De overheid moet juist meer externen inhuren

Wat zou er toch mis zijn met het inzetten van ‘externen’ bij de overheid? Als ik de krantenkoppen moet geloven staan de barbaren aan de poort. Het vakblad InOverheid schrijft over ‘hele legers tijdelijk ingehuurde krachten’ en de ambenaren in vaste dienst hebben zich dan ook al teruggetrokken in hun burcht, de slotgracht nog eens extra uitgegraven en de brug opgehaald: als de overheid dan al compacter moet worden dan geldt: ‘eigen mensen eerst en weg met al die indringers’.

En de Tweede Kamer heeft zich onder aanvoering van de SP opgeworpen als redder in de nood van ambtenaren die hun voortbestaan als overheidsdienaar worden bedreigd door in 2010 een motie aan te nemen – unaniem nog wel – waarin de regering wordt gevraagd om de diverse overheden op te leggen dat er nooit meer dan 10 procent van het personeelsbudget mag worden uitgegeven aan de inzet van ‘externen’. In tijden van crisis moeten we snijden waar het vet zit. En dat vet zit hier’, zo beargumenteerde de indiener zijn inzet om de deur voor de inzet van externen bij de overheid op een zo klein mogelijke kier te zetten.

Negatieve beeldvorming over externen

In 2009 was toenmalig minister Guusje Ter Horst van Binnenlandse Zaken al gekomen met een ‘ richtinggevend instrument’ waarbij de norm voor het besteden van geld aan externen voor de ministeries op 13 procent van het personeelsbudget werd gesteld. Daar mocht wel van worden afgeweken als het betreffende ministerie er maar een goed verhaal bij had. In de praktijk bestaat die situatie nog steeds, want haar opvolger Donner heeft de SP motie gewoon naast zich neergelegd. Hij vindt een absolute grens van 10 procent in de praktijk ‘onwerkbaar’. En dus stellen we tegenwoordig elk jaar in mei – op de zogenaamde verantwoordingsdag- aan de hand van cijfers van de diverse ministeries vast dat er nog steeds ministeries zijn die niet voldoen aan het uitgangspunt dat 13 procent eigenlijk de norm zou moeten zijn. Dit jaar waren dat er vier. Bij de lagere overheden zien we dezelfde trend. Gemeenten geven 16 procent van hun personeelsbudget uit aan externen, in de pers beschreven als ‘ externe krachten slokken nog altijd 16 procent van het personeelsbudget op’.

‘Opslokken’,’opstrijken’; wie als niet-ambtenaar diensten voor de overheid uitvoert, moet er kennelijk rekening mee houden dat daarmee een vorm van agressie wordt opgeroepen en dat hij of zij wordt weggezet als profiteur .’Overheidsmanagers moeten begrijpen dat in tijden van crisis verantwoord moet worden omgegaan met belastinggeld’, schrijft SP-Kamerlid Ronald Van Raak op de site van zijn partij over het inhuren van externen door de overheid. Ze zijn in elk geval gewaarschuwd.

Inzet externen verdient genuanceerd standpunt Tweede Kamer

Staat het inhuren van externen door de overheid dan gelijk met verspilling van gemeenschapsgeld? Hoezo zou iedereen die een rol speelt bij de dienstverlening van de overheid daar ook in vaste dienst moeten zijn? Wie de overheid ziet als een bedrijf kan zich ook spiegelen aan het bedrijfsleven waar de mate van flexibiliteit in het personeelsbestand veel groter is dan bij de overheid. Waarom zou het slecht zijn als de overheid de deuren juist wijd openzet voor de inbreng van externen, ter stimulering van de innovatie en voor het tegengaan van tunnelvisie? Is er een bedrijfseconomisch argument te bedenken voor de door de Tweede Kamer gevraagde afdwingbare bovengrens van 10 procent van het personeelsbudget?

Een slagvaardige, moderne en flexibele overheid zou er naar moeten streven om het aantal externen juist op te voeren, net zoals dat gebeurt in de succesvolle onderdelen van de Nederlandse economie. We moeten af van het misverstand dat het bij de inzet van externen bij de overheid zou gaan om extra personeel. In de praktijk gaat het gewoon om werk dat gedaan moet worden en we zijn langzaam maar zeker aan het ontdekken dat dat ook kan worden gedaan door mensen die niet de ambtenarenstatus hebben. Dat verdient een meer genuanceerde benadering door de Tweede Kamer en het vraagt ook om het dempen van de slotgracht rondom de ambtenarenburcht.

Avatar van Linde Gonggrijp Over Linde Gonggrijp

Linde Gonggrijp was tussen mei 2008 en maart 2014 directeur van FNV Zelfstandigen. In die functie gaf ze leiding aan deze organisatie die de belangen behartigt van ruim 14.000 zzp’ers in de sectoren Diensten, Groen, Handel, ICT, Industrie, Vervoer en Zorg en was ze lid van de SER.


Linde Gonggrijp

Reacties

  1. Citaat van Linde Gonggrijp:

    Staat het inhuren van externen door de overheid dan gelijk met verspilling van gemeenschapsgeld? Hoezo zou iedereen die een rol speelt bij de dienstverlening van de overheid daar ook in vaste dienst moeten zijn? Wie de overheid ziet als een bedrijf kan zich ook spiegelen aan het bedrijfsleven waar de mate van flexibiliteit in het personeelsbestand veel groter is dan bij de overheid.

    Helaas, een misverstand! De mate van flexibiliteit in het personeelsbestand nu bij de overheid is veel groter is dan bij het bedrijfsleven!

    Er is een groot verschil met betrekking tot het werken voor de overheid of het bedrijfsleven bij richtinggevende functies. Je gaat voor de publieke (dienende) functie of niet! Het gaat dan niet om geld, lease-auto’s etc. De overheid is geen bedrijf! Wie dat in deze crisistijd niet begrijpt heeft iets gemist!

    • Paul Dirkse zegt:

      Een flexibel personeelsbestand heeft de rijksoverheid bepaald niet. Niet voor niets wordt rijksbreed nu een nieuw functiegebouw ingevoerd dat tot meer interne mobiliteit moet leiden.
      Tussen internen en externen is altijd een verschil in perceptie, ook bij private organisaties. Het is bij de overheid wel wat pregnanter aanwezig heb ik gemerkt. Die afstand zou kleiner moeten worden. Dat zou kunnen door werkafspraken meer en meer te gaan maken op grond van resultaten. Arbeidsvorm doet er dan minder toe.

  2. l vukanic zegt:

    Wat doen externetn bij de overheid?? Niat alleen “Het “gemeenschapsgeld” verspillen neem ik aan.

    Een oversicht uiteigen ervaring:

    Een externe bij de overheid:
    - levert expertise die op dat moment niet leverbaar is
    - wordt geacht 150% prestaties te leveren zonder vrije dagen, snipperdagen, ouderschapsverlof, pensioen…enz.
    - is inwisselbaar en krijgt vaak de “klussen” die interne mensne niet kunnen of niet willen doen
    - wordt vaak genoeg als “offerdier”gebruikt bij ingewikkelde processen waar de koppen moeten rollen (en is weleens ook daavoor ingeuurd)
    - moet genoeg een “heete aarddepal” die niemand anders will hebben (ofwel een bestuurlijk of bealangenwijs ingewikkelde opdracht) aanpakken;
    - kan ten alle tijden weer afgestoten worden zonder dat de overheid daaraan extar kosten heeft
    - is in de cirisitijd niet beschermd (dus ook niet door eigen belangenorganisatie) simpleweg omdat dit niet mogelijk is.

  3. Mooi tegengeluid! Terecht wijst Linde op de vaak onterecht negatieve beeldvorming in de pers en politiek rondom de inhuur van externen. Het 10% plafond is ook van een zotheid. Niet de status van iemand (in dienst of interim) moet centraal staan, maar de vraag op welke wijze de job het beste ingevuld kan worden. Door iemand die vooral een goede klus kan doen (neem een externe) of door iemand die zich primair aangetrokken voelt tot de maatschappelijke taak en eerder loyaal aan de organisatie zal zijn (neem hem in dienst). Zo beschouwd zou het percentage externen veel hoger kunnen zijn, maar zitten er nu ook externen op plekken die eigenlijk veel beter door een echte ambtenaar zouden kunnen worden ingevuld. De praktijk is genuanceerder dan de politiek ons wil doen geloven.

  4. Waarom niet gewoon álle vormen van inzet van arbeid benutten? Inzet van een ambtenaar heeft specifieke voor- en nadelen en inzet van een externe, in welke vorm dan ook, net zo goed. En afhankelijk van de context, die ook bij overheden steeds sneller verandert, is het een of het ander beter.

    Laat de manager, die er tenslotte voor betaald wordt, bepalen welke vorm wanneer passend is. Het is immers de manager die de verantwoordelijkheid draagt voor de inzet van middelen om collegeprogramma uit te voeren. En in de complexe dynamiek van een politieke organisatie, moeten we het management zoveel mogelijk beslissingsruimte geven.

  5. Flexibiliteit, mobiliteit, zelfstandigheid of professionaliteit?

    De discussie intern of extern wordt mijns inziens minder relevant en lijkt nu al een achterhoedediscussie.
    Van welke soort arbeidsrelatie sprake is, doet er feitelijk niet toe (als je het maar weet en regelt) en verwordt – aangejaagd door alle hedendaagse technologie – tot een randvoorwaarde.
    Daarbij vormt de kleinste entiteit, ‘de vakspecialist’, het nieuwe onafhankelijke aanbod en die heeft onomkeerbaar de toekomst.
    Van macht naar kracht, want je zult wél moeten presteren en leren. Daar zijn nieuwe service verlenende partijen nodig. Dat is hot en moet worden ingevuld.
    De focus kan daardoor steeds meer liggen op het leveren van benodigde professionaliteit en werkmentaliteit. Bittere noodzaak voor de reeds sinds 1995 aantoonbaar afnemende concurrentiepositie van Nederland.

  6. Oscar Scholten zegt:

    Mijn ervaring is dat er bij de overheid nogal wat mensen rondlopen met een slechte arbeidsmotivatie. Ik denk persoonlijk dat de arbeidsmotivatie i.h.a. van externen hoger is dan van veel mensen, die bij de overheid in dienst zijn.

    Oscar Scholten