Wilmar Dik 16 februari 2026 0 reacties Print Eerlijke minimumtarieven voor zelfstandigen met schijven per beroepWilmar Dik oppert een plan voor zzp-minimumtarieven: door beroepen in schijven te verdelen op basis van realistische declarabele uren ontstaat een eerlijkere ondergrens, die beter aansluit bij de diversiteit van zelfstandigen en hun sectoren.In het coalitieakkoord staat een duidelijke ambitie: zelfstandigen moeten meer ruimte en duidelijkheid krijgen. Het kabinet kondigt aan om de Zelfstandigenwet gefaseerd in te voeren, te beginnen met het rechtsvermoeden van werknemerschap uit de VBAR, gecombineerd met sectorale rechtsvermoedens en een toetsingscommissie. Sectorale rechtsvermoedens klinken mooi! Vooralsnog mogen Nathalie Van Berkel en Thierry Aartsen zorgen voor een werkbaar zzp-kader. Maar hoe kan een sectoraal rechtsvermoeden, gecombineerd met een minimumtarief, zó worden ingericht dat het recht doet aan de grote verschillen tussen zelfstandigen? Daar heb ik alvast over nagedacht. Een minimumtarief is alleen een ondergrens Een minimumtarief is geen tarief waar zzp’ers per se voor willen of moeten werken. Net zoals het minimumloon in loondienst, fungeert het vooral als ondergrens. Onder dit niveau is het niet realistisch om als zelfstandige te werken: je houdt te weinig over om van rond te komen. Zelfstandigen werken soms voor te lage tarieven, bewust of onbewust, afhankelijk van marktmacht. Een minimumtarief voor een rechtsvermoeden kan hier ingrijpen waar nodig. Lees ook: Marktwerking: waarom het in sommige sectoren hapert voor zzp’ers Waarom één minimumtarief niet werkt De huidige benadering in de VBAR en de Zelfstandigenwet gaat uit van één minimumuurtarief: vanaf 1 januari 2026 is dat €38. Dat lijkt helder, maar doet geen recht aan de praktijk. Het maakt namelijk veel uit of je 30 uur per week declarabel bent, of structureel niet verder komt dan 21 uur. Het huidige VBAR-tarief voor ‘rechtsvermoeden’ sluit alleen aan als je daadwerkelijk kosten en declarabele uren hebt zoals hieronder: De correctie voor niet-declarabele uren is +50% (dus 2/3 declarabel, 1/3 niet-declarabel). Bij een 39-urige werkweek is dat bijvoorbeeld 26 uur declarabel. Dat is prima als dit het marktgemiddelde is, maar veel zzp’ers hebben andere gemiddelden. Een one-size-fits-all benadering werkt dus niet. Voorbeelden met de huidige VBAR-berekening Stel je bent docent of psycholoog, werkt fulltime en kan gemiddeld 21 uur per week factureren. Zelfstandigen hebben ook vakantiedagen, zijn weleens ziek en hebben te maken met leegloopuren. Bij 44 werkweken per jaar ziet de berekening er zo uit: 21 uur × 44 weken × €38 = €35.112 bruto jaaromzet. Haal je daar 35 procent bedrijfskosten, pensioenopbouw, afschrijvingen, verzekeringen en belastingen vanaf, dan blijft €1.902 per maand over. Dat is ruim €400 minder dan iemand in loondienst op minimumloon. Daar kun je niet van leven. Voor een timmerman met 33 declarabele uren per week ziet de berekening er zo uit: 33 uur × 44 weken × €38 = €55.176 bruto. Na aftrek van 35 procent kosten blijft €2.988 per maand over, wat relatief veel is voor een ondergrens. Deze twee voorbeelden laten zien dat het huidige minimumtarief de realiteit van zzp’ers niet goed weerspiegelt. Lees ook: In 5 stappen naar een eerlijke en duurzame zzp-markt Voorstel: werken met schijven Het is niet nodig om voor elk beroep een apart minimumtarief vast te leggen. Veel beroepen hebben vergelijkbare declarabele uren. Een schijvenmodel kan uitkomst bieden. Uitgaande van 44 werkbare weken per jaar, kan de realiteit van declarabele uren worden verdeeld in bijvoorbeeld zes duidelijke schijven: Elk beroep kan op basis van data in een schijf worden ingedeeld. Zo ontstaat een realistische ondergrens die rekening houdt met de huidige arbeidsmarktsituatie. Het is handig als een toetsingscommissie deze schijven periodiek actualiseert, zodat het systeem meebeweegt met de markt zonder dat de wet voortdurend aangepast hoeft te worden. Realistische ondergrens Rechtsvermoeden ontstaat niet alleen bij een laag tarief, maar door een combinatie van factoren. Realistische declarabele uren en bedrijfskosten moeten worden meegenomen in de berekening. Dit leidt tot een realistische ondergrens die werkt voor alle zelfstandigen, ongeacht sector. Declarabele uren wegen meestal zwaarder dan bedrijfskosten, maar het kan nuttig zijn om bedrijfskosten te verdelen in ‘normaal’ en ‘hoog’, afhankelijk van de investering die een beroep vereist. Met deze aanpak kan een minimumtarief worden berekend waar zelfstandigen daadwerkelijk van rond kunnen komen. Voorbeeldberekeningen met het schijvenmodel geven minimumtarieven die de diversiteit van zzp’ers beter weerspiegelen. Deze tarieven zijn niet perfect, maar bieden een realistischer beeld en sluiten beter aan bij de sectorale verschillen. Het zou eerlijker zijn als de Rijksoverheid bij het rechtsvermoeden ook sectorspecifiek kijkt naar de realiteit van een beroep. Zo wordt handhaving uitlegbaar en consistent, en voorkomen we dat zelfstandigen in sectoren met lage declarabiliteit structureel te weinig verdienen. Een minimumtarief wordt zo weer wat het hoort te zijn: een ondergrens waarmee werken loont, ongeacht de sector. minimumtarief zzp, rechtsvermoeden Print Over de auteur Over Wilmar Dik Wilmar Dik is freelance fotograaf en cameraman. Daarnaast schrijft hij over fotografie en ondernemen en zet hij zich in voor de belangen van (freelance) fotografen. Bij de NVJ is hij vertegenwoordiger beleidsteam Werkvoorwaarden namens ledengroep NVF/Beeldmakers. Daarnaast is hij als zelfstandig specialist betrokken bij de Ketentafel Fotografie (fairPACCT) en behartigt daar de belangen van freelance fotografen. Bekijk alle berichten van Wilmar Dik