Een jaar als jongeren in Den Haag: Waarom de politiek het juist nu over idealen moet hebben

Om de impasse in het debat over de toekomst van de arbeidsmarkt te doorbreken is het hoognodig dat jongeren en andere ‘buitenstaanders’ veel vaker aan tafel worden uitgenodigd, vinden studenten Franka van Dijken en Daan Stroeken.

Als twee millennials met een studentikoos strategisch-adviesbureau, hebben wij het afgelopen jaar een tour gemaakt door de politieke wereld van sociale zaken en de arbeidsmarkt. Na het uitvoeren van een onderzoek over de visie van millennials op de toekomst van de arbeidsmarkt (voor de NBBU), mochten wij de resultaten presenteren op het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Meepraten met de mensen die zich iedere dag inzetten om Nederland een beter land te maken, hoe cool is dat!

Na te zijn afgereisd naar de torens waar de toekomst van ons land wordt geschreven kwamen we van een koude kermis thuis.

Na te zijn afgereisd naar de torens waar de toekomst van ons land wordt geschreven, de richting van onze samenleving wordt bepaald, kwamen we van een koude kermis thuis. Ons verhaal, gefocust op de lange termijn en grote trends, sloot totaal niet aan op de technocratische instelling van de eerst zo opgehemelde luisteraars. De nadruk lag niet op welke wegen wij als samenleving in moeten gaan, maar op de beren die zich daarop bevonden. De veranderingen die wij inbrachten werden onmiddellijk afgedaan door de technische regels die deze onmogelijk zouden maken. Zonde, volgens ons, en helaas tekenend voor het algemene politieke debat.

Behalve bij het ministerie zijn we ook uitgenodigd bij Commissie Borstlap en de Tweede Kamer. Steeds werd ons gevraagd om – net  als bij deze column – de mening te geven van onze generatie over onderwerpen rondom sociale zaken op de arbeidsmarkt. Vanuit die positie viel ons een aantal dingen op aan de manier van discussiëren in de Haagse wereld.

Wij zagen dat men vaak verstrikt zit in het eigen wereldje van technocratische discussies. Het lukt de deelnemers aan die discussies niet om naar het grote plaatje te kijken en fundamentele vragen aan te kaarten.

De coronacrisis is een moment van relativering, en van reflectie op de onderwerpen waarover onze politiek, en daarmee wij als samenleving, ons de afgelopen jaren druk hebben gemaakt. Deze crisis is hét moment om de dagelijkse gang van zaken te ontstijgen, om het doorkabbelen van de discussies te doorbreken en na te denken over de vraag welke onderwerpen er op de agenda moeten staan.


  • Dit is deel 10  uit een serie artikelen over de arbeidsmarkt in het post-corona tijdperk. Zie voor overige afleveringen dit overzicht: post-corona

Wat gebeurt er precies?

Toen wij rondliepen op de ministeries, hadden wij regelmatig het gevoel dat men vastzat in hele technische vraagstukken. Discussies werden alleen maar gevoerd met insiders uit de wereld, en het leek alsof zij af en toe vastliepen in het gesprek. Argumenten werden herhaald en er werd weinig gereflecteerd op het onderwerp van gesprek en hoe lang men er al mee bezig was.

De manier waarop werd gereageerd op onze inbreng verraste ons: We kregen voortdurend van onze gesprekspartners te horen dat ze erg op zoek waren naar de verfrissende blik van jongeren en buitenstaanders. Maar zodra wij een fundamenteel punt wilden maken dat niet in het straatje lag van onze gesprekspartners grepen ze direct terug naar technische argumenten. Van oprechte belangstelling voor onze ideeën leek vaak maar weinig sprake.

In deze discussies ontbreekt de brug naar de buitenwereld. Met oogkleppen op zijn hele slimme ambtenaren eeuwig aan het polderen in jargon. Ze komen daardoor te weinig toe aan de grotere problemen in de samenleving; deze staan zo ver af van hun dagelijkse bezigheden dat ze niet eens meer aan de orde zijn.

Wij raakten verzeild in technische debatten, waaraan veel verschillende partijen deelnemen, die allemaal opkomen voor hun eigen belang. Maar met het eeuwig doormodderen van dit soort discussies is er vaak geen ruimte meer in het debat voor vragen van wezenlijk belang, zoals:

  • Waar leiden wij mensen voor op?
  • Welke banen voegen waarde toe aan de samenleving en hoe waarderen wij deze?
  • Welke richting willen we als samenleving op?

Het lijkt erop dat deze vragen nu te filosofisch zijn voor politici. En de filosofische denkers die ze wel beantwoorden krijgen geen gelegenheid input te leveren aan de politiek. Het idealisme is weggesijpeld. De politicus is een soort manager geworden.

Waarom is dit erg?

Wanneer de filosofische vragen over het idealisme achter de politiek verdwijnen, kunnen er zonder dat we het doorhebben situaties optreden die ongewenst zijn. Dan kunnen flitshandelaren in de financiële wereld – een sector die geen enkele maatschappelijke waarde toevoegt – de slimste mensen aantrekken die het meest verdienen. Dan krijgen de meest essentiële beroepen – docenten en verplegers – veel minder waardering dan ze zouden moeten krijgen. En dan kunnen wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg oplopen, terwijl we al jaren proberen om deze te laten afnemen. En dat terwijl dit onderwerpen zijn waar de hele maatschappij het over eens zal zijn dat dit anders moet. We kunnen beter dan dit, maar door het eeuwigdurende gepolder van belanghebbenden vervagen de prioriteiten.

Wanneer de filosofische vragen over het idealisme achter de politiek verdwijnen, kunnen er situaties optreden die ongewenst zijn

Voor jongeren is het gebrek aan idealen in de politiek een groot probleem. Wij moeten nog het langst mee en hebben dus het grootste belang bij goede lange-termijn plannen. Maar daarnaast is ook de huidige samenleving voor jongeren steeds minder fijn geworden. Hun banen zijn het minst ‘vast’, huisvesting is nu moeilijker dan ooit. Klimaatverandering gaat hen meer raken dan de ouderen die nu aan het roer zitten. Toch lijkt de korte-termijn-management van de politiek onze jonge generatie niet erg boos te maken.

Waarom is dit nu relevant?

Dit is hét moment om er iets aan te doen. Veranderingen die ondenkbaar waren voor corona toesloeg (stilleggen van de luchtvaart, thuiswerken, staatssteun voor bedrijven en ZZP-ers), blijken nu plotseling wel te kunnen. Door de coronacrisis en het stilstaan van de normale gang van zaken komen immers veel onderwerpen in een ander licht te staan.

Het is opeens duidelijk welke beroepen van vitaal belang zijn in de maatschappij, onze minister-president heeft er zelfs een term voor bedacht: ‘vitale beroepen’. Met spandoeken voor de ziekenhuizen, landelijk balkonapplaus voor de zorg en andere hartverwarmende acties door het hele land wordt een breed gedragen waardering voor de sector blootgelegd.

Ook kan de crisis een spiegel vormen voor de eigen omstandigheden. Bijvoorbeeld voor jongeren, die voorheen leefden in maximale vrijheid zonder vaste banen, buffers of riante huisvesting. Voor hen komt de crisis extra hard aan (en dat terwijl zij de minst kwetsbare zijn). Misschien dat deze spiegel kan leiden tot meer bewustzijn van de eigen belangen, en grotere idealen voor hun eigen toekomst.

Kortom: de crisis biedt een mogelijkheid om onze inrichting van de samenleving te evalueren, en te reflecteren op de politieke discussies die de afgelopen jaren gevoerd zijn. Dit brengt ietwat ongemakkelijk aan het licht dat de onderwerpen die eerst de boventoon voerden, helemaal niet de meest relevante onderwerpen zijn. De meer filosofische vragen zijn jarenlang ontlopen en de homogene Haagse bubbel maakt zich daar maar weinig druk om.

Hoe kan dit veranderen?

Een oplossing die wij zien, is dat er meer ingebouwde diversiteit in de discussies nodig is. Dit is natuurlijk geen directe oplossing voor de meest urgente problemen, maar wel essentieel om de sturing van ons land scherp te houden.

Waarom? Omdat het noodzakelijk is om de impasse te doorbreken. De insiders in het debat bevinden zich in een vicieuze cirkel: Naarmate de debatten technischer worden, worden ze ook exclusiever en steeds ontoegankelijker voor jongeren en andere ‘buitenstaanders’. Daardoor verliest men de grote lijnen uit het oog. Om die doorbraak te realiseren zullen de tafels waaraan gedebatteerd wordt veel diverser moeten worden.

Fundamentele vragen zullen in zo’n diverse omgeving veel sneller naar de voorgrond komen. De zuurstof voor eeuwige discussies over arbeidscontracten zal verdwijnen. De prioriteiten zullen duidelijker worden.

Hoe gaan we die diversiteit realiseren? Wij merken dat er in de politieke wereld wil is om jongeren te betrekken (kijk maar hoe vaak wij zijn uitgenodigd), maar dat dat moeilijk lukt, en gebrekkig functioneert. De verantwoordelijkheid is echter tweeledig:

  • De jongeren zullen een actievere houding aan moeten nemen en voorbereid op komen dagen als ze een keer worden uitgenodigd. De urgentie voor jongeren om dit te doen zal alleen maar stijgen door de crisis.
  • De politiek zelf zal de toon van het gesprek aan moeten passen en jongeren niet alleen uitnodigen, maar ook bijvoorbeeld laten agenderen in plaats van alleen reageren. Het relativerende aspect van de crisis zal hier ook een positief effect op hebben.

Een nieuwe houding

De afgelopen twee maanden heeft Rutte zich al idealistischer getoond dan ooit tevoren. Wij hopen dat deze nieuwe houding voortaan niet alleen tijdens crisismanagement naar voren hoeft te komen. Hopelijk kunnen we na de crisis naar een vruchtbaarder politiek debat, waarin meer aandacht is voor de fundamentele vragen, banen en behoeften van onze samenleving.

Franka van Dijken en Daan Stroeken

Franka van Dijken en Daan Stroeken zijn als consultants verbonden aan de Young Advisory Group, een adviesbureau volledig gerund door studenten. Franka volgt een masteropleiding Technische Wiskunde (TU Delft) en Daan heeft net zijn bachelor Natuurkunde (UvA) afgerond. 

ZiPconomy geeft ruimte aan auteurs die eenmalig een artikel willen plaatsen op ZiPconomy. Naam en functie van deze gastbloggers worden onder het artikel vermeld. Bekijk alle berichten van Gastblogger

3 reacties op dit bericht

  1. Geweldig stuk Franka en Daan! Dit is precies onze ervaring bij de Werkvereniging. Pas je niet in de bubbel van de gevestigde orde dan luisteren ze we maar horen ze je niet en polderen rustig door voor een groep belanghebbenden die steeds kleiner wordt en de groep die zich niet meer vertegenwoordigd voelt groeit. Een enorme gemiste kans want van deze Modern Werkenden zoals we de mensen die zich niet in het traditionele vakje passen of thuis voelen, groeit en groeit. Laten we de krachten bundelen! Roos@werkvereniging.nl Lees hier over een aantal oplossingen waar wij aan denken. https://www.werkvereniging.nl/nieuws/dag-van-de-modern-werkenden/

  2. Franka en Daan, mooi artikel. Jullie ervaring herkennen we. De kritiek op de ‘managementreactie’ in de politiek en in de polder is terecht. Het is tijd dat oude vastgeroeste dogma’s en het denken in beren-op-de-weg wordt losgelaten. Laat we open discussiëren over wat de huidige moderne arbeidsmarkt nodig heeft, leren van de ervaringen die we opdoen in deze Coronatijd en een luisterend oor van de politiek krijgen voor nieuwe ideeën en inzichten.

  3. Wat voor markt is de arbeidsmarkt ?
    In de Limburger van 7 april j.l. staat een artikel met de titel: ’markt flexwerkers hervormen’. De journalist laat FNV bestuurder Hans Wijers aan het woord die een klaagzang houdt over de zgn. flexwerkers. De bedrijven c.q. de ‘werkgevers’ krijgen ervan langs omdat zij, door hun “gejaag op winst” profiteren van de flexwerkers en nu de coronacrisis zich aandient hun massaal bedankt en ze naar het arbeidsbureau terugverwijst. Herbezinning is op zijn plaats en “we” moeten nadenken hoe we de arbeidsmarkt op betere manier kunnen vormgeven, aldus Wijers. Ook FNV voorzitter Busker is niet te spreken over het gemak waarmee flexwerkers worden geloosd.
    Een grote klaagzang aldus. Maar wat is er aan de hand. Duidelijk is dat flexibele (arbeids)contracten gewild zijn. In Nederland, maar ook in de rest van Europa neemt dat soort verbintenissen al jaren toe. Dat laatste is een weerspiegeling van de behoefte aan flexibiliteit, de maatschappelijke ontwikkeling is steeds sneller en beweeglijker en daar horen tijdelijke en flexibele verbintenissen bij.
    Aan de andere kant is de arbeidsmarkt helemaal geen serieuze markt. Op een markt moet je kunnen bieden en laten, kopen of niet kopen. Dat kan helemaal niet op de arbeidsmarkt. Als je het positief wil zien dan houdt de samenleving de arbeider aan het handje, bedingt voor hem de best haalbare voorwaarden en beschermt hem tegen zijn baas, de vakbond speelt daarbij een hoofdrol. Maar met een markt waar vrager en aanbieder als ‘volwassen’ partijen met elkaar dealen, heeft de wijze waarop arbeidscontracten in het algemeen tot stand komen niet zoveel te maken. De arbeider op de arbeidsmarkt is bovendien veelal niet in staat om “nee” te verkopen, op straffe van werkeloosheid, zonder recht op uitkering. Goed beschouwd is de arbeider op de arbeidsmarkt maar een onthand en zielig figuur, dus alles behalve een (gelijke) marktpartij. Dat is heel anders bij de zzp-er, daar is gelijkheid en gelijkwaardigheid van een andere orde. De zzp-er is (voor het oog) een gelijkwaardige partij en veelal ook voor zijn eigen gevoel. Toch is hij in feite veel zwakker veel afhankelijker dan de werkgever. Van de zzp-er wordt dus niet alleen maar geprofiteerd, hij is ook trots op zijn zelfstandigheid. Hij hoort veel meer bij een volwassen samenleving dan de “loonslaaf”, hoe zeer die laatste ook nog als norm wordt gezien en neergezet.
    Bij een volwassen samenleving hoort een zelfstandige en onafhankelijke werknemer, die zijn werk al dan niet doet tegen betaling, maar het ook om hem moverende redenen kan weigeren. Zo’n werknemer, moet dan wel in staat zijn om zijn eigen broek op te houden. De huidige samenleving heeft zoveel kapitaal en infrastructuur opgebouwd, dat zij in staat is om ieder lid van die samenleving die onafhankelijkheid te garanderen en ervoor te zorgen, dat iedereen verzekerd kan zijn van zijn bestaan. Invoering van een onvoorwaardelijk basisinkomen, dat het bestaan garandeert is daartoe het middel. Dat zal de arbeidsmarkt wel tot een echte markt maken. De werknemer kan immers bij “nee verkopen” terugvallen op zijn basisinkomen, dat wel krap voldoende moet zijn voor het bestaan. Bij de loononderhandelingen staat de werknemer veel sterker en kan denken aan alternatieven, het brengt hem in een onafhankelijke positie en legt feitelijk het initiatief bij ieder persoonlijk. Een dergelijke verhouding is veel meer in overeenstemming met een wereld van gelijkheid en volwaardigheid van ieder individu.
    In een dergelijke samenleving waarin ieder zijn eigen broek moet ophouden en waar het initiatief bij ieder persoonlijk ligt, blijft uiteraard solidariteit en het beginsel dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen het cement van de samenleving. In zo’n samenleving van werkelijk vrije mensen zal de verhouding en de dynamiek in de samenleving van een andere orde (kunnen) worden, de machtsverhoudingen zullen in ieder geval wezenlijk verschuiven.
    De coronacrisis geeft een mogelijke opening naar een dergelijke samenleving, waarin het feitelijk niet gaat om het behoud van werk(gelegenheid) maar veel meer om het behoud van inkomen, een basisinkomen is daarvoor het fundament ….wat er ook gebeurt. In plaats van loonkostensubsidie via de werkgevers legt een onvoorwaardelijk basisinkomen het initiatief bij ieder persoonlijk.

    Maastricht, 21 april 2020 Leon Segers, econometrist

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *