René ten Bos over honderd jaar Taylor en de harmonie in organisaties

downloadVandaag (21 maart) is het honderd jaar geleden dat de grote managementdenker Frederick Taylor op 59-jarige leeftijd overleed. De meeste mensen verbinden Taylor met de wetenschappelijke bedrijfsvoering (scientific management). Terecht, de man is verantwoordelijk voor veel zaken die we in bedrijven en organisaties aantreffen en die een aureool van wetenschappelijkheid hebben: de beroemde en beruchte SWOT-analyses, werknemerstevredenheidsonderzoeken, casusmethodes op MBA-opleidingen, allerlei vormen van standaardisering en nog veel meer. Nog steeds spreken academici van ‘neotaylorisering’ als ze de hedendaagse vormen van standaardisering willen bespreken.

Dat er achter de verwetenschappelijking van het werk een behoorlijk ver ontwikkelde moraliteit zat, wordt over het algemeen niet betwijfeld. Taylor was een telg uit een quaker-familie en quakers hebben heel wat bijgedragen aan de moralisering van de arbeider. Het wetenschappelijke management dat Taylor voorstond, had de bedoeling werknemers te bevrijden van allerlei soorten grillige benaderingen van het werk. Vuistregels, traditie, roddel- en giswerk dienden vervangen te worden door wetenschap, door onderzoek en experiment. Het kwam er op neer dat tayloristische organisaties onderzoekslaboratoria werden waar mensen constant werden onderzocht en nieuwe methoden constant werden uitgeprobeerd.

Nadruk op wetenschappelijk management

De mentale revolutie die hij in gedachten had kwam er op neer dat managers niet alleen maar macht probeerden uit te oefenen over medewerkers, maar ook dat ze leerden na te denken over werk. Manager zijn betekent dat je een wetenschappelijk soort attitude ontwikkelt ten aanzien van werk en dat ook uitstraalt. Er is op gewezen dat Taylor de eerste was die werk serieus bestudeerde. Dat is zeer de vraag, maar zeker is dat hij een gids naliet over hoe je werk kunt organiseren. Daarmee legde hij de basis voor organisatieconsultancy en bedrijfskunde.

Vanwaar die nadruk op wetenschap? Taylor leefde in een tijd waarin men serieus dacht dat de wetenschap in staat zou zijn sociale misstanden uit de wereld te helpen. Wat dat betreft, verschilde hij niet van Jeremy Bentham of Karl Marx, twee grote geesten die ook dachten dat alleen de wetenschap in staat is ons van alle ellende te verlossen. Net als Marx, was Taylor zich zeer bewust van de misère die in veel arbeidsorganisaties heerste. In zijn jonge jaren, toen hij werkte als ploegbaas bij de Midvale Steel Company, heeft hij aan de lijve ondervonden hoe je als hogergeplaatste constant kunt worden dwarsgezeten door bijvoorbeeld machinewerkers. Eindeloze ruzies en frustraties kenmerkten het werk destijds. Vanaf de vroege jaren tachtig in de 19de eeuw moet Taylor het idee hebben gekregen dat harmonie tussen kapitalisten en arbeiders zeer wenselijk was. Waar Marx arbeidsconflict en burgeroorlog als een onvermijdelijkheid zag, droomde Taylor van een vreedzamere oplossing binnen de bestaande context van de kapitalistische organisatie.

Buffer tussen kapitalisten en arbeiders

Die oplossing was management, wetenschappelijk management om precies te zijn. Ik heb het in mijn columns al eerder gezegd: de taak is er voor te zorgen dat er tussen de klasse van kapitalisten en die van arbeiders een tussenlaag komt en daarmee heb je de lont gehaald uit het conflictpotentieel dat inherent aan kapitalisme is. Harmonie in de organisaties is dus het morele doel en wetenschap zorgt daarvoor. Taylors wilde te laten zien dat er geen conflict hoefde te zijn tussen arbeid en kapitaal. Meteen in de openingspassages van The Principles of Scientific Management (1911) verwoordt hij dit door in utilitaristische termen te beweren dat de doelen van werkgever en werknemer niet uit elkaar hoeven te lopen. Het hoofddoel van management is om de maximale hoeveelheid geluk voor de werkgever zeker te stellen, gekoppeld aan de maximale hoeveelheid geluk voor de werknemer.

Taylor werd, uitzonderingen daargelaten, al tijdens zijn leven en zeker na zijn dood voor alles wat vies en voos was uitgemaakt. Onder het mom van wetenschap zou er bijvoorbeeld alleen maar een onderdrukkende regulering van arbeidersemoties plaatsvinden. Maar alle kritiek laat onverlet dat zijn invloed zo groot is dat je je kunt afvragen of mensen een tayloristisch regime eigenlijk niet heel fijn vinden. Het is, honderd jaar na zijn verscheiden, nog steeds zaak zijn werk serieus te nemen en te bestuderen. Het gaat uiteindelijk over de vraag wie wij zijn en hoe we werken.

Deze column van René ten Bos verscheen eerder in het FD. Ten Bos is hoogleraar filosofie aan de faculteit der managementwetenschappen van de Radboud Universiteit. Hij is een van de keynotesprekers op het ‘Toekomst van Werk’ congres op 11 juni, een event in het Eye Amsterdam over de gevolgen van maatschappelijke, economische en technologische veranderingen op het werk en leven van mensen. 

ZiPconomy geeft ruimte aan auteurs die eenmalig een artikel willen plaatsen op ZiPconomy. Naam en functie van deze gastbloggers worden onder het artikel vermeld. Bekijk alle berichten van Gastblogger