"Exploring the future of work & the freelance economy"

Onderzoek: Kwart zzp’ers is dat uit noodzaak, maakt lagere omzet.

Verreweg het merendeel van de nieuwe zzp’ers zelfstandig wordt vanuit een positieve keuze. Dat blijkt uit onderzoek van Werner Liebregts.

Met de groei van het aantal zzp’ers in Nederland groeit ook de diversiteit in die groep. Daar waar in het verleden zelfstandigen veelal tot de meest kansrijke groepen op de arbeidsmarkt behoorden, is dat beeld niet meer zo eenduidig. Gelukkig is het nog steeds zo dat verreweg het merendeel van de nieuwe zzp’ers zelfstandig wordt vanuit een positieve keuze. Voor een deel zijn het echter ook ‘zzp’ers uit noodzaak’. Mensen die, om verschillende redenen, geen andere keuze zien dan zzp’er te worden. Werner Liebregts deed tijdens zijn stage bij Panteia/EIM en in het kader van zijn masterstudie onderzoek naar eventuele verschillen tussen de ‘opportunity zzp’ers’ en de ‘necessity zzp’ers’. De uitkomsten van zijn onderzoek laten zien dat het aantal uit noodzaak gestarte zzp’ers wel eens hoger kan zijn dan algemeen wordt aangenomen. Tevens laat hij zien dat ze significant minder succesvol zijn dan hun collega’s die vanuit een kans zzp’er zijn geworden. Werner Liebregts hoopt met deze scriptie de ZiPconomy Scriptieprijs 2012 in de wacht te slepen. 


Literatuur

De belangstelling voor zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) is de laatste jaren sterk toegenomen. Dit is voornamelijk het gevolg van de gestage groei die deze groep tussen 2001 en 2009 heeft doorgemaakt, van 2,7 procent tot 4,8 procent van de Nederlandse werkzame beroepsbevolking. Dit komt neer op ongeveer 360.000 zzp’ers in 2009. Andere studies wijzen op een veel groter aantal – tot wel 690.000 zzp’ers in 2009 – maar hierbij gaat men uit van een ruimere definitie, zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het CBS beschouwt een persoon als zzp’er wanneer deze zelfstandig ondernemende activiteiten uitvoert en wanneer deze geen personeel in dienst heeft. De definitie zoals gehanteerd in deze studie stelt enkele aanvullende voorwaarden. Zo moet de persoon in kwestie voornamelijk zijn of haar arbeid aanbieden in plaats van goederen. Het is met name deze voorwaarde die voor een groot deel het genoemde verschil in de aantallen zzp’ers verklaart. Het stellen van deze voorwaarde is relevant omdat de afgebakende groep zzp’ers hiermee sterk lijkt op werknemers, op het ontbreken van een (niet-fictieve) dienstbetrekking na. We richten ons hiermee vooral op de ‘nieuwe’ zzp’ers, welke een belangrijke rol spelen in de beleidsdiscussies over zzp’ers, en niet zozeer op de ‘klassieke’ zzp’ers, die vaak substantiële kapitaalinvesteringen hebben gedaan, zoals de bakker, de slager en de kruidenier.

Het is vanuit beleidsmatig oogpunt interessant om eventuele verschillen in de economische prestaties van zzp’ers te onderzoeken, waarbij er onderscheid wordt gemaakt op basis van het initiële startmotief. Hiertoe introduceerden Reynolds, Camp, Bygrave, Autio en Hay (2002) in de Global Entrepreneurship Monitor (GEM) van 2001 de concepten opportunity entrepreneurs (kansbewuste ondernemers) en necessity entrepreneurs (uit noodzaak gestarte ondernemers). Volgens hen zijn opportunity ondernemers personen die gebruik hebben gemaakt van een unieke marktkans, terwijl necessity ondernemers een onderneming zijn gestart omdat dit toentertijd de beste beschikbare optie op betaald werk was. In feite komt het onderscheid dus neer op de mate van vrijwilligheid waarmee men als ondernemer is gestart. Als blijkt dat een van de twee groepen beter presteert dan de ander, dan kan de efficiëntie van overheidsprogramma’s die ondernemerschap stimuleren (verder) worden verbeterd. Zo kunnen er aanvullende eisen worden gesteld aan factoren die het succes van zzp’ers bepalen.

Sinds het GEM rapport van 2001 is de dichotomie ook in veel andere studies over ondernemerschap toegepast, maar de exacte interpretatie en operationalisatie van de concepten opportunity en necessity ondernemer verschilt per studie. Desondanks kunnen er enkele belangrijke conclusies worden ontleend aan de bestaande literatuur.

  • Ten eerste vormt de groep necessity ondernemers vaak een minderheid. Dit varieert van een kleine zeven procent tot ruim 46 procent, afhankelijk van welke definitie men hanteert.
  • Ten tweede is ongeveer twee derde van de ondernemers van het mannelijke geslacht en dit aandeel verschilt niet of nauwelijks tussen opportunity en necessity types.
  • Ten derde blijken necessity ondernemers significant ouder dan opportunity ondernemers. Dit hangt vermoedelijk samen met het feit dat ouderen in het algemeen moeilijker aan een baan in loondienst kunnen komen.

Met betrekking tot de verklaring van de economische prestaties van opportunity en necessity ondernemers doen Block en Sandner (2009) een beroep op de human capital theory (theorie van het menselijk kapitaal). Deze stelt dat personen met meer kennis of met kennis van hogere kwaliteit beter in staat zijn om productief en efficiënt te zijn. Ze beargumenteren vervolgens dat dit met name opgaat voor opportunity ondernemers, onder meer omdat zij zich naar alle waarschijnlijkheid beter hebben voorbereid op de stap naar het zelfstandig ondernemerschap. Hun studie wijst echter uit dat opportunity ondernemers niet significant langer zelfstandig ondernemer blijven dan necessity ondernemers wanneer zij controleren voor het opleidingsniveau van de ondernemer in zijn of haar specifieke vakgebied. Echter, opleidingsniveau is slechts een van de aspecten van menselijk kapitaal. Het bestaat bijvoorbeeld ook uit praktijkervaring en ondernemerschapsvaardigheden. Denk hierbij aan het vermogen om ondernemerskansen te benutten. Wanneer necessity ondernemers al ondernemende de daarbij behorende vaardigheden leren – met andere woorden, er treedt een leereffect op – dan speelt het initiële startmotief op lange termijn mogelijk geen rol meer. Het is dus op voorhand niet duidelijk of de twee types ondernemers daadwerkelijk verschillen in hun economische prestaties. Aanvullend bewijs op dit vlak is gewenst.

Kwart zzp’ers ‘necessity’ zzp’ers

In deze studie is gebruik gemaakt van data afkomstig van het zogenaamde zzp-panel van Panteia/EIM. Dit is een tweejaarlijkse telefonische meting onder een representatieve groep Nederlandse zzp’ers, zoals eerder gedefinieerd. Tot dusver hebben er vijf metingen plaatsgevonden, waarvan de eerste in 2009 en de laatste in het najaar van 2011. Daarmee is informatie verkregen van 3.131 zzp’ers.

De dataset bevat drie variabelen op basis waarvan het onderscheid tussen opportunity en necessity zzp’ers kan worden vormgegeven. De eerste daarvan is unemployed. Deze indicator variabele identificeert zzp’ers die voorafgaand aan het zzp-schap werkloos of arbeidsongeschikt (en dus uitkeringsgerechtigd) waren. Op basis van deze variabele is 6,1 procent van de steekproef aan te merken als een necessity zzp’er. De tweede variabele (necessity1) kan het beste worden omschreven als een indicator voor zelfbenoemd necessity zzp-schap. Respondenten die aangaven dat het zzp-schap de enige mogelijkheid was op geschikt betaald werk worden door deze variabele aangemerkt als necessity zzp’ers. Op basis van deze variabele blijkt 26,5 procent van de steekproef een necessity zzp’er. De derde indicator variabele (necessity2) is gebaseerd op een handmatige indeling van alle redenen van respondenten om zzp’er te worden. Ook deze variabele merkt ongeveer een kwart van de steekproef (25,2 procent) aan als necessity zzp’er.

Flink verschil in omzet

Om de economische prestatie van opportunity en necessity zzp’ers te vergelijken is gekeken naar hun jaarlijkse omzet. Er is gekozen voor deze indicator, omdat omzet  louter dat wat zzp’ers in een jaar tijd verdienen omvat. De jaarlijkse omzet is om deze reden erg geschikt als te verklaren variabeleHet is bijvoorbeeld een zuiverde graadmeter dan het netto maandinkomen, omdat hier onder meer verschillen in het recht op belastingaftrek een rol spelen.  Uit de vergelijking blijkt dat necessity zzp’ers een significant lagere omzet genereren dan opportunity zzp’ers, ongeacht de gebruikte definitie van necessity zzp-schap. Marginale effecten geven verschillen in de grootte van het effect weer. Het grootste effect vindt men bij zzp’ers die zijn gestart vanuit een uitkeringssituatie. Dit type zzp’er heeft ruim tien procent (10,1 procent) minder kans op een jaarlijkse omzet van meer dan 50.000 euro in vergelijking met een opportunity zzp’er. Zelfbenoemde necessity zzp’ers en handmatig ingedeelde necessity zzp’ers hebben respectievelijk 7,4 en 5,5 procent minder kans op een omzet van meer dan 50.000 euro op jaarbasis. Andersom geldt dat de kans op een jaarlijkse omzet van minder dan 10.000 euro juist significant hoger is voor necessity zzp’ers. Dit varieert van 1,6 tot 3,6 procent, afhankelijk van de gehanteerde indicator variabele.

Andere interessante bevindingen hebben betrekking op het geslacht en opleidingsniveau van de zzp’er. Vrouwelijke zzp’ers hebben een significant lagere jaarlijkse omzet dan mannelijke zzp’ers, terwijl zzp’ers die hoogopgeleid zijn een grotere kans op een relatief hoge omzet hebben.

Conclusies en beleidsimplicaties

De gevonden verschillen in de economische prestaties tussen opportunity en necessity zzp’ers kunnen niet worden verklaard door een groot aantal persoons-, bedrijfs- en organisatorische kenmerken, zoals leeftijd, geslacht, sector en het aantal uren per week dat men aan de onderneming besteedt. Al deze kenmerken hebben hooguit een klein mediërend effect gehad. Daarnaast controleerden de modellen voor opleidingsniveau en bestaansduur van de onderneming, waarbij laatstgenoemde kan worden gezien als een benadering van praktijkervaring met ondernemerschap (in ieder geval met het runnen van het huidige bedrijf). De resultaten spreken dus deels de redenering van Block en Sandner (2009) tegen dat verschillen in de prestaties van opportunity en necessity ondernemers gelegen kunnen zijn in hun verschillende niveaus van menselijk kapitaal.

Het feit dat er, na gecontroleerd te hebben voor al deze kenmerken, nog steeds een structureel verschil overblijft in de prestaties van opportunity en necessity zzp’ers suggereert dat mogelijk andere factoren (mede)bepalend zijn voor het succes van de onderneming. Dit heeft belangrijke beleidsimplicaties. Wanneer men als overheid zzp-schap zou willen stimuleren – wat overigens niet vanzelfsprekend is – dan zou men zich vooral moeten richten op het type zzp’er met een grotere kans op succes. Niet uitgesloten mag worden dat andere factoren, die in deze studie niet zijn meegenomen, de waargenomen verschillen in prestaties van opportunity en necessity zzp’ers kunnen verklaren. Mocht bijvoorbeeld blijken dat verschillen in ondernemerschapsvaardigheden hier (deels) aan bijdragen, dan zou men als overheid meer eisen kunnen stellen aan het niveau van deze vaardigheden alvorens de betreffende zzp’er in aanmerking komt voor overheidsprogramma’s die hulp bieden bij het opstarten van een onderneming. Dit zou de efficiëntie van dergelijke programma’s ten goede komen. Of verschillen in ondernemerschapsvaardigheden (of andere mogelijke verklarende factoren) daadwerkelijk een verklaring vormen voor het verschil in economische prestatie zal toekomstig onderzoek moeten uitwijzen.

Auteur: W.J. (Werner) Liebregts MSc (samenvatting van: Explaining Economic Performance of Solo Self-Employed from a Motivational Perspective. Empirical Evidence from Dutch Micro Data)

De ZiPredactie plaatst hier interviews en eigen artikelen. Daarnaast persberichten, aankondigingen of (met toestemming) overgenomen artikelen. (contact: info[AT]zipconomy.nl) Bekijk alle berichten van ZiPredactie

5 reacties op dit bericht

  1. Logisch maar toch interessant om te lezen dat er weldegelijk een statistisch verschil zit tussen de omzet van zzp’ers die uit pure noodzaak voor zichzelf begonnen zijn en professionals die er waarschijnlijk meer bewust voor hebben gekozen.

    Daarnaast blijft het in mijn ogen verbazingwekkend dat vrouwelijke zzp’ers nog steeds een significant lagere jaarlijkse omzet hebben dan mannelijke zzp’ers. Ik vraag me dan af hoe dit komt. Vragen zij gewoon voor dezelfde diensten een lager tarief of leveren ze daadwerkelijk ook minder waarde?

    • Niels,

      Ik heb het onderzoek niet gedaan, maar toch t.a.v. omzet en vrouwen. Het gaat hier om totale omzet per jaar / niet om tarief per uur. Vrouwen werken minder, ook (of misschien wel juist ook) zzp’er-vrouwen, omdat er nog al wat het zzp’schap de ideale manier vinden om werk/prive te combineren. Dus maken je per jaar ook minder omzet.

      M.i. doen vrouwen het momenteel beter op de markt dat veel groepen mannen. Zowel qua binnenhalen van opdrachten als tarief.

      Hugo-Jan

  2. ok. Ik ging er vanuit dat het verschil in werkzame uren was weggenomen in de analyse.

      • Er is inderdaad gecontroleerd voor het aantal uren per week dat men aan de onderneming besteedt, net als een groot aantal andere kenmerken, zoals leeftijd, geslacht en sector. De gevonden verschillen in economische prestaties tussen mannelijke en vrouwelijke zzp’ers kunnen dus niet worden verklaard door deze kenmerken. Ze hebben hooguit een (klein) mediërend effect gehad. Wel moet worden opgemerkt dat het aantal gewerkte uren per week bestaat uit zowel declarabele als niet-declarabele uren. Mogelijk werken vrouwelijke zzp’ers een groter deel van de tijd onbetaald. Dit zou nader onderzoek moeten uitwijzen.