"Exploring the future of work & the freelance economy"
SLUIT MENU

Eerlijke minimumtarieven voor zelfstandigen met schijven per beroep

Wilmar Dik oppert een plan voor zzp-minimumtarieven: door beroepen in schijven te verdelen op basis van realistische declarabele uren ontstaat een eerlijkere ondergrens, die beter aansluit bij de diversiteit van zelfstandigen en hun sectoren.

In het coalitieakkoord staat een duidelijke ambitie: zelfstandigen moeten meer ruimte en duidelijkheid krijgen. Het kabinet kondigt aan om de Zelfstandigenwet gefaseerd in te voeren, te beginnen met het rechtsvermoeden van werknemerschap uit de VBAR, gecombineerd met sectorale rechtsvermoedens en een toetsingscommissie.

Sectorale rechtsvermoedens klinken mooi! Vooralsnog mogen Nathalie Van Berkel en Thierry Aartsen zorgen voor een werkbaar zzp-kader. Maar hoe kan een sectoraal rechtsvermoeden, gecombineerd met een minimumtarief, zó worden ingericht dat het recht doet aan de grote verschillen tussen zelfstandigen? Daar heb ik alvast over nagedacht.

Een minimumtarief is alleen een ondergrens

Een minimumtarief is geen tarief waar zzp’ers per se voor willen of moeten werken. Net zoals het minimumloon in loondienst, fungeert het vooral als ondergrens. Onder dit niveau is het niet realistisch om als zelfstandige te werken: je houdt te weinig over om van rond te komen. Zelfstandigen werken soms voor te lage tarieven, bewust of onbewust, afhankelijk van marktmacht. Een minimumtarief voor een rechtsvermoeden kan hier ingrijpen waar nodig.

Waarom één minimumtarief niet werkt

De huidige benadering in de VBAR en de Zelfstandigenwet gaat uit van één minimumuurtarief: vanaf 1 januari 2026 is dat €38. Dat lijkt helder, maar doet geen recht aan de praktijk. Het maakt namelijk veel uit of je 30 uur per week declarabel bent, of structureel niet verder komt dan 21 uur.

Het huidige VBAR-tarief voor ‘rechtsvermoeden’ sluit alleen aan als je daadwerkelijk kosten en declarabele uren hebt zoals hieronder:

De correctie voor niet-declarabele uren is +50% (dus 2/3 declarabel, 1/3 niet-declarabel). Bij een 39-urige werkweek is dat bijvoorbeeld 26 uur declarabel. Dat is prima als dit het marktgemiddelde is, maar veel zzp’ers hebben andere gemiddelden. Een one-size-fits-all benadering werkt dus niet.

Voorbeelden met de huidige VBAR-berekening

Stel je bent docent of psycholoog, werkt fulltime en kan gemiddeld 21 uur per week factureren. Zelfstandigen hebben ook vakantiedagen, zijn weleens ziek en hebben te maken met leegloopuren. Bij 44 werkweken per jaar ziet de berekening er zo uit: 21 uur × 44 weken × €38 = €35.112 bruto jaaromzet. Haal je daar 35 procent bedrijfskosten, pensioenopbouw, afschrijvingen, verzekeringen en belastingen vanaf, dan blijft €1.902 per maand over. Dat is ruim €400 minder dan iemand in loondienst op minimumloon. Daar kun je niet van leven.

Voor een timmerman met 33 declarabele uren per week ziet de berekening er zo uit: 33 uur × 44 weken × €38 = €55.176 bruto. Na aftrek van 35 procent kosten blijft €2.988 per maand over, wat relatief veel is voor een ondergrens. Deze twee voorbeelden laten zien dat het huidige minimumtarief de realiteit van zzp’ers niet goed weerspiegelt.

Voorstel: werken met schijven

Het is niet nodig om voor elk beroep een apart minimumtarief vast te leggen. Veel beroepen hebben vergelijkbare declarabele uren. Een schijvenmodel kan uitkomst bieden. Uitgaande van 44 werkbare weken per jaar, kan de realiteit van declarabele uren worden verdeeld in bijvoorbeeld zes duidelijke schijven:

Elk beroep kan op basis van data in een schijf worden ingedeeld. Zo ontstaat een realistische ondergrens die rekening houdt met de huidige arbeidsmarktsituatie. Het is handig als een toetsingscommissie deze schijven periodiek actualiseert, zodat het systeem meebeweegt met de markt zonder dat de wet voortdurend aangepast hoeft te worden.

Realistische ondergrens

Rechtsvermoeden ontstaat niet alleen bij een laag tarief, maar door een combinatie van factoren. Realistische declarabele uren en bedrijfskosten moeten worden meegenomen in de berekening. Dit leidt tot een realistische ondergrens die werkt voor alle zelfstandigen, ongeacht sector.

Declarabele uren wegen meestal zwaarder dan bedrijfskosten, maar het kan nuttig zijn om bedrijfskosten te verdelen in ‘normaal’ en ‘hoog’, afhankelijk van de investering die een beroep vereist.

Met deze aanpak kan een minimumtarief worden berekend waar zelfstandigen daadwerkelijk van rond kunnen komen. Voorbeeldberekeningen met het schijvenmodel geven minimumtarieven die de diversiteit van zzp’ers beter weerspiegelen. Deze tarieven zijn niet perfect, maar bieden een realistischer beeld en sluiten beter aan bij de sectorale verschillen.

Het zou eerlijker zijn als de Rijksoverheid bij het rechtsvermoeden ook sectorspecifiek kijkt naar de realiteit van een beroep. Zo wordt handhaving uitlegbaar en consistent, en voorkomen we dat zelfstandigen in sectoren met lage declarabiliteit structureel te weinig verdienen. Een minimumtarief wordt zo weer wat het hoort te zijn: een ondergrens waarmee werken loont, ongeacht de sector.

Wilmar Dik is fotograaf, cameraman en actief pleitbezorger voor de positie van zelfstandigen in Nederland. Sinds 2008 werkt hij als zelfstandig professional en combineert hij zijn praktijkervaring met publicaties over ondernemerschap, marktwerking, tariefvorming, fotografie, marketing en duurzame verdienmodellen voor zzp’ers. Hij schrijft regelmatig over werken als zelfstandige en over de economische realiteit achter het ondernemerschap. Vanuit die betrokkenheid zet hij zich actief in voor realistische en uitvoerbare oplossingen die bijdragen aan een economisch houdbare positie van zelfstandigen. Bij de NVJ is hij vertegenwoordiger in het beleidsteam Werkvoorwaarden namens de ledengroep NVF/Beeldmakers. Daarnaast is hij als zelfstandig specialist betrokken bij de Ketentafel Fotografie (fairPACCT). Bekijk alle berichten van Wilmar Dik

11 reacties op dit bericht

    • Helemaal mee eens, Sjoukje. Ik denk dat elke zelfstandige graag voor een normaal tarief wil werken. Een goed berekend tarief ligt doorgaans hoger dan de ondergrenzen waar ik voor pleit.

  1. Het minimumtarief is soizo denk ik niet haalbaar omdat de mededings autoriteiten dit niet toestaan. Men spreekt nu over rechtsvermoeden om kwetsbare groepen te beschermen, dat is typisch Nederland, onder het mom van iedereen beschermen nog meer regels opleggen. De groep die beschermd zou moeten wordt hierdoor juist belemmerd. Om een uurtarief om te rekenen naar een loondienstverband is complete onzin. Ht gaat niet alleen om een uurtarief, het vrij indelen van werktijden, het kunnen werken voor wie en wanneer je wilt, bij een hoger uurloon wordt ook meer belasting betaald. Er wordt geen rekening gehouden met aftrekposten, afschrijvingen en noem het maar op.

    Jou punt is dus heel correct, maar t zou vooral goed zijn te stoppen met de jacht op de ZZPer. Heel snel een ander sociaal stelsel waar iedereen bijdraagt en dan wordt het vanzelf duidelijk wie nog graag wil blijven ondernemen en tegen welke tarieven. De onrust is momenteel groot en de schade aan de economie is enorm

  2. Dank voor je reactie Monique. Het idee dat zzp’ers geen afspraken mogen maken over minimumtarieven klopt niet helemaal. De ACM geeft juist aan dat zelfstandigen wél afspraken mogen maken over minimumvergoedingen, zeker als het gaat om het versterken van een zwakke onderhandelingspositie:
    https://www.acm.nl/nl/publicaties/acm-zzpers-kunnen-afspraken-maken-over-minimuminkomen

    Daarnaast is het inmiddels gebruikelijk om zzp-tarieven te vergelijken met een uurtarief in loondienst. Daar ben ik het zelf ook niet zo mee eens, zeker niet als een dergelijk zzp beroep om economische redenen grotendeels alleen nog maar door zzp-ers gedaan wordt. Een zelfstandig tarief is veel meer dan loon plus opslag; het gaat ook over niet-declarabele uren, investeringen, risico en fiscale verschillen. Daar schreef ik eerder dit over:
    https://www.reclamebeeld.nl/een-freelance-beroep-vergelijken-met-een-cao-via-rekentools/

    Mijn punt gaat niet over meer regels of inkomensgarantie, maar over realistische ondergrenzen zodat werken loont ongeacht de sector en de gemiddelde declarabele uren in die sector.

  3. Die wetgeving is een oplossing voor een niet bestaand probleem:
    Te weinig inkomen : Dan moet je er mee stoppen.
    Geen AOV afgesloten: Dan naar de bijstand.
    Bijstand te laag: Dat is geen ZP probleem maar een algemeen probleem
    Teveel ZPers in de bijstand: Nee, hoor kijk maar naar de cijfers
    Geen pensioen: Eigen keuze dan moet je rondkomen van een AOW
    AOW te laag: Dat is geen ZP probleem maar een algemeen probleem

  4. Beste Hans, bedankt voor je reactie, maar ik denk dat er wel degelijk een probleem is:
    https://www.nu.nl/economie/6383307/meer-mensen-met-werk-leven-in-armoede-vooral-zzpers-blijken-kwetsbaar.html

    Dat mensen met te weinig inkomen “er maar mee moeten stoppen” is een logische redenering. Maar in de praktijk stopt lang niet iedereen. Daarover schreef ik hier https://www.zipconomy.nl/2026/02/marktwerking-waarom-het-in-sommige-sectoren-hapert-voor-zzpers/

    • Tja, mensen kun je toch niet altijd blijven beschermen tegen hun eigen domheid.
      Daarbij dit risico loopt je ook met zelfstandigen met personeel. Wel meer kans dat zij worden geholpen door de overheid. Bijvoorbeeld booking.com, Schiphol, KLM, ABN AMRO, ING en ga zo maar door.

  5. Interessante gedachte Wilmar! En het laat nog eens zien dat een (minimum) tarief voor werkenden berekenen altijd meer vragen dan antwoorden oplevert. Wat jouw verhaal laat zien is dat het nodig is om een bepaalde gelaagdheid aan te brengen én dat een minimum een ondervloer is, geen benchmark.

    Ik denk (als eerste reactie) dat beroepen in deze schijven opdelen een heel interessante is, maar dat het niet afdoende is. Zo heb je per beroep weer andere beroepsgerelateerde kosten en risico’s. Om in jouw voorbeelden te blijven: de docent heeft misschien een laptop, internet en bepaalde abonnementen nodig, de timmerman een busje en gereedschap. Al die kosten moeten ook worden meegenomen in het minimum tarief. Ook heb je als werkende beperkte invloed op hoeveel declarabele uren je kunt maken, wat mede heeft te maken met vraag uit de markt en concurrentie. Waar ik het 100% mee eens ben is dat een algemeen minimumtarief voor alle werkenden niet reëel is.

    Met de WageIndicator Foundation (in NL bekend onder de naam Loonwijzer) zijn we hier zoals je weet ook veel mee bezig met het Living Tariff / Leefbaar Tarief: een op basis van het Living Wage gebaseerd minimum voor niet-werknemers. Daar zie ik dat je wel een redelijk basis minimum per beroepsgroep kunt berekenen, maar dat er altijd weer individuele variabelen zijn die impact kunnen hebben op een minimum voor een specifieke professional.

  6. Hey Martijn, bedank voor je uitgebreide reactie, daar ben ik het grotendeels mee eens.

    Je hebt gelijk dat per beroep verschillende kosten en risico’s spelen. Een timmerman heeft een andere kostenstructuur dan een docent. Wie tot een volledig kostendekkend individueel tarief wil komen, moet al die variabelen meenemen. Dat is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de ondernemer zelf.

    Beleid kan echter niet worden gemaakt voor iedere individuele zzp’er. Er zullen altijd verschillen zijn in kosten, ambities en risicobereidheid. Ik denk dat het voor wetgeving daarom meer voor de hand ligt om te werken met gemiddelden per beroep/sector. Dat zijn factoren waar een individuele zelfstandige weinig invloed op heeft.

    In mijn voorstel ligt de nadruk dan ook niet op individuele bedrijfskosten, maar op de realiteit van gemiddelde declarabele uren binnen een sector. Dat is een structurele factor die zwaarder doorwerkt in een realistische ondergrens dan hoge of lage kosten van een individuele ondernemer. Ik zie daarbij ook een rol voor beroepsorganisaties om aan te geven wat binnen een markt realistisch en gangbaar is.

    Een leefbaar inkomen is uiteraard een interessant en misschien een nog wel idealer uitgangspunt. Maar de huidige Nederlandse wetgeving vertrekt vanuit een minimumtarief in de VBAR/Zelfstandigenwet. Daar sluit mijn voorstel bij aan. Als er toch met een ondergrens wordt gewerkt, dan moet die aansluiten bij de economische realiteit van specifieke sectoren, in plaats van één generiek bedrag voor iedereen. Daar zit voor mij de kern.

    • Ha Wilmer,

      Ook jij dank voor je uitgebreide reactie. Je geeft zelf aan dat “het voor wetgeving daarom meer voor de hand ligt om te werken met gemiddelden per beroep/sector. Dat zijn factoren waar een individuele zelfstandige weinig invloed op heeft”. Bij een gemiddelde per beroep zou het juist haalbaar moeten zijn om een opslag percentage voor (minimale) beroepsgerelateerde kosten mee te nemen. Ik denk dan ook dat jouw voorstel op basis van declarabele uren prima kan worden aangevuld met beroepsgerelateerde kosten. Waarbij ik ook erken dat het toevoegen van een variabele ook de discussie weer ingewikkelder maakt.

      In Nederland is, in tegenstelling tot veel andere landen, het Leefbaar Loon (Living Wage) overigens lager dan het Minimum Loon. Daarom is hier het vertrekpunt van het minimumloon waar de VBAR berekening ook van uit gaat voor de Nederlandse context ook de juiste.

      En wat betreft de kern van jouw pleidooi “Als er toch met een ondergrens wordt gewerkt, dan moet die aansluiten bij de economische realiteit van specifieke sectoren, in plaats van één generiek bedrag voor iedereen.” > 100% mee eens.

      • Fijn dat we het eens zijn Martijn 🙂 Ik ben natuurlijk voorstander van gemiddelde minimale kosten die beroepsgerelateerd zijn. En ook voor die vaste 25% opslag voor AOV en pensioen valt iets te zeggen. Want 25% op basis van 700 declarabele uren levert een heel ander bedrag op dan 25% op basis van 1200 uren. In die zin zou het vaste percentage voor AOV en pensioen eigenlijk ook variabel moeten zijn, juist omdat het aantal declarabele uren per sector zo verschilt.

        Het lijkt mij een goed idee als beroepsorganisaties daar (deels) inspraak in krijgen, zodat die percentages beter aansluiten op de praktijk in een sector.

        En uiteindelijk is er ook een grote groep zzp’ers voor wie een ondergrens überhaupt niet zo relevant is, denk aan IT-consultants, advocatuur, financiële dienstverlening. Daarom zou je kunnen werken met een standaard uitgangspunt, met ruimte om per sector af te wijken als er signalen zijn dat een markt niet in balans is en er echt behoefte is aan een heldere ondergrens.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *



×