"Exploring the future of work & the freelance economy"
SLUIT MENU

Tweede Kamer gestart met behandeling Wet VBAR: steun en twijfels

Ruime steun voor rechtsvermoeden-deel, stevige twijfels of de VBAR de gewenste verduidelijking gaat opleveren. Dat is het beeld na de eerste stap van de behandeling van de Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Wet VBAR) door de Tweede Kamer.

Zoals gebruikelijk bestaat die eerste stap uit het indienen van schriftelijke vragen. Een verslag van die vragen laat ook zien dat partijen als de VVD, PVV en JA21 niet hebben meegedaan aan deze eerste ronde.

De politieke situatie rond de VBAR is ook bijzonder. De wet is, gedurende kabinet-Rutte IV, voorbereid door voormalig minister Van Gennip (CDA). In het coalitieakkoord van het kabinet-Schoof I is afgesproken om verder te gaan met de wet, iets wat voormalig minister Van Hijum (NSC) ook heeft gedaan. De huidige minister Paul (VVD) gaat daarmee door, terwijl haar eigen partij samen met D66, CDA en SGP aan een alternatieve wet werkt. De andere overgebleven regeringspartij, de BBB, schrijft in haar verkiezingsprogramma tegen zowel die alternatieve wet (beter bekend als de Zelfstandigenwet) als de VBAR te zijn.

Steun voor rechtsvermoeden bij laag tarief

Uit de ingediende vragen van GroenLinks-PvdA, NSC, D66, BBB, CDA, SGP, SP en ChristenUnie blijkt dat er onder deze partijen brede steun is voor het R-deel van de VBAR. Wie wordt ingehuurd met een tarief onder een bepaald niveau (dat ligt bij het huidige minimumloonniveau op €36 per uur) kan met de VBAR via de rechter sneller rechten opeisen die horen bij een werknemer. Er ontstaat dan een rechtsvermoeden van werknemerschap, waarbij de bewijslast wordt omgedraaid: het is dan aan de opdrachtgever om aan te tonen dat iemand wél degelijk als zelfstandige moet worden gezien.

Volgens onder meer NSC, D66 en GroenLinks-PvdA helpt dit kwetsbare werkenden om hun rechten op loon, verlof en zekerheid makkelijker te claimen.
Wel stellen de partijen tal van vragen over de praktische werking. Gaat de grens van €36 niet leiden tot een “nieuwe bodem”, waar opdrachtgevers net boven gaan zitten? Waarom is gekozen voor dit bedrag en niet voor een geïndexeerde variant? En zullen zelfstandigen het rechtsvermoeden daadwerkelijk durven inroepen, gezien de stap naar de rechter?

De SP en SGP vragen daarnaast of uitzonderingen mogelijk zijn voor kortdurende opdrachten of bijverdieners. GroenLinks-PvdA pleit ervoor dat de tariefgrens ook gebruikt kan worden door bijvoorbeeld de Belastingdienst of de Arbeidsinspectie. Zo’n publiekrechtelijke handhaving zit nu niet in de wet. Ook NSC en D66 vrezen dat de stap naar de rechter voor veel werkenden te groot is.

Twijfels over codificatie van jurisprudentie

Over het tweede deel van de wet — het vastleggen in de wet van bestaande rechtspraak over wanneer iemand nu werknemer is of zzp’er — bestaat veel scepsis. CDA, D66, NSC en SGP vragen zich af of dit daadwerkelijk meer duidelijkheid oplevert.

Volgens deze fracties dreigt het wetsvoorstel juist nieuwe onduidelijkheid te creëren, omdat rechtspraak zich blijft ontwikkelen en de beoogde criteria geen duidelijke rangorde of weging kennen. Een groot bezwaar: het ontbreken van een duidelijke weging van de toetsingscriteria. D66, NSC en SGP vrezen dat het nieuwe kader in de praktijk niet eenvoudiger is dan de bestaande holistische benadering (de Deliveroo-criteria), waarin geen enkel criterium doorslaggevend is. 

Zowel GroenLinks-PvdA als D66 signaleert dat veel zogeheten Z-indicaties (indicaties die wijzen op zelfstandig ondernemerschap, zoals meerdere opdrachtgevers of investeringen) zich buiten het zicht van de opdrachtgever afspelen. Hoe reëel is het om opdrachtgevers daarop te laten toetsen zonder disproportionele regeldruk of schijnzekerheid?

Zorgsector als zorgenkind

Vooral in de zorg worden grote gevolgen voorzien. D66, CDA en SGP waarschuwen dat het wetsvoorstel kan botsen met de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), die juist ruimte laat voor zzp’ers. De vrees is dat zorginstellingen straks nauwelijks nog zelfstandigen kunnen inzetten, met gevolgen voor personeelstekorten en continuïteit. De fracties vragen hoe de regering uitvoering geeft aan de door de Kamer aangenomen motie-Flach, die juist oproept de flexibele schil in de zorg te behouden.

Cijfers en uitvoering

Een ander kritiekpunt: er zijn geen harde cijfers over het aantal schijnzelfstandigen. Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) noemt de nut en noodzaak van de wet daardoor onvoldoende onderbouwd. Meerdere fracties vragen om nader onderzoek en nulmetingen.

Daarnaast wordt gewaarschuwd voor uitvoeringsproblemen bij de Belastingdienst. De dienst noemt in haar uitvoeringstoets een herhaling van de DBA-problematiek als grootste risico. D66 vraagt waarom geen praktijkproef is gedaan, zoals het ATR adviseerde, en waarom de Raad voor de rechtspraak niet opnieuw is geraadpleegd.

Vervolg

De volgende stap in de behandeling van de VBAR is de beantwoording door het (demissionaire) kabinet. Daarna volgt mogelijk nog een tweede schriftelijke ronde voordat er een mondelinge behandeling plaatsvindt.

Ondertussen zijn er natuurlijk ook de verkiezingen en begint daarna de formatie. Uit een analyse van de verkiezingsprogramma’s blijkt dat maar weinig partijen de VBAR expliciet ondersteunen, terwijl ook de Zelfstandigenwet nog geen meerderheid heeft.

Het huidige kabinet houdt voorlopig vast aan een invoeringsdatum van de VBAR van 1 juli 2026.

De ZiPredactie plaatst hier interviews en eigen artikelen. Daarnaast persberichten, aankondigingen of (met toestemming) overgenomen artikelen. (contact: info[AT]zipconomy.nl) Bekijk alle berichten van ZiPredactie

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *