Jaarlijkse archieven: 2020

Inhuurmarkt structureel anders door corona

Thuiswerken is een blijvertje

De opdrachtgevers, actief in uiteenlopende sectoren, zijn het met elkaar eens dat ‘thuiswerken een blijvertje’ is. In het post corona tijdperk wordt niet teruggegaan naar het ‘oude’. Een meerderheid van de opdrachtgevers actief in de dienstverlenende sector of de publieke sector verwacht zelfs dat het thuiswerken structureel meer dan 40% toeneemt ten opzicht van de periode pre-corona. De technologiesector en industriesector verwachten ook een toename, maar kleinschaliger dan de eerdergenoemde sectoren. Het lijkt voor de hand liggend dat te maken heeft met dat in de technologie- en industriesector, te typeren als de ‘maakindustrie’, thuiswerken minder makkelijk is in vergelijking met de dienstverlenende sector.

Productiviteit zakelijke dienstverlening snel weer als vanouds

Het coronavirus heeft zijn invloed op de productiviteit binnen organisaties, door beperkende maatregelen van de overheid, doordat werk niet of in mindere mate op afstand uitgevoerd kan worden of doordat professionals thuis minder productief zijn door afleiding in hun omgeving. Daartegenover staat dat een deel van de professionals juist productiever is door het wegvallen van bijvoorbeeld reistijd en overlegstructuren. Wat betreft de organisatieproductiviteit is de dienstverlenende sector het meest optimistisch gestemd. 65% van de gevraagde opdrachtgevers in deze sector verwacht in 2020 weer terug te zijn op het oude niveau. De overige sectoren daarentegen verwachten een langer herstel nodig te hebben, waarbij een meerderheid van de industriesector verwacht pas in 2021 of zelfs later terug te zijn op het oude niveau.

Structurele daling in omvang flexibele schil industrie

In onze steekproef vroegen we opdrachtgevers ook naar hun verwachting van de omvang van hun flexibele schil van professionals. Opvallend is dat opdrachtgevers in de industriesector een structurele daling van hun flexibele schil verwachten: maar liefst 55% van de opdrachtgevers verwacht een afname tot 20%. De techindustrie verwacht geen daling, maar verwacht wel een langere hersteltijd nodig te hebben. Zij verwachten  in 2021 weer terug te zijn op het oude niveau. De dienstverlenende sector en overheden voorzien een snel herstel. Beide sectoren verwachten direct na de zomer weer terug te zijn op het oude niveau.

Technologie-branche en overheid verwachten lagere tarieven

Tot slot de inhuurtarieven voor na de zomer. De technologiesector en overheden verwachten na de zomer goedkoper externe professionals in te kunnen huren. Opdrachtgevers in deze sectoren verwachten gelijkblijvende of dalende tarieven. De dienstverlenende sector verwacht juist dat er schaarste op de arbeidsmarkt blijft en dat de tarieven voor externe professionals gelijk blijven of zelfs stijgen. De industriesector is verdeeld: een meerderheid van de opdrachtgevers verwacht gelijkblijvende tarieven, 20% van de ondervraagden verwacht een stijging en een andere 20% verwacht juist een daling van de tarieven.

Cijfers impact van corona op externe inhuur

Bovenstaande infographic kun je hier downloaden.

Auteur: Esmée Ouwehand

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , , | Laat een reactie achter

Kamer maant Koolmees tot actie in aanpak schijnzelfstandigheid

Met een serie moties maant de Kamer minister Koolmees en staatssecretaris Vijlbrief om ook na de zomer serieus werk te maken van het bestrijden van schijnzelfstandigheid en het beschermen van kwetsbare groepen zzp’ers.

De moties volgen na een eerder algemeen overleg tussen de kamer en de bewindslieden. Daarin maakte Kamerleden al duidelijk teleurgesteld te zijn in het gebrek aan voortgang van het ‘zzp-dossier’ en meer in het bijzonder de vervanging van de Wet DBA, zoals het kabinet in haar regeerakkoord had beloofd. Nieuwe wetgeving is ingetrokken en de webmodule is afgezwakt tot een pilot. Koolmees wil in de nadagen van zijn ambtstermijn een ‘fundamenteel debat’ over welk type werk nu wel en niet door zzp’ers gedaan zou kunnen worden.

Op de nacht voor het ingaan van het zomerreces stemde de Kamer in met een reeks moties, waarmee duidelijk wordt wat de Kamer nog verwacht van dit kabinet in het resterende half jaar tot aan de verkiezingen.

  • Minimumtarief en Europa

De Kamer wil dat minister Koolmees toch nog eens in Europees verband gaat praten over de mogelijkheden om tot een minimumtarief te komen. De uitkomsten van die gesprekken zullen vooral informatie opleveren voor de formatie van een nieuw kabinet.

  • Onderhandelingen over tarieven

De Kamer wil graag voor het kerstreces horen of er – in navolging van de Leidraad tariefafspraken zzp’ers van de ACM (zie hier) – in sectoren afspraken gemaakt zijn over minimumtarieven. Koolmees is ook gevraagd om met voorstellen te komen om eventuele belemmeringen weg te nemen als die afspraken gemaakt kunnen worden. Ook de EU wil inzetten op meer mogelijkheden tot collectieve onderhandelingen, zo liet EU commissaris Vestager vorige week weten (zie hier). Waarbij de ‘catch 22’ rond dit onderwerp nog niet is weggenomen. Immers: dergelijke tariefonderhandelingen worden alleen toegestaan in werksituaties die de Belastingdienst beoordeelt als ‘niet mogelijk buiten dienstbetrekking’.

  • Eind maken aan schijnconstructies

Ook een motie die de regering verzoekt  “nog deze kabinetsperiode met voorstellen te komen om een einde te maken aan schijnconstructies” kon op een Kamermeerderheid rekenen. Tot verbazing van de indieners Van Dijk (PvdA) en Van Kent (SP) had een goedgemutste Minister geen bezwaar tegen deze motie.

Wat hier zichtbaar wordt is dat het kabinet en de oppositie al een hele kabinetsperiode langs elkaar heen praat. De PvdA en SP vinden dat het kabinet schijnzelfstandigheid kan aanpakken maar het niet doet. Het kabinet vindt dat het doet wat het kan, maar dat er nieuwe wetgeving en instrumentarium nodig is om ook daadwerkelijk schijnconstructies aan te pakken.

Dus voor Koolmees is de pilot van de webmodule en het debat over de uitkomsten daarvan de logische vervolgstap om een einde te maken aan de schijnconstructies.

Nog geen afbouw moratorium handhaving

Een motie om het ‘handhavingsmoratorium op schijnzelfstandigheid per 1 januari 2021 uit te faseren’ werd door het kabinet ‘ontraden’ en haalde (dus) geen Kamermeerderheid. Smeulders (GroenLinks) stelde die datum voor. Met de wens om per 1 januari een werkende webmodule gereed te hebben, in combinatie met de mogelijkheid te werken met een modelovereenkomst. Na enige aarzeling wilde staatssecretaris Vijlbrief, die wederom liet zien nog niet al te stevig in dit dossier te zitten, zich niet vastleggen op deze stappen. Mogelijk in de wetenschap dat de stap van een pilot naar een werkende webmodule, waarna ook beter gehandhaafd kan worden, nog verre van zeker is.

Het kabinet moet van de Kamer wel stapsgewijs actiever gaan handhaven bij evident kwaadwillenden in “sectoren waar aantoonbare schijnzelfstandigheid plaatsvindt.” Maar dat is in feite al het huidige beleid. Zonder veel zichtbaar resultaat overigens.

In september maakt staatssecretaris Vijlbrief bekend hoe de pilot van de webmodule (zie hier voor uitleg webmodule) vorm gegeven wordt. De volgende stap in een zich voortslepend dossier.

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , | Laat een reactie achter

KVK : fors herstel in aantal nieuwe ondernemingen in juni (plus 20%).

De Kamer van Koophandel registreerde in de eerste twee kwartalen van 2020 vijf procent minder startende ondernemingen ten opzichte van de eerste twee kwartalen van 2019. Het aantal faillissementen nam in het eerste halfjaar met 5%. Dit blijkt uit de KVK Bedrijvendynamiek die vandaag is verschenen.

Het aantal ingeschreven ondernemingen is in de eerste zes maanden van 2020 nog steeds wel iets toegenomen. Met 2%, in 2019 was dat nog 3%. Per saldo kwamen er sinds 1 januari van dit jaar 35.124 ondernemingen bij.

Na een flinke afname van het aantal starters in april (-34%) en mei (-11%) werden er in juni weer flink meer ondernemingen ingeschreven: een plus van 20% in juni.

Faillietverklaringen

Het aantal faillietverklaringen ligt in het eerste halfjaar van 2020 5% hoger dan in dezelfde periode van 2019: het aantal nam toe van 1.529 naar 1.603 in de eerste helft van dit jaar.

 

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags | Laat een reactie achter

Europese Commissie wil duidelijk maken wanneer zzp’ers collectief mogen onderhandelen

De Europese Commissie wil duidelijker maken onder welke omstandigheden zzp’ers collectief mogen onderhandelen zonder daarmee kartelwetgeving te overtreden. Op die manier wil de commissie kwetsbare zelfstandigen meer onderhandelmacht geven.

Schijnzelfstandigen zijn uitgezonderd van kartelverbod

Volgens het Europees recht mogen werknemers collectief onderhandelen over salarissen, maar (zelfstandig) ondernemers mogen geen prijsafspraken maken. Dat druist namelijk in tegen het kartelverbod.

Schijnzelfstandigen zijn de uitzondering op deze regel, blijkt uit een uitspraak van het Europees Hof (2014). Wie hetzelfde werk op dezelfde manier doet als werknemers, mag wel collectief onderhandelen. Zo is onlangs in de CAO voor architecten opgenomen dat ingehuurde zzp-architecten minimaal een tarief moeten krijgen van 150% van het vergelijkbare loon (zie hier).

Richtlijnen voor alle zzp’ers

Het probleem is dat je dan wel eerst moet bepalen dat iemand schijnzelfstandige is. En dat is lang niet altijd duidelijk. Daarom wil de Europese Commissie richtlijnen opstellen die gelden voor alle zzp’ers. Als zij aan bepaalde voorwaarden voldoen, mogen zij gezamenlijk onderhandelen over tarieven. Het voordeel: de rechter hoeft niet eerst te bepalen dat iemand schijnzelfstandige is, voordat hij collectief mag onderhandelen.

Hiermee wil de Commissie vooral onderbetaalde platformwerkers beschermen, benadrukt Margrethe Vestager via Twitter. Zij is verantwoordelijk voor het concurrentiebeleid. Volgens haar hebben zzp’ers die werken via platformen als taxi-app Uber of maaltijdbezorger Deliveroo in hun eentje een veel te zwakke onderhandelingspositie. Als ze samen optrekken, hebben ze veel meer kans om hun arbeidsomstandigheden te verbeteren.

“Degenen die het nodig hebben mogen collectief onderhandelen zonder bang te zijn dat ze de Europese regels overtreden”, schrijft Vestager. “Het verschil tussen werknemers en zzp’ers is niet altijd duidelijk. We willen meer duidelijkheid geven, zodat ook kwetsbare platformwerkers gezamenlijk tariefafspraken kunnen maken om hun werkomstandigheden te verbeteren. Het is niet de bedoeling dat de kartelwet werkenden ervan weerhoudt om een vakbond te vormen.”

De Commissie komt in de herfst met een voorstel waar iedereen zijn mening over mag geven via een internetconsultatie.

Zij-aan-zij

De Autoriteit Consument & Markt (ACM) publiceerde vorig jaar al een ‘Leidraad tariefafspraken zzp’ers’ die duidelijk moet maken in welke gevallen zzp’ers  gezamenlijk afspraken kunnen maken over hun tarief.

Daar staat bijvoorbeeld in dat zzp’ers die ‘zij-aan-zij’ werken met werknemers in het bedrijf of de sector voor dat werk geen “ondernemer” zijn volgens de Mededingingswet. Dus als zzp’ers in de dagelijkse gang van zaken niet te onderscheiden zijn van werknemers in die sector, dan mogen zij gezamenlijk onderhandelen over tarieven.

In een reactie op een motie van Kamerleden Gijs van Dijk (PvdA) en Steven van Weyenberg (D66) heeft minister Koolmees toegezegd om voor het einde van het jaar te inventariseren of naast de architectenbranche er in meer sectoren minimumtarieven voor zzp’ers zijn afgesproken. En eventuele belemmeringen weg te nemen als het niet lukt om tariefafspraken te maken.

Geplaatst in ZP en Politiek | Tags , , , , , | Laat een reactie achter

Praktijkorganisaties doen voorstel voor orde op de arbeidsmarkt: uurtarief geeft doorslag bij twijfel of iemand als zzp’er mag werken

Het Platform Toekomst van Arbeid (PTA) overhandigde dinsdag een rapport vol aanbevelingen aan minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken) om de arbeidsmarkt in balans te krijgen. De initiatiefnemers noemen het een vervolg op het eindrapport van de commissie Regulering van Werk onder leiding van Hans Borstlap.

‘Breder dan Borstlap’

Sieto de Leeuw (ABU) en Anne Megens (AWVN) overhandigen rapport aan minister Koolmees

Borstlap en zijn commissieleden presenteerden in januari het rapport In wat voor land willen we werken. De voorstellen van de commissie zouden een zeer forse impact hebben op werkgevers, werknemers en zelfstandigen, dus de commissie wil graag dat zij meedenken voordat het kabinet ermee aan de slag gaat. Borstlap riep allerlei belanghebbende partijen op over zijn eindrapport in gesprek te gaan en eventueel met betere suggesties komen. 

Dat is precies wat PTA doet. Dit verbond van tientallen organisaties – van werkgevers en verzekeraars tot onderwijs- en uitzendpartijen – presenteert een rapport met concrete, doorgerekende voorstellen die in totaal 140.000 extra fulltime banen en meer arbeidsproductiviteit moeten opleveren. Anne Megens van werkgeversvereniging AWVN is één van de betrokken partijen: “Dit is een voorstel vanuit de praktijk.”


Wat is het Platform Toekomst van Arbeid?

Het Platform de Toekomst van Arbeid noemt zichzelf een ‘maatschappelijke alliantie’, een coalitie van publieke en private partijen. Initiatiefnemers zijn Aart van der Gaag, Hans Kamps, Fred van Haasteren en vertegenwoordigers van ABU, Cedris, Goldschmeding Foundation, MBO Raad, NRTO, AWVN, Verbond van Verzekeraars en Kindcentra 2020.


De commissie wil nieuwe regels en wetten die zorgen dat alle werkenden recht hebben op scholing en verzekerd zijn tegen arbeidsongeschiktheid. “Ons voorstel is breder dan dat van Borstlap”, vertelt Megens. “In het rapport staan ook voorstellen die te maken hebben met kinderopvang en de combinatie arbeid en zorg. Denk bijvoorbeeld aan 5 maanden ouderschapsverlof voor alle werkenden, ook zzp’ers.”

Drie gelijkwaardige contractvormen

Daarnaast pleiten de coalitieleden voor een ‘orderlijke arbeidsmarkt’ met drie contractvormen:

  • Arbeidsovereenkomsten voor bepaalde of onbepaalde tijd voor werknemers
  • Uitzendcontracten en andere (nieuwe) contractvormen via derden, zoals payroll en werken via online platformen. Uitgangspunt is dat deze (nieuwe) vormen zoveel als mogelijk gelijk aan uitzendwerk gereguleerd moeten worden en voldoen aan dezelfde principes, zodat hier een gelijk speelveld zal ontstaan.
  • Opdrachtovereenkomsten. Dat zijn contracten voor zelfstandig ondernemers die hun eigen arbeid aanbieden als dienst of product.

De ene contractvorm is niet beter dan de ander, schrijft de PTA. In een interview met ZiPconomy zei mede-initiatiefnemer en directeur van de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU) Jurriën Koops: “Ons voorstel is geïnspireerd op dat van de commissie Borstlap die drie rijbanen voorstelt: loondienst, uitzend en ondernemen. Wij zien die uitzend-baan als een brede, volwaardige rijweg met meerdere vormen van driehoeksrelaties. Bijvoorbeeld ook arbeidsbemiddeling via platformen.”

Niet werknemer tenzij, maar werknemer als

De commissie Borstlap stelt een ‘werknemer, tenzij’-principe voor. Dat houdt namelijk in dat als iemand eigen arbeid verricht tegen een beloning, hij werknemer is. Tenzij hij kan aantonen dat hij zelfstandige of uitzendkracht is.

“Wij pleiten voor ‘werknemer, als’, ‘zelfstandige, als’ en ‘uitzend, als’,” zegt Koops. “Het principe ‘werknemer’, tenzij’ houdt namelijk ook in dat je moderne arbeidsvormen niet erkent. Dat is onverstandig, want dan kun je ze ook niet reguleren.”

Criteria voor ondernemerschap

De PTA wil heldere definities van de ondernemer, de werknemer en de uitzendwerknemer. Bij zelfstandig ondernemers die hun eigen arbeid verkopen is dat lastig, weten ze. Daarom hebben ze in plaats van een definitie drie criteria verzonnen. Als je aan minstens één van de drie voldoet, ben je ondernemer:

  1. Je doet betekenisvolle investeringen in kapitaalgoederen
  2. Je hebt mensen in dienst
  3. Je verdient meer per uur dan vergelijkbare werknemers.

Werknemer of zzp’er? Uurloon geeft de doorslag

Megens: “Wat ons betreft is de beloning de belangrijkste indicatie voor zzp-schap. Want zzp’ers moeten zelf reserveren voor hun oude dag, vakantie en momenten wanneer ze minder opdrachten hebben. Hun tarief moet dus altijd hoger liggen dan dat van een werknemer.”

De beloning is vooral belangrijk als het gaat om zzp’ers die hun eigen arbeid verkopen. Het platform vindt dat de uurbeloning zwaar moet wegen als het erop aankomt een ‘ondernemer van eigen arbeid’ juridisch te onderscheiden van een ‘werknemer’.

Hoe zit dat als een zzp’er geen uurtarief heeft, maar bijvoorbeeld een prijs rekent per opgeleverde video of geschreven artikel? En wat als de ondernemer verder niemand in loondienst heeft? Dat weet het platform ook nog niet.

“We moeten hier nog wel verder over discussiëren, want in de praktijk zal het lang niet altijd makkelijk zijn om vast te stellen dat een zzp’er meer verdient”, zegt Megens.

Het platform stelt voor dat de overheid jaarlijks een loonkostenoverzicht publiceert, mede op basis van cao’s. Werkgevers die ondernemers een tarief betalen dat hoger is dan de hierin gepubliceerde arbeidskosten, zijn er zeker van een overeenkomst van opdracht te hebben afgesloten. Als dat niet zo is bestaat het vermoeden van schijnzelfstandigheid. Dan moeten de partijen op een andere manier bewijzen dat de opdrachtnemer als zzp’er gewerkt heeft.

Eén werkendenkorting

Het draait er allemaal om dat werkenden en werkgevers kiezen voor een flexibel contract vanwege de aard van het werk of de vrijwillige keuze om als ondernemer te werken. Niet omdat het goedkoper is of om arbeidsvoorwaarden te ontwijken, vertelt Megens.

“We willen oneigenlijke prikkels uit het systeem halen”, zegt ze. “Daarom moet er één werkendenkorting komen, in plaats van de zelfstandigen -en mkbaftrek. Dat zorgt voor een gelijk speelveld tussen werknemers en zelfstandigen. Met een werkendenkorting verlaag je de drempel naar de arbeidsmarkt, zonder een bepaalde groep te bevooroordelen.”

Meer flexibiliteit van vaste medewerkers

Het platform pleit ervoor dat organisaties niet alleen externe flexwerkers inhuren om in te spelen op drukke en rustige periodes, maar ook intern flexibeler worden. 

Werknemers met een vaste arbeidsovereenkomst moeten bijvoorbeeld meer bijscholen om zo (flexibel) inzetbaar te blijven, binnen én buiten de eigen organisatie. Dat zou de werkgever moeten verplichten en daar ook voor moeten betalen.

Flexibele contracten en roosters

En het moet makkelijker worden om het rooster en de werktijden van werknemers aan te passen. Bijvoorbeeld met een ‘jaarurencontract’, waarin per jaar het aantal te werken uren vastligt, net als de beloning, maar de inzet van deze uren flexibel is. Verder kan de werkgever de arbeidsovereenkomst eenzijdig wijzigen onder ‘uitzonderlijke omstandigheden’.

Het concrete plan: de werkgever mag de arbeidsomvang met maximaal 20 procent inkorten. Bij wijze van compensatie betaalt de werkgever de werknemer dan gedurende de eerste drie maanden 90 procent van het salaris door en gedurende de tweede 3 maanden 85 procent. Megens: “Als een organisatie zich gedwongen voelt het personeelsbestand in te krimpen, ontstaat zo de mogelijkheid om vijf mensen 20 procent minder te laten werken, in plaats van één collega te ontslaan.”

Piek, ziek en uniek

Daarbij willen ze externe flex verder reguleren door een langere opzegtermijn voor werkgevers en een verbod op nulurencontracten. Met externe flex bedoelen zij ook driehoeksrelaties, zoals werken via een bemiddelaar of online platform.

“Externe flex moet ingezet worden zoals het bedoeld is: bij piek, ziek en uniek”, zegt ze. “En dat betekent dus dat de rafelranden van flex af moeten, waaronder dus afschaffing van het nulurencontract.”

Met het rapport spreekt de PTA vooral het volgend kabinet aan, omdat er veel wetswijzigingen nodig zijn. En daar heeft dit kabinet geen tijd meer voor. “Toch is het verstandig om nu al aan de slag te gaan, daarom hebben we het rapport ook aangeboden aan minister Koolmees”, zegt Megens. “Denk bijvoorbeeld aan een ontwikkelbudget en focus op levenslang ontwikkelen. In de coronacrisis stelt het kabinet geld beschikbaar voor ontwikkeladvies, om- en bijscholing voor zzp’ers en werknemers. Het zou een gemiste kans zijn om hier niet op door te pakken.”

Geplaatst in Professioneel inhuren, ZP en Politiek | Tags , , , , , , | 3s Reacties

Fiverr groeit flink in Nederland tijdens de coronacrisis. Bijklussen kan nu ook in eigen taal

De internationale marktplaats voor freelanceklusjes Fiverr heeft sinds deze week een Nederlandstalige website. Tijdens de coronacrisis maakten namelijk flink meer Nederlanders gebruik van Fiverr.

Het aantal Nederlandse freelancers op Fiverr nam in maart toe met 24,8 % ten opzichte van februari, die stijging hield aan in april (+22,8%). Het aantal opdrachten dat Nederlandse bedrijven verstrekte op Fiverr groeide in maart met 29,1% en in april met 13,9%. Een Nederlandstalige site moet de groei verder stimuleren.

Klusjes voor 5 euro

Op het van oorsprong Israëlische platform zijn bijna een kwart miljoen freelancers en 2,5 miljoen opdrachtgevers actief. Fiverr is echt bedoeld voor kleine klusjes, bijvoorbeeld eenmalig een logo ontwerpen of een voice-over inspreken. De standaardprijs voor diensten op Fiverr (‘vijfje’) is 5 dollar en de gemiddelde opdrachtgever geeft jaarlijks 177 dollar uit op de site.

Als je klusjes doet via Fiverr, verloopt het hele proces via het platform. Opdrachtgevers kunnen jouw diensten vinden, bestellen en afrekenen via de site. Als opdrachtgevers niet tevreden zijn bemiddelt de klantenservice.

Fiverr Pro: screening van professionals

Drie jaar geleden begon het bedrijf daarnaast Fiverr Pro, een onderdeel van het platform waarop je je taken kunt uitbesteden aan professionelere freelancers. In tegenstelling tot het het ‘normale’ Fiverr worden freelancers op Fiverr Pro individueel gescreend. Hier gaat het dan ook om iets beter betaalde klussen, bijvoorbeeld 350 euro voor een blogpost van 400 woorden door een professionele schrijver.

Groeien in coronatijd

Fiverr heeft sinds juni 2019 een notering op de beurs in New York. Uit kwartaalcijfers blijkt dat het platform goede zaken doet tijdens de coronacrisis. Fiverr haalde in het eerste kwartaal van 2020 een omzet van 34,2 miljoen dollar, een stijging van 44 procent ten opzichte van vorig jaar.

In de Telegraaf vertelt Peggy de Lange van Fiverr dat er vooral vraag is naar creatief werk zoals korte videoadvertenties, vertalingen en Photoshop-bewerkingen. Nederlandse freelancers op het platform verdienen vooral aan logo-ontwerp, vertalingen en illustratie.

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , , | Laat een reactie achter

Naar een nieuw, werkbaar evenwicht tussen bescherming, ordening én ruimte voor ondernemerschap

  • Waarom de wetgever zich bemoeit met de voorwaarden waaronder een persoon arbeid verricht.
  • Voorstellen om de regeling van de arbeidsovereenkomst te laten aansluiten bij de arbeidsmarkt en behoeften van de werknemer in de 21e eeuw.
  • Naast modernisering van de regeling van de arbeidsovereenkomst moet de kloof tussen arbeid verricht als werknemer en arbeid verricht als zelfstandig ondernemer worden verkleind.
  • Vereenvoudig de afbakening tussen werknemer en zelfstandig ondernemer door voor arbeidsrecht, sociale zekerheid en fiscaliteit één set afbakeningscriteria en één toetsingskader te hanteren en het ‘gezagscriterium’ te moderniseren. 
  • Een werkende wordt niet (méér) autonoom als hij met een handtekening onder een contract zelf kan bepalen dat hij geen werknemer is maar zelfstandig ondernemer. 

Integraal herontwerp van de regels rondom werk

In het rapport ‘In wat voor land willen wij werken?’ adviseert de Commissie regulering van werk om te komen tot een integraal herontwerp van de regels rondom werk. Op het gebied van arbeidsrecht, sociale zekerheid, fiscaliteit en persoonlijke ontwikkeling tijdens de loopbaan. Een herontwerp dat moet bijdragen aan meer wendbaarheid, duidelijkheid, weerbaarheid en wederkerigheid bij het verrichten van werk.

Kern van het advies van de Commissie is te komen tot een overzichtelijk stelsel van drie contractvormen voor werkenden, door de Commissie ‘rijbanen’ genoemd, waarbij de indeling van de werkende in een rijbaan wordt bepaald door de manier waarop het werk feitelijk wordt verricht. De arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de eigenaar of exploitant van de onderneming waarin hij werkt, moet volgens de Commissie de hoofdrijbaan zijn omdat hierbij duurzaam wordt samengewerkt en werknemer en werkgever optimaal in elkaar investeren. Naast die hoofdrijbaan bepleit de Commissie twee kleinere rijbanen: (i) verricht de werknemer tijdelijk werk dat niet of moeilijk voorzienbaar is op basis van een arbeidsovereenkomst met een werkgever die werknemers ter beschikking stelt aan derden in het kader van een door hem vervulde actieve allocatiefunctie op de arbeidsmarkt, is sprake van een uitzendovereenkomst en (ii) als een werkende voor eigen rekening en risico werkt – de werkende is niet ingebed in de organisatie van de werkgevende en het werk behoort niet tot de reguliere activiteiten van de werkgevende – is sprake van werk dat wordt verricht op zelfstandige basis.

In een column in het Tijdschrift voor Arbeidsrecht in Context gaf ik in maart jl. een toelichting op de keuze van de Commissie voor deze drie rijbanen en haar advies de indeling van de werkende in een rijbaan niet te laten afhangen van wat partijen daarover contractueel afspraken, maar van de manier waarop het werk feitelijk wordt verricht. Op verzoek van ZiPonomy focus ik in deze verkorte versie van mijn column op waarom de Commissie adviseert de indeling van de werkende in een rijbaan niet te laten afhangen van wat partijen daarover contractueel afspraken, maar van de manier waarop het werk feitelijk wordt verricht, en wat dit betekent voor het onderscheid tussen een zelfstandig ondernemer en een werknemer. Die discussie is op dit moment nog actueler dan deze al was in deze zware economische tijden als gevolg van de COVID-19-pandemie en het debat over de mogelijke vervanging van de Wet DBA. Ondanks die focus is dit nog steeds een lijvige column. Dat is echter niet te vermijden omdat voor een goed begrip van de door de Commissie geadviseerde maatregelen ten aanzien van de afbakening en behandeling van de zelfstandige ondernemer binnen het stelsel van drie contractvormen ook moet worden stilgestaan bij de door haar geadviseerde aanpassingen van de arbeidsovereenkomst zelf.

Zoals is benadrukt door de Commissie moeten de door haar geadviseerde maatregelen in samenhang worden beschouwd en dit geldt ook voor de door haar geadviseerde drie rijbanen voor werkenden.

Voorwaarden nodig

Omdat binnen de arbeidsovereenkomst geen sprake is van sociaal-economisch gelijke partijen heeft de wetgever hier in 1907 de contractvrijheid van partijen aan banden gelegd. Vormvereisten, zoals een schriftelijke overeenkomst, moesten geen rol spelen bij de kwalificatie van de arbeidsovereenkomst omdat de werknemer dan voor de keuze kon worden gesteld afstand te doen van arbeidsrechtelijke bescherming in het kader van het bemachtigen van het werk. Niet alleen de sociaal-economisch zwakkere positie van de werknemer vormde reden tot overheidsingrijpen, ook kwam de regeling van de arbeidsovereenkomst het economisch verkeer ten goede omdat dit de ondernemingsactiviteit beter berekenbaar maakte.

Dat ordeningsaspect is van onverminderd belang maar in de afgelopen honderd jaar zijn rol en hoedanigheid van werkgever en werknemer als partijen bij de arbeidsovereenkomst ingrijpend gewijzigd. Hoewel nog steeds sprake is van ongelijke posities, hebben economische ontwikkelingen als de verschuiving van werkgelegenheid van de agrarische en industriële sector naar de dienstensector, en maatschappelijke ontwikkelingen als individualisering en een toegenomen opleidingsniveau, ertoe geleid dat werknemers meer regie en autonomie (willen) hebben over hun werk. Aan de andere kant is de werkgever vaak niet meer die klassieke arbeidsorganisatie van natuur, arbeid en kapitaal waarvoor de werknemer gedurende vastgezette tijden en uren in een ondergeschiktheidsverhouding werkzaam is. De werkgever heeft te maken met een sterk(er) fluctuerend werkaanbod, wisselende marges en moet daar voortdurend op in kunnen spelen in een wereld die globaliseert en ‘technologiseert’.

Vernieuwing nodig

Toch gaat de huidige arbeidsrechtelijke regulering in de basis nog steeds uit van een arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer waarbij de werknemer gedurende vastgezette tijden en uren in een ondergeschiktheidsverhouding werkzaam is in de onderneming van de werkgever. Daarbij rusten op de werkgever omvangrijke verplichtingen op het gebied van loonbetaling en re-integratie bij ziekte, ontslag en tewerkstelling. Dat heeft eraan bijgedragen dat in de afgelopen 25 jaar onder juridische noemers die daarvoor helemaal niet bedoeld waren – binnen en buiten het arbeidsrecht – een wirwar aan flex- en andere contractvormen is ontstaan als alternatief voor deze arbeidsovereenkomst. Dat is natuurlijk niet altijd oorzaak-gevolg maar een relatie is er zeker. Contracten en niet de manier waarop gewerkt wordt, bepalen nu dat iemand met minder rechten als zelfstandig ondernemer werkt, of op basis van een min-max of nul-urencontract, of als uitzendkracht of payrollkracht. Dit is problematisch omdat vaak de meest kwetsbare werkenden onder deze contractvormen werkzaam zijn en het voor hen moeilijk is hun rechten op te eisen of zelfs te kennen. Daarbij is ook van belang dat aan de andere kant niet (altijd) een werkgever staat die enkel om de arbeidskosten te drukken gebruik maakt van deze contractvormen maar hiertoe genoodzaakt is om zo te kunnen inspelen op veranderende marktomstandigheden.

Behoeften in de 21e eeuw

Als bypasses de nieuwe hoofdroute worden, moet worden nagedacht over het bestaansrecht van die hoofdroute. Dit heeft volgens de Commissie als logische consequentie dat opnieuw moet worden nagedacht over de verplichtingen en manoeuvreerruimte binnen de arbeidsovereenkomst voor zowel de werkgever als de werknemer. De Commissie pleit voor een wendbaardere arbeidsovereenkomst die aansluit bij de veranderde behoeften van werkgever en werknemer. Zo ontstaan impulsen voor het moderniseren van de interne bedrijfsvoering met ruimte voor ontplooiingskansen voor werknemers. Dat creëert meerwaarde voor beide partijen en ruimte voor innovatie en het verhogen van de productiviteit.

In dat verband adviseert zij de introductie van de mogelijkheid voor de werkgever om – onder voorwaarden en tot een zekere grens – eenzijdig de arbeidsurenomvang, werktijden en functie van de werknemer en de locatie waar wordt gewerkt te kunnen wijzigen. De werknemer moet van zijn kant zoveel mogelijk dezelfde mogelijkheden hebben. De Wet flexibel werken geeft de werknemer al het recht de arbeidsurenomvang te verminderen en (onder voorwaarden) te vermeerderen en zijn werktijden aan te passen en de werkgever moet in overleg met de werknemer als deze de werklocatie wil wijzigen. De Commissie vindt dat daaraan moet worden toegevoegd dat de werkgever in overleg moet met de werknemer als hij een andere functie-inhoud wil.

Werknemers maken nu nauwelijks gebruik van de wettelijke mogelijkheden die zij al hebben om hun arbeidsvoorwaarden te wijzigen. Dat moet veranderen. Wederkerigheid. Werknemers moeten worden aangemoedigd binnen de wendbaardere arbeidsovereenkomst meer eigen regie, autonomie en in zekere zin ondernemerschap op te eisen. De wederkerigheid die dan op deze gebieden wordt geïntroduceerd kan binnen die nieuwe arbeidsmarkt, met die wendbare en weerbare werknemer – ook als gevolg van de door de Commissie geadviseerde maatregelen op het gebied van scholing en beperking van het concurrentiebeding – een eigen dynamiek gaan krijgen. De werknemer wordt autonomer, kan onderhandelen over de invulling van de arbeidsovereenkomst. Dit kan niet alleen worden bewerkstelligd met wetswijzigingen maar vereist ook een cultuuromslag bij zowel werkgevers als werknemers. De door de Commissie voorgestelde arbeidsombudsman kan daarbij een ondersteunende, aanjagende en corrigerende rol vervullen.

De feitelijke baas is ook juridisch de werkgever

De Commissie neemt als uitgangspunt – in de vorm van een ‘rechtsvermoeden werkgeverschap’ – dat de eigenaar of exploitant van de onderneming waarin of waarvoor de arbeid feitelijk wordt verricht de werkgever is. De achtergrond van dit uitgangspunt is dat de ondernemer als ‘vermarkter’ van het resultaat van de persoonlijke arbeid van de werknemer aan de werknemer moet zijn gekoppeld omdat zo impulsen ontstaan voor de hiervoor genoemde modernisering van de interne bedrijfsvoering met ruimte voor ontplooiingskansen voor werknemers. Als de onderneming waarin de werknemer werkt de werkgever is, heeft de ondernemer er belang bij te investeren in de ontplooiingskansen van de werknemer. Daarmee wordt innovatie en het verhogen van de productiviteit gestimuleerd.

Dat uitgangspunt van de Commissie ‘maak de feitelijke baas ook juridisch de werkgever’ heeft gevolgen voor het brede scala aan driehoeksrelaties dat wij nu kennen onder benamingen als uitzending, payrolling, detachering en contracting. Doordat in driehoeksrelaties de rechtstreekse contractuele band tussen de werknemer en de onderneming waarin of waarbij hij werkt, kan zijn doorgeknipt, wordt de eigenaar of exploitant van die onderneming niet of in mindere mate gestimuleerd te investeren in de ontplooiingskansen van de werknemer. Hier geldt immers ‘niet goed, einde terbeschikkingstelling’ en bestaat het risico dat de door de werknemer verrichte arbeid gemakkelijker verwordt tot handelswaar, hetgeen op gespannen voet staat met het (internationale) grondbeginsel dat arbeid geen handelswaar is.

Driehoeksrelaties kunnen ten koste gaan van arbeidsrechtelijke bescherming die is gekoppeld aan het juridische werkgeverschap van de eigenaar of exploitant van de onderneming waarin de werknemer de arbeid verricht. Dat gaat niet alleen om het wegcontracteren van ondernemersrisico door gebruik te maken van een flexibele schil en om het recht van de werknemer op de in de sector gebruikelijke arbeidsvoorwaarden – dat laatste is voor een deel geregeld in de Waadi en ABU CAO – maar (ook) om alle andere verplichtingen die de ondernemer als directe werkgever tegenover die werknemer zou hebben gehad. Denk aan de verplichting tot tewerkstelling, inachtneming van ontslagbescherming, deelname in een bedrijfstakpensioen, investeren in een (informele) leeromgeving, faciliteren van de mogelijkheid parttime of juist meer te gaan werken en werk en privé helpen combineren.

Afwijking van het uitgangspunt dat de werknemer in dienst is van de feitelijke werkgever behoeft daarom een rechtvaardiging. Een specifieke categorie binnen de driehoeksrelaties waarbij volgens de Commissie een generieke afwijking van het uitgangspunt van het werkgeverschap van de feitelijke werkgever gerechtvaardigd is, vormt de uitzendovereenkomst mits de werknemer dan tijdelijk werk dat niet of moeilijk voorzienbaar is verricht op basis van een arbeidsovereenkomst met een werkgever die een actieve rol speelt bij het bijeenbrengen van de vraag naar het aanbod van dergelijke arbeid. Deze actieve allocatiefunctie van uitzending blijft belangrijk voor een goed werkende arbeidsmarkt in de 21e eeuw en rechtvaardigt daarom een aparte rijbaan.

Verklein de kloof tussen werknemer en ondernemer

Naast het aanpassen van de arbeidsovereenkomst aan de veranderde behoeften van werkgever en werknemer, adviseert de Commissie werk dat wordt verricht op zelfstandige basis en op basis van een arbeidsovereenkomst gelijker te belasten en te verzekeren. Dat eerste door de huidige ondernemersfaciliteiten langs de weg van fiscale inkomenssteun – van zelfstandigenaftrek tot het ontgaan van progressieve belastingheffing door dga’s die voornamelijk arbeid inzetten in de vennootschap – af te schaffen en te vervangen door fiscale faciliteiten gericht op investeringen en risicokapitaal waarmee echt ondernemerschap wordt ondersteund. Dat laatste door introductie van een ‘universeel fundament’ waarin iedere werkende in de basis verzekerd is tegen de drie grote maatschappelijke risico’s (kennisveroudering, arbeidsongeschiktheid en lang leven). Wanneer arbeid gelijker wordt belast en ook zelfstandigen premie gaan betalen voor een basisverzekering tegen deze drie grote maatschappelijke risico’s wordt oneigenlijk gebruik van zelfstandige arbeid ontmoedigd en effectieve handhaving makkelijker. Bovendien wordt het, als gevolg van het hierdoor gelijkere speelveld tussen zelfstandigen en werknemers, voor werkenden gemakkelijker te switchen van contractvorm, of om deels als zelfstandige en deels als (uitzend)werknemer werkzaam te zijn.

Het verkleinen van kostenverschillen tussen werknemers en zelfstandigen betekent echter nog geen totaal gelijk speelveld voor alle werkenden. De verschillen tussen werknemers en zelfstandigen worden weliswaar teruggebracht, maar een werkgever heeft nog steeds meer verplichtingen jegens een werknemer dan een opdrachtgever heeft jegens een door hem ingeschakelde zelfstandige. Omdat nog steeds niet altijd sprake is van gelijke onderhandelingsposities van werkende en werkgevende kan de keuze voor de rijbaan dan niet worden bepaald door de handtekening van de werkende.

Het werk zelf, hoe de arbeid feitelijk wordt uitgevoerd, moet hierbij bepalend zijn. Alleen op deze manier wordt bewerkstelligd dat de werkende niet voor de keuze kan worden gesteld afstand te doen van arbeidsrechtelijke bescherming in ruil voor het bemachtigen van het werk.

Vereenvoudig afbakening werknemer en ondernemer

De Commissie adviseert de huidige afbakening te vereenvoudigen door voor arbeidsrecht, sociale zekerheid en fiscaliteit één set afbakeningscriteria en één toetsingskader te hanteren.

Het type contract dat partijen sloten, ofwel de partijbedoeling, moet niet langer relevant zijn bij de kwalificatie. Einde holistische benadering Groen/Schoevers dus. Dat laatste sluit ook aan bij jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het gezagscriterium dat fungeert als onderscheidend kenmerk bij de kwalificatie van de arbeidsovereenkomst sluit echter vaak niet meer aan bij de manier waarop in de 21e eeuw wordt gewerkt.

Dit wringt met de behoefte van werkende en werkgevende aan duidelijkheid hierover bij het aangaan van de overeenkomst (en ook met de door de Commissie bepleite wendbaardere arbeidsovereenkomst met meer autonomie voor de werknemer). Om hieraan tegemoet te komen adviseert de Commissie het gezagscriterium in die zin te moderniseren dat daarbij centraal komen te staan de mate van inbedding van de werkende in de organisatie van de werkgevende en of het werk behoort tot de reguliere activiteiten van de werkgevende.

Grensgevallen

Als gevolg van de door de Commissie geadviseerde verkleining van kostenverschillen tussen werknemers en zelfstandigen en modernisering van het gezagscriterium zal sprake zijn van minder grensgevallen waarbij niet duidelijk is of arbeid wordt verricht als zelfstandige of op basis van een arbeidsovereenkomst. De Commissie realiseert zich echter dat die er nog steeds zullen zijn in situaties waarin de werkende de arbeid persoonlijk en tegen beloning verricht.

Gedane suggesties om het aantal grensgevallen te verkleinen door het creëren van een opt-out voor werknemers boven een bepaald uurtarief al dan niet in combinatie met een minimumtarief voor zelfstandigen raadt de Commissie af. Mede in het licht van de overige adviezen van de Commissie die moeten leiden tot meer wendbaarheid voor partijen binnen de arbeidsovereenkomst en een gelijker fiscaal en sociaalverzekeringsrechtelijk speelveld, prefereert de Commissie de door haar geadviseerde afbakening boven die van de creatie van een nieuwe contractvorm voor degenen die als zelfstandige willen werken en dan enkel beschermd worden tegen hun eigen contractvrijheid met een ‘bodem’ in de vorm van een minimumtarief.

Daarbij speelt ook dat arbeidsrechtelijke bescherming die haar basis vindt in Europese richtlijnen niet met een handtekening van de werkende opzij kan worden gezet. Dan zou dus sprake zijn van een contractvorm waarbij op een zelfstandige een deel van het arbeidsrecht van toepassing is. Het ontstaan van zo’n tussencategorie komt de eenduidigheid en helderheid van het recht niet ten goede en is moeilijk handhaafbaar.

Dat geldt niet voor de door de Commissie geadviseerde afbakening. Als sprake is van een echte ondernemer, zou het geen moeite moeten kosten om aan te tonen dat deze voor eigen rekening en risico werkt. Dat is bijvoorbeeld aan de orde bij een zelfstandige die producten verkoopt, diensten levert aan particulieren of korte specialistische opdrachten heeft bij bedrijven. In situaties waarin de werkende persoonlijk en tegen beloning arbeid verricht, kan de beloning een belangrijke aanwijzing zijn voor het voor eigen rekening en risico verrichten van de arbeid. Als de beloning over hele linie genomen op een substantieel hoger bedrag ligt dan de integrale arbeidskosten van werknemers van de opdrachtgever, is immers minder aannemelijk dat de werkende is ingebed in de organisatie van de opdrachtgever en het werk behoort tot de reguliere activiteiten van de opdrachtgever.

Webmodule

In de overblijvende grensgevallen kan een webmodule beoordeling arbeidsrelatie zoals die nu door de overheid wordt ontwikkeld behulpzaam zijn bij het vooraf duiden van de arbeidsrelatie. De manier waarop het werk feitelijk wordt verricht is echter beslissend. De (mogelijk) ongelijke posities van partijen brengt mee dat het op de weg van de opdrachtgever ligt om, indien nodig, aan de hand van het gemoderniseerde gezagscriterium te kunnen aantonen dat de opdrachtnemer de werkzaamheden als zelfstandige verricht.

De Commissie adviseert daarbij een ‘werknemer, tenzij’-benadering te hanteren waarbij de bewijslast bij de opdrachtgever ligt. Die benadering is niet helemaal nieuw. Artikel 7:610 lid 2 BW bevat – in combinatie met artikel 7:610a BW – een vergelijkbare voorrangsregel met rechtsvermoeden.

Wel is de Commissie zich ervan bewust dat een ‘werknemer, tenzij’-benadering kan schuren met het vrij verkeer van diensten binnen de Europese Unie. Ook iedere werkende uit een andere lidstaat die in Nederland arbeid verricht, wordt immers vermoed werknemer te zijn tenzij de opdrachtgever aantoont dat sprake is van werk dat wordt verricht op zelfstandige basis. Nu deze ‘werknemer, tenzij’-benadering deel uitmaakt van de afbakening tussen zelfstandige en werknemer en het door de Commissie geadviseerde gemoderniseerde gezagscriterium aansluit bij de manier waarop dit is ingevuld door het Hof van Justitie van de Europese Unie, moet hier echter ruimte bestaan.

Autonomie wordt niet groter door keuzevrijheid contractvorm

De door de Commissie geadviseerde drie rijbanen betekenen (dus) niet dat voor werkenden geen keuzevrijheid zou overblijven en iedereen in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt gedwongen. Met de hiervoor geschetste maatregelen wordt wel bevorderd dat de keuze werkzaam te zijn als zelfstandige (of uitzendwerknemer) niet is ingegeven door kostenverschillen of een gevoeld gebrek aan autonomie of flexibiliteit binnen de arbeidsovereenkomst.

Personen die als echte zelfstandigen willen ondernemen kunnen dat blijven doen. Dat blijkt uit de manier waarop zij feitelijk werkzaam zijn.

Een papier met een handtekening of een stempel erop waarop staat dat de werkende een zelfstandig ondernemer is maakt hem geen ondernemer. Hoewel iedereen ervoor kan kiezen als zelfstandige te werken, is niet iedereen daarvoor geschikt – lees: zal daarin succesvol zijn.

De zelfstandige die zich nu ondernemer noemt maar het niet echt is, wordt door de Commissie echter niet in het keurslijf van een 20e-eeuwse arbeidsovereenkomst gedrukt waarbinnen zonder autonomie gedurende vastgezette tijden en uren in een ondergeschiktheidsverhouding moet worden gewerkt. Die werknemer zal werkzaam zijn binnen de door de Commissie bepleite wendbare duurzame arbeidsovereenkomst die ruimte biedt voor autonomie, regie, flexibiliteit en initiatief van de werknemer.

Daarbij merk ik op dat de invulling van de arbeidsovereenkomst in de afgelopen eeuw al in veel situaties is meegegroeid met de hiervoor aangehaalde sociaal-maatschappelijke en economische ontwikkelingen. Daardoor biedt de huidige regulering van de arbeidsovereenkomst werknemers met behoefte aan autonomie en regie – denk bijvoorbeeld aan managers, CEO’s, artsen en advocaten in loondienst, maar ook aan de Creative Concept Developer bij een mediabedrijf of de YouTube Consultant in dienst van een marketingbureau – al voldoende ruimte om hiermee prima uit de voeten te kunnen.

Met de door de Commissie gedane voorstellen moet aan iedere werknemer die ruimte worden gegeven. Voor een persoon die zich nu zelfstandig ondernemer noemt, maar dat niet echt is omdat hij is ingebed in de organisatie van de opdrachtgever en werk verricht dat behoort tot de reguliere activiteiten van de opdrachtgever, hoeft op deze grond dus niet een speciale ‘vrijere’ contractvorm te worden gecreëerd.

Op donderdag 2 juli organiseert The Future Group van 12.00 tot 13.00 uur een virtuele ronde tafel met Johan Zwemmer. Aanmelden kan hier.

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , | Laat een reactie achter

Derde steunpakket voor zzp’ers: geeft dat ruimte om te ondernemen of een verkeerd signaal?

Wat kan het kabinet het beste doen om zelfstandig ondernemers te helpen? Het kabinet kwam dit voorjaar met de Tijdelijke Overbruggingsregeling Zelfstandig Ondernemers (Tozo) als onderdeel van het brede economisch steunpakket. Die inkomenssteun voor zzp’ers is inmiddels verlengd met vier maanden, ook wel bekend als Tozo 2. Tweede Kamerlid Paul Smeulders van GroenLinks wil zzp’ers nu al zekerheid geven dat er een Tozo 3 komt.

“Ook na september is een stevig sociaal vangnet voor zelfstandigen van groot belang”, schrijft Smeulders in een motie. “Niet alle zelfstandigen hebben namelijk goede buffers en zijn daardoor erg kwetsbaar in deze onzekere economische tijden.”

De Tweede Kamer stemt dinsdag 30 juni over de motie om de Tozo na zeven maanden nog eens te verlengen.

Tozo tot nu toe: de problemen zijn niet voorbij

In totaal vroegen ongeveer 380.000 zelfstandigen in de eerste drie maanden Tozo aan, zo wist staatssecretaris Tamara van Ark te melden aan de Kamer. Dat is ongeveer een kwart van alle 1,4 miljoen zelfstandig ondernemers in Nederland. Uit een rondgang van nieuwszender BNR blijkt dat een kwart van alle aanvragen is afgewezen of afgekeurd.

Waarschijnlijk vragen minder zzp’ers Tozo 2 aan. Ten eerste omdat minder ondernemers in aanmerking komen door de partnertoets. De gemeente keek voor toekenning van de Tozo 1 niet naar het inkomen van de partner van de zzp’er, bij de verlening telt dat wel mee bij de bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering. Ten tweede hebben minder zzp’ers steun nodig, omdat de markt aantrekt, de coronamaatregelen zijn versoepeld en een deel van de ondernemers weer aan het werk kan.

Toch zijn de problemen nog lang niet voorbij. In de herfst loopt Tozo 2 af en is de economische situatie nog lang niet hersteld. Sterker nog: volgens economen komt de Nederlandse economie in een historisch diepe recessie, ondanks alle steunpakketten.

Een deel van het werk dat zzp’ers deden vóór de corona-uitbraak zal in het najaar niet of veel minder bestaan. Zou het kabinet ze daarom niet meer moeten stimuleren om aan de slag te gaan met een plan B? ZiPconomy vroeg het aan experts en belangenbehartigers.


Bijstand voor zelfstandigen

Ook zonder Tozo kunnen ondernemers naar de gemeente voor bijstand. Bijstand voor zelfstandigen (bbz) is een regeling voor ondernemers die tijdelijk financiële problemen hebben. Als je kunt aantonen dat je bedrijf levensvatbaar is, kun je een lening krijgen. Om in aanmerking te komen mogen jij en je partner niet te veel inkomsten of vermogen hebben.


‘Zoek zelf oplossingen of ga terug in loondienst’

Ondernemerscoach Femke Hogema is auteur van het boek Ondernemen in crisistijd en zij was eerder al fel tegen de versoepeling van het urencriterium in coronatijd. “Het is alsof het kabinet zegt: ga maar netflixen. Dat is een verkeerd signaal”, zegt ze. “Een echte ondernemer maakt nu juist overuren. Brainstorm, bel klanten, luister podcasts. Op welke manier kun je klanten nog wel helpen met jouw kennis en kunde? Welke andere problemen kun je oplossen? Zoek oplossingen of ga terug in loondienst.”

Ze vond de Tozo in eerste instantie een heel goede zaak. “Zonder steun was het wel heel hard gegaan met faillissementen”, zegt ze. “En natuurlijk zijn er nog steeds zzp’ers die het echt heel moeilijk hebben. Denk aan de muzikanten, kunstenaars en standbouwers, die kunnen niet zomaar iets anders gaan doen. Maar dat is een beperkte groep, de meerderheid moet gewoon aan de slag.”

Als er een nieuwe steunmaatregel komt, moeten daar meer voorwaarden aan zitten, vindt ze. “Want we kunnen er niet omheen dat de wereld structureel verandert. We kunnen niet eeuwig steun geven, als jij je niet kunt aanpassen aan de nieuwe situatie is het dus klaar.”

‘Help zzp’ers zich structureel aan te passen’

Ook hoogleraar Strategie, Organisatie en Ondernemerschap Erik Stam (Universiteit Utrecht) vindt dat investeringsmaatregelen om de wendbaarheid van zzp’ers te verhogen meer voor de hand liggen dan meer inkomenssteun.

“Weerbaarheid stond centraal in inkomensmaatregelen in de eerste fase, toen de economie voor een groot deel in een intelligente lockdown verkeerde”, vertelt hij. “Inmiddels zijn er veel versoepelingen, maar zien we dat sommige gevolgen van de coronapandemie structureel zijn. Daarom moeten noodmaatregelen meer gericht zijn op de wendbaarheid van werkenden op lange termijn, bijvoorbeeld steun om bedrijfsvoering of bedrijfsactiviteiten structureel aan te passen.” 

‘Maak aanpassen makkelijker met een basis’

Zzp’ers hebben juist een financiële basis nodig om zich aan te kunnen passen, vindt Roos Wouters van de Werkvereniging. Zij staat achter het voorstel van GroenLinks. “De Tozo is nauwelijks voldoende om van te leven, dus je businessplan aanpassen is hoe dan ook noodzakelijk”, vindt Wouters. “Dat gaat heel veel makkelijker als je een basis hebt om te overleven. Duidelijkheid geven dat je die ook in de herfst nog kunt aanvragen, lijkt mij dus een goed idee.”

FNV: verlenging én focus op omscholing

Ook beleidsadviseur Irene van Hest van vakbond FNV Zelfstandigen wil snel duidelijkheid over verlenging van de Tozo. “Veel zelfstandigen hebben nog steeds te maken met directe financiële schade als gevolg van de maatregelen van het kabinet om de coronacrisis te bestrijden.”

Van Hest ziet dat werkenden zich moeten aanpassen en volgens haar is omscholing noodzakelijk. “Er is momenteel nog te weinig duidelijk over de mogelijkheden tot omscholing en hoe zelfstandigen daar gebruik van kunnen maken. Verlenging van de Tozo moet daarom mogelijk blijven.”

PZO: te vroeg om te verlengen

Ook directeur Margreet Drijvers van Platform Zelfstandige Ondernemers (PZO) vindt het belangrijk dat zelfstandigen hulp krijgen bij omscholing. Bijvoorbeeld via het crisisprogramma NL leert door, waarmee mensen vanaf juli kosteloos online scholing en ontwikkeladviezen kunnen volgen om zich aan te passen aan de nieuwe economische situatie.

PZO is niet tegen verlenging van de Tozo, maar vindt het te vroeg om nu al een derde steunpakket toe te zeggen. “We kunnen nu namelijk nog niet vaststellen hoe ondernemers ervoor staan in september”, zegt ze. “Dat hangt voor een belangrijk deel af van de ontwikkeling van het coronavirus. Feit blijft dat niet iedereen kan blijven doen wat hij deed voor de crisis, maar ik ben tot nu toe zeer blij verrast met het aanpassingsvermogen en de veerkracht van veel ondernemers.”

Steunpakketten per sector

FNV Zelfstandigen denkt aan verschillende steunmaatregelen per sector. Van Hest: “Voor sommige sectoren ligt verlenging meer voor de hand, omdat daar nog geen perspectief is en omscholing tijd vergt.”

De culturele en creatieve sector hebben het bijvoorbeeld heel zwaar, blijkt uit analyses van onder andere het Centraal Planbureau, onderzoeksinstituut Panteia en de Sociaal Economische Raad (SER).

“Er is gewoon meer steun nodig voor deze branche”, zegt Peter van den Bunder van de Kunstenbond. “De herstelperiode is langer dan in andere sectoren. Er zijn namelijk geen goede alternatieve verdienmodellen voor concerten, festivals en voorstellingen in de anderhalvemetersamenleving.”

Kunstenbond pleit voor basisinkomen voor culturele sector

Van den Bunder wil een financiële basis voor de zzp’ers in zijn sector. “Daarom pleiten we voor een Tozo 3 als een minimuminkomen, waarbij zzp’ers een aanvullend inkomen mogen verdienen zonder korting op de uitkering”, vertelt de belangenbehartiger. “Vergelijk het met de huidige startersregeling zzp bij het UWV, alleen gaat het nu niet om een startersperiode, maar om een overbruggingsperiode.”

De Tweede Kamer heeft met ruime steun een aantal moties aangenomen om creatieve makers in de culturele sector door deze crisis heen te helpen, vertelt hij. “Vanuit dat perspectief liggen concrete aanvullende maatregelen voor de hand.”

Geplaatst in ZP en Ondernemen, ZP en Politiek | Tags , , , , , , , | Laat een reactie achter

Platform Zzp-dienstverleners wordt I-ZO Nederland: “Juist nu belangrijk dat branche stem laat horen in Den Haag”

I-ZO Nederland staat voor Intermediairs voor Zelfstandig Ondernemers Nederland. Over de naamswijziging zegt voorzitter Josien van Breda: “We waren op zoek naar een naam die echt de lading dekt en waren niet helemaal tevreden met de vorige naam. I-ZO Nederland staat letterlijk voor wat we zijn en dat schept helderheid.”

Bij I-ZO Nederland zijn naast de top 5 grootste intermediairs nog ruim 20 kleinere organisaties aangesloten. De deelnemers zijn hoofdzakelijk actief in de zakelijke dienstverlening, ICT en interim-management, maar ook in zorg, bouw en cultuur, grotendeels in het hogere segment van professionals. Over de rol van haar leden in de markt zegt Van Breda: “Als intermediairs voor zelfstandig ondernemers zorgen we dat vraag en aanbod bij elkaar komen. In die driehoek tussen opdrachtgever, opdrachtnemer en intermediair zijn onze leden een onmisbare schakel. De kennis van wet- en regelgeving is knap ingewikkeld en intermediairs borgen die kennis en zorgen dat opdrachtgever en opdrachtnemer probleemloos en compliant kunnen samenwerken. Minstens zo belangrijk is de marktkennis van de intermediairs. Hierdoor kunnen ze altijd een paar stappen eerder schakelen dan de opdrachtgever en die opdrachtgever actief ondersteunen in hun groei. In deze onzekere tijden is het belang van een goede relatie waardevoller dan ooit.”

Geluid richting politiek

Juist in de huidige onzekere tijden is het belangrijk dat er sterke en vitale brancheverenigingen zijn die de weg weten in Den Haag, vindt Van Breda: “Wij volgen de ontwikkelingen in Den Haag op de voet, waarbij we ook met andere brancheverenigingen optrekken. Dat wij onderdeel zijn van de Alliantie van Werk maakt ons sterker. Juist nu is het ontzettend belangrijk dat wij het geluid vanuit de praktijk heel helder laten horen in Den Haag. Op die manier willen we ertoe bijdragen dat het kabinetsbeleid opdrachtgevers en zelfstandige professionals ondersteunt en niet in de weg zit.

Onze leden denken zeer actief na over manieren om vraaguitval bij zzp’ers te voorkomen en mede te zorgen dat de markt zich hiermee snel en goed kan herstellen. Hun voornaamste oproep is om nieuwe wetgeving en nieuw beleid uit te stellen. Stabiliteit en zekerheid zijn cruciaal om verdere vraaguitval te voorkomen en om te zorgen dat de groep zzp’ers ongeschonden uit de corona-crisis komen en niet alsnog omzet zien kelderen.

We hebben onlangs ook een brief naar de Kamer gestuurd, waar we het belang van die stabiliteit benadrukken. De combinatie van een markt die zich probeert te herstellen en onzekerheid over nieuw beleid is een gevaarlijke, zelfs giftige cocktail die we niet moeten willen. Daarom zijn wij ook erg ongelukkig met de pilotfase die minister Koolmees heeft aangekondigd om de webmodule te testen. Dat zal alleen maar voor extra onrust zorgen.”

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags | Laat een reactie achter

Hoe FNV/CNV actie tegen Temper laat zien dat de hervorming van de arbeidsmarkt nog ver weg is.

Vorige week stonden FNV en CNV gebroederlijk bij freelanceplatform Temper op de stoep om het bedrijf een witboek en een sommatie aan te bieden waarin de bonden Temper sommeerden de aanbieders op het platform als werknemer in dienst te nemen. Doet Temper dit niet, dan stappen beide bonden gezamenlijk naar de rechter. Interessant detail: in de sommatie is ook terug te lezen dat de bonden een vergoeding van 100.000 euro elk van Temper eisen, aangezien het platform de CAO’s van de bonden schendt en zij hierdoor ‘schade leiden door verlies van prestige en werfkracht’.

Naast de sommatie presenteerden de bonden een ‘witboek’ met een eigen onderzoek waarin de bonden claimen dat de maatschappij 18 miljoen euro misloopt door Temper. Temper heeft 2 weken om met de bonden om tafel te gaan.

Vakbondsacties tegen platformen

Het is niet de eerste keer dat FNV een platform aanklaagt: zo klaagde de bond eerder Deliveroo en Helpling aan. Bij Deliveroo waren de uitspraken wisselend, maar het beoogde resultaat van de bond werd niet behaald: de maaltijdkoeriers zijn nog niet in dienst bij het platform. Bij Helpling eenzelfde scenario, al kwam er (naar mijn mening) wel een heel interessante uitkomst uit deze zaak. De rechter besloot dat Helping geen werkgever is, maar wel een bemiddelaar.

Toevallig kwam vorige week Koolmees met een zelfde voorstel voor platformwerkers. Door zzp-bemiddeling (let op: dus geen thuisschoonmaak wat de rechter in de Helpling zaak heeft besloten, wat natuurlijk opmerkelijk is) onder de Waadi (Wet Allocatie Arbeidskrachten Door Intermediairs) onder te brengen krijgen platformen meer verantwoordelijkheden, zonder dat er iets over de status van de aanbieder hoeft te worden gezegd. Een op het eerste gezicht slimme snelle zet: een stap vooruit zonder iets te hoeven zeggen of vinden over de arbeidsrelatie. Maar ook een zet met wat praktische haken en ogen. Je leest er hier meer over. Maar het idee dat een platform als een bemiddelaar wordt aangemerkt is volgens mij meer dan redelijk. CNV heeft zich tot nu toe niet uitgesproken over platformwerk, behalve een artikel in De Telegraaf een jaar geleden waar ik deze reactie op schreef.

Nu terug naar FNV en CNV. Ik heb het rapport gescand en de cijfers zijn duidelijk. Al ben ik natuurlijk ook erg benieuwd naar de reactie vanuit Temper op deze cijfers. Het scrapen van cijfers van websites geeft altijd een beperkt beeld (zie ook de Airbnb discussie), waardoor er altijd aannames (lees: keuzes die door de intentie van de afzender kunnen worden beïnvloed) moeten worden gemaakt. Het zou mooi zijn om de bronbestanden van FNV/CNV en Temper eens naast elkaar te leggen, ik ben erg benieuwd wat daar uitkomt. Dat een Temper freelancer voor de klant in veel gevallen goedkoper is dan via een uitzendbureau heb ik regelmatig teruggekregen van de uitzendbureaus, maar zeker ook aan de kant van de werkende ben ik benieuwd naar meer cijfers in detail. Op zich ben ik niet tegen rechtszaken: als dat de manier is om duidelijkheid te krijgen dan is dat een optie. Al is het natuurlijk voor degenen waar de zaak over gaat altijd vervelend om als proefkonijn te dienen en te moeten betalen voor het duidelijk maken van onduidelijk beleid.

Waarom nu?

Het is niet vreemd dat de twee bonden samenwerken in deze casus: het is voor beide bonden een redelijk ‘veilige’ case en daarom prima om samen te werken. Daarnaast is dit voor CNV de eerste keer dat het iets met platformwerk doet en dan is de eis van in dienst nemen, een bekende in vakbondsland, eentje waar intern weinig gedoe over kan ontstaan. De timing voor Temper is natuurlijk op zijn zachtst gezegd beroerd: de sommatie komt op een moment dat zowel het bedrijf als de sector waarin het opereert aan het infuus ligt. Dan heb je waarschijnlijk weinig zin in een delegatie vanuit de vakbonden met een spandoek en een confettikanon.

Voor de bonden is de timing prima: met de vakantie voor de deur hebben de bonden een bommetje gegooid waar ze na de vakantie weer mee verder kunnen. Aan de andere kant is de timing ook opmerkelijk: beide bonden zitten bij de SER in de commissie over ‘platformeconomie en werk‘ dat binnenkort met een rapport komt. Je zou zeggen dat het handig zou zijn om hier even op te wachten om de zaak beter te kunnen onderbouwen.

Een verklaring voor het ‘waarom nu’ kan natuurlijk zijn dat de bonden vinden dat juist in een crisis als deze de kwetsbaarheid van de ZZP aanbieder op het platform extra zichtbaar en daardoor relevant is. Er zullen genoeg freelancers zijn die niet kunnen terugvallen op de regelingen vanuit de overheid. Als zij in dienst waren geweest via een uitzendconstructie was dit mogelijk een ander verhaal geweest. Ik zeg bewust ‘mogelijk’, omdat ook hier het nodige om te doen is. Hier en hier lees je er meer over. Daarnaast ben ik benieuwd hoe het is geregeld voor de uitzendkrachten die via Mice en Place werkten. Dit iconische uitzendbureau voor horecapersoneel ging in de eerste maand van de crisis failliet.

Daarnaast was het natuurlijk wachten totdat er (mogelijk) weer een rechtszaak zou beginnen. Het rapport van FNV is grondig en er zit maanden werk in. Dit is dus niet iets van ‘over één nacht ijs’.

Wat nu?

Dan de wat nu? Wat mij opviel na het persbericht over de sommatie is dat het stil bleef. Heel erg stil. Naast een stuk in de Volkskrant, dat een uur na het live gaan van het bericht op de FNV website werd gepubliceerd, en een stuk in het FD waren het op Twitter vooral vakbondsmensen die iets over de sommatie deelden. Op zich ook niet zo heel erg vreemd: een sommatie an sich is niet zo spannend en een vakbond die iets tegen freelancers of platformen heeft is ook geen nieuws. Ik had meer commotie verwacht rondom het rapport van de 18 miljoen, maar blijkbaar maakte dit geen indruk op journalisten.

Hoewel ik niet weet hoe dit verder af zal lopen, verwacht ik dat Temper ontspannen zal reageren. Het platform is al sinds de start van het bedrijf in gesprek met FNV Horeca en werkt daar ook mee samen, dus ik verwacht dat dat gesprek er wel komt. Temper en de bonden weten elkaar immers al lang te vinden, daar was een sommatie niet voor nodig: een telefoontje was voldoende geweest. Wat ik niet verwacht is dat Temper zich zal transformeren naar een uitzendbureau. Daar durf ik wel een goede weddenschap op af te sluiten. Dat gaat niet gebeuren. En dat weten de bonden ook.

Dus dan ook de vraag: waarom deze sommatie? De bonden weten dat Temper niet op de sommatie in zal gaan en dat de enige manier voor duidelijkheid de gang naar de rechter is. Deze stap hadden ze dus ook over kunnen slaan, hoewel een intern feestje natuurlijk altijd goed is voor het moraal.

Op de vraag ‘wat nu’, kort samengevat: aan tafel, misschien een rechtszaak, heel misschien duidelijkheid, maar het blijft toch een beetje symptoombestrijding en het negeren van de vragen en verantwoordelijkheden die aan de basis liggen.

Conclusie

Zoals eerder gemeld ben ik niet voor of tegen een rechtszaak. Als dat duidelijkheid biedt: prima. Waar ik wel tegen ben dat is dat er nog steeds grote rondjes rondom essentiële arbeidsmarktvraagstukken worden gelopen en iedereen nog steeds erg vanuit de eigen vertical opereert. De bonden, maar ook Koolmees, gooien voor de zomer een balletje op, wetend dat er na de zomer nog een aantal flinke vraagstukken op de agenda staan. Je kunt dit slim noemen. Of gewoon makkelijk.

Het Borstlap rapport meldde de ambitie om flex minder flex te maken en vast minder vast. De strijd om flex minder flex te maken gaat door, maar wat met vast minder vast? Daarnaast gaat het debat nog steeds puur over de vorm van het contract in plaats van de onderliggende waarden. Dat geeft wat mij betreft aan dat iedereen nog steeds naar de (extreem) korte termijn en naar het eigenbelang kijkt en niet (of in ieder geval onvoldoende) naar de lange termijn en het bredere belang. Op zich ook niet heel verrassend: de lange termijn vraagt een systeemverandering en dat is spannend en risicovol. Maar misschien had ik er gewoon te veel van verwacht. Net als dat ik, misschien achteraf gedacht wat naïef, hoopte dat de crisis een systeemverandering zou versnellen, terwijl ik nu zie dat de crisis vooral bestaande ongelijkheid en weeffouten versterkt.

Mijn conclusie kan dan niets anders zijn dat het debat over de arbeidsmarkt nog op hetzelfde niveau zit als voor Borstlap en ik zie dan ook weinig tekenen dat dit snel zal veranderen. Niet iets om trots op – of tevreden over – te zijn.

Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags , , , | 3s Reacties