt: de transactiekosten voor matching via platformen zijn simpelweg een stuk lager. Dat mensen de flexibiliteit van het werken via een platform waarderen, blijkt uit de volgende post van Pim Graafmans, managing director van ZZP-bemiddelingsplatform YoungOnes.

“2020 is nog jong, maar wij zien nu al een massale overstap van bedrijven en jongeren naar ons platform, mede door de komst van de WAB. In de eerste weken van januari is het aantal nieuwe bedrijven op ons platform met 400% gestegen t.o.v. dezelfde periode vorig jaar. Ook jongeren verlangen naar de flexibiliteit waar de WAB geen ruimte voor biedt.”. Wat dat betreft is de zorg voor een groei van het aantal ZZP’ers door platformen terecht, en is het belangrijk om duidelijkheid te hebben en te handhaven waar nodig.

Mijn blik als relatieve outsider in het debat en het proces

De tendens in de berichtgeving is dat de commissie ervoor kiest dat het werknemerschap de norm moet zijn, tenzij…. Wat opmerkelijk is, aangezien er ook veel aandacht is op zekerheden los van de vorm van het contract. En dan komt er toch opeens een bepaalde vorm van contract die de voorkeur krijgt. Dat is dubbel.

Ik denk dat deze conclusie niet juist is en dat het rapport in de kern een stuk genuanceerder is. In de media, maar ook tijdens de presentatie kwam dit naar mijn mening niet goed uit de verf. De probleemstelling is dat er een groeiende groep flexibele krachten is die in een kwetsbare positie zit, het daardoor groeiende aandeel ZZP’ers een risico is voor het collectieve stelsel en dat werknemers te vast zitten. Daarnaast is het contract voor onbepaalde tijd langzaam maar zeker het vaste contract gaan heten, terwijl de zekerheden er alleen maar minder op zijn geworden. Ik gaf onlangs een presentatie bij een vakbond en begon met de analyse: “Volgens mij vechten jullie tegen schijnzelfstandigheid, terwijl jullie schijnzekerheid promoten”. Dat is volgens mij namelijk de kern van het probleem.

Tijdens de presentatie geeft Hans Borstlap aan dat mensen nu vooral met hun voeten stemmen: als ze binnen een dienstverband niet de autonomie en flexibiliteit krijgen die ze willen, dan nemen ze ontslag en gaan ze als ZZP’er verder. Door de werknemer te faciliteren met bijvoorbeeld een scholingsfonds, zou interne mobiliteit worden gestimuleerd. De zogenaamde interne flex. Hoewel dit een mooie gedachte is, denk ik dat dit in de praktijk niet gaat werken. Met een scholingbudget (waar mensen nu al te weinig gebruik van maken) en wat extra regels verander je geen cultuur binnen organisaties, dat is echt een illusie.

Knuppel in het hoenderhok

Heeft de commissie dan slecht werk geleverd? Ik ben van mening dat dit zeker niet het geval is. Maar misschien is het probleem dat ik schetste over het platformfragment – beter ietsje minder – wel iets dat je over heel het rapport zou kunnen zeggen. Want die basis, daar is iedereen het over eens. Maar over de uitwerking, daar valt iedereen over elkaar heen.

Ik denk dat er in veel gevallen te juridisch en met te-grote-stappen-snel-thuis-oplossingen is gewerkt. Dat is een risico. Doe je het niet, dan blijft het een mooi visionair verhaal waar iedereen vol consensus elkaar aankijkt. Doe je het wel, dan weet je dat je gedoe krijgt. Maar misschien juist door de knuppel in het hoenderhok te gooien krijg je beweging. Al had die knuppel wat mij betreft wat meer mogen uitgaan van de wensen van de werkenden dan van de polder.

Martijn Arets is internationaal platform expert en verkent sinds 2012 de opkomst van de platformeconomie en de impact op de samenleving. Bekijk alle berichten van Martijn Arets

4 reacties op dit bericht

  1. Goede analyse Martijn waar ik het mee eens ben. Ik was ook bij de presentatie van het rapport. Samen met alle media uitingen zette ik heel wat vraagtekens. Dit is zo een complex geheel en systeem dat het lastig zal zijn om voldoende diepgaand alles te omvatten. Desondanks vind ik het een dappere poging om de belangrijkste pijnpunten te noemen. Wel vanuit de polder en handhaving van m.i. een verouderd sociaal stelsel. Jammer dat aan een aantal andere wezenlijke zaken is voorbij gegaan zoals:
    – de nieuwe netwerk economie waar nu eenmaal andere vormen en elementen gelden, waar meer fluïditeit heerst. En waar je m.i. weinig aan kunt doen en tegenhouden. Dat gaat toch wel gebeuren. De arbeidsmarkt is informeel dermate flexibel dat mensen hun weg wel vinden, ook al haal je de formele flexibiliteit er uit.

    – is economische groei wel de norm? Moeten we niet als IJsland, Schotland en Nieuw Zeeland andere waarden een gelijkwaardig meetfactor geven voor de mate van welstand/welzijn? Ik hoor daar steeds meer voorstanders van.

    – veel zelfstandigen hebben voor zelfstandig ondernemerschap gekozen om andere redenen dan de financiële. Ik schat in dat dat de meerderheid is. Het is even genoemd. Het rapport is gaan focussen op zelfstandigen die om financiële reden hiervoor kozen, de zelfstandigen die arbeid als product/dienst leveren voor andere organisaties. Terwijl de meerderheid van de zzp/zp’ers een fysiek product levert of meerdere opdrachtgevers heeft. En wat gebeurt met de zelfstandigen die én werknemer én zp’er zijn? Dit zijn zeer bewust gekozen constructies vanuit betekenisgeving van werk. Op mijn vraag hierover antwoordde dhr. Borstlap met het voorbeeld van de docent die vrijdag uit dienst gaat en maandag wordt ingehuurd als zp’er. Dat mag niet volgens dhr. Borstlap. Maar is dat wel om financiële redenen? Misschien wil die docent niet meer vast zitten aan de school om andere redenen. Misschien wil hij wel keuzes kunnen maken en zelf de regie nemen, zich vrij voelen, ook andere opdrachten aannemen. Als dit de bedoeling is van ‘werknemer tenzij.. ‘ dan worden nog steeds alle andere types zp’ers over het hoofd gezien. En komt er vanwege die docent dan een uniforme regulering voor alle zp’ers?

    – Hoe gaat een uniforme regulering voor álle zelfstandigen werken voor zo een diverse groep. Dé zp’er bestaat niet. Veel uitzonderingen en opt-outs? Dit wordt een draak van een wetgeving met veel bureaucratie en onduidelijkheid. Mijn vermoeden is dat er in de commissie te weinig kennis is over deze belangrijke markt van 1,3 mio mensen.

    • Ja er zijn heel veel zzp’ers die meerdere opdrachtgevers hebben, alhoewel ik het liever klanten zou willen noemen.
      Maar daarnaast zijn er ook die fulltime bij één opdrachtgever hun arbeid uitvoeren en ik denk dat dit er nog best veel zijn.
      Deze laatste categorie wil men nu van af denk ik, wat ook redelijk is.
      Hopelijk worden de plannen nog zo aangepast dat de overige zzp’ers ongestoord hun werk kunnen voortzetten.

    • Dank voor je reactie en je hebt gelijk: iets met het kind met het badwater weggooien. Omdat je geen goede regulering en handhaving hebt om een bepaalde categorie aan te pakken dan maar de hele categorie beperken. Er wordt veel over, maar weinig met mensen gesproken is mijn analyse. Natuurlijk moet regulering worden vereenvoudigd, maar dan wel met de mens ipv de regelgeving centraal.

      En wanneer er behoefte is voor flexibiliteit vanuit de werkenden, dat zal dat inderdaad zijn wel wel vinden. Uiteindelijk gaan dat soort dingen altijd op zoek naar de weg met de minste weerstand. Zo werken steeds meer mensen voor opdrachtgevers in andere landen via online platformen en heb ik overwogen om mijn bedrijf dan maar als e-residence van Estland dan maar in Estland in te schrijven.

  2. Ik lees overal maar dat de wens van de partijen of de mens centraal moet staan. Maar dat is helemaal niet zo natuurlijk. De samenhang en de uitvoerbaarheid van het sociale stelsel staat centraal. We leven niet in een cafetaria stelsel.

    Goed dat de commissie conservatief richting geeft. Het begrip ‘gezag’ zou wat afgezwakt moeten worden en dat is het.

    Wat betreft het gezag. Eigenlijk zou je moeten kijken of de Zzp de opdracht in eigen vestiging zou kunnen uitvoeren. Kan hij/zij dit , maar gebeurt het werk toch bij de klant. Geef dan het het voordeel van de twijfel.

    Zo scheidt je het kaf aardig van het koren. Een ZZP basisschool docent kan niet, die heeft natuurlijk geen eigen school. Een ZZp verpleegkundige kan niet. Een ZZP barman kan niet, tenzij hij een eigen barruimte heeft. Een ZZP timmerman kan, mits hij een eigen timmerwerkplaats heeft.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *