Uitspraak in Deliveroo-zaak is slechts een tussenstation

De rechter in Amsterdam oordeelt dat Deliveroo-bezorgers geen zzp’ers, maar werknemers zijn. Deze discussie is nog lang niet voorbij, betoogt platformeconomie-expert Martijn Arets. De zaak gaat namelijk over veel meer dan Deliveroo en zijn bezorgers.

Volgens de rechtbank Amsterdam zijn de maaltijdbezorgers van Deliveroo geen zzp’ers, maar werknemers. Die uitspraak deed de rechter afgelopen week.

Op korte termijn verandert er niets voor Deliveroo. Bezorgers zouden een dienstverband kunnen eisen en aanspraak maken op alles dat in de cao Beroepsvervoer staat. Nadeel is dat zij dan een stuk minder vrij zijn. Ze moeten langer van te voren plannen wanneer ze willen werken en zijn dan verplicht alle opdrachten van de werkgever op te volgen.

Volgens Deliveroo weigeren bezorgers 40 procent van de bestellingen zonder dat zij daar op worden afgerekend. Dat is voorbij wanneer zij in dienst zijn.

Over wie gaat het?

Vakbond FNV was vanzelfsprekend erg blij met de uitspraak. Toch was er ook kritiek, wat ZiPconomy-hoofdredacteur Hugo-Jan Ruts mooi in de volgende tweet samenvatte: “Ik herhaal het nog maar eens. De politiek aandacht voor Deliveroo riders (=minder dan 2000 parttimers, veelal studenten) problematiek staat in geen verhouding tot de stilte over debat goede afspraken voor 1 miljoen echte zzp’ers.”

Daar wil ik aan toevoegen dat de veruit de meeste maaltijdbezorgers niet via een platform werken. Van hen hebben we geen idee wat de omstandigheden zijn.

Eigenlijk niet over Deliveroo…

De zaak tegen Deliveroo gaat eigenlijk niet over Deliveroo en zijn 2000 bezorgers. De zaak gaat over de angst van organisaties als FNV dat door platformisering mensen van een categorie met enkele zekerheid (en bijdrage aan onze welvaartsstaat) naar een status met geen zekerheid en zeggenschap verschuift. Begrijpelijk en belangrijk, maar het is zonde dat ze zoveel óver de platformwerkers praten en niet met hen.

Want zij willen graag meer vrijheid: werken wanneer ze willen, klussen accepteren of weigeren als het niet uitkomt. En de flexibiliteit van het platformmodel is lastig te vangen is binnen een werkgever-werknemerrelatie.

De discussie gaat voornamelijk over drie punten:

  • De status van de aanbieder en het gegeven dat een werkgever-werknemerrelatie niet de flexibiliteit biedt die deze groep zoekt;
  • De onduidelijkheid rondom algoritmes die bepalen wie welke klus krijgt;
  • De discussie over reputatiedata. Hoe inzichtelijk zijn die? En kun je die data opvragen en overdragen?

Status aanbieder

Dat de werknemers flexibiliteit willen, is gebaseerd op aannames en eenzijdig onderzoek en bevindingen. We moeten uitzoeken wat deze doelgroep nu echt wil. Is dit een nieuwe doelgroep? Of verschuiven de flexibele werknemers van uitzendbureaus naar apps?

Daarnaast moeten we uitzoeken hoe het komt dat een werkgever-werknemermodel (evt. via een payroll- of uitzendconstructie) niet voor platformen bruikbaar is. Dan heb ik het alleen over de flexibiliteit van het werk zelf, niet over het belastingvoordeel waarbij opdrachtgevers onder de streep minder betalen en opdrachtnemers netto meer verdienen.

Misschien kunnen we bijvoorbeeld de regeldruk verlagen. Zo moet je als werknemer bijvoorbeeld minimaal drie uur achter elkaar werken. Dat is ooit een keer bedacht met een rede, maar wat zou er gebeuren als je daar één uur van maakt? Misschien is dit een mooie aanleiding om eens te toetsen of de bedachte variabelen uit het verleden nog steeds relevant zijn.

Vage algoritmes

Bijna alle partijen in het debat hebben wantrouwen over wat er in die black box van het algoritme gebeurt. Krijgt een aanbieder minder opdrachten als hij vaker een opdracht weigert? Krijgt iedereen dezelfde vergoeding? Het is belangrijk om te onderzoeken hoe deze grijze mist kan worden opgelost.

Natuurlijk kun je zeggen dat de overheid inzicht moet hebben in deze algoritmes, maar ik denk niet dat dat de oplossing is. Ik denk meer aan een zogenaamde ‘trusted third party’. Een soort van algoritme- of data-accountant die kan controleren of afgesproken variabelen in het algoritme zijn verwerkt.

Reputatiedata

Als je als werknemers voor een ander platform wilt werken, dan wil je jouw reputatiedata mee kunnen nemen. In principe geldt in Europa natuurlijk al de AVG/GDPR. Je kunt dus al jouw data opvragen bij een platform. Op het moment dat platformen een standaard voor export van deze data afspreken, dan wordt het ook makkelijker om deze te exporteren en importeren.

Dit is overigens ook van groot belang voor de platformen: zij kampen met het ‘newbie dilemma’. Een nieuw platform heeft in het begin moeite om klussen te krijgen, omdat er nog geen gebruikerservaringen zijn. Vragers kiezen vanzelfsprekend voor iemand met veel recensies. Het importeren van reputatiedata kan dat probleem oplossen.

Natuurlijk is dat minder eenvoudig dan dat het lijkt. Als jij een goede waardering hebt als huizenverhuurder op Airbnb, betekent dat niet dat je ook een goede chauffeur voor Uber bent. Maar dat jij je afspraken nakomt, op tijd bent en snel reageert zeggen wel iets.

Conclusie

Hoewel de uitspraak van de rechter duidelijk is, zie ik het als een tussenstation in de discussies rondom de platformeconomie. Er valt nog veel uit te onderzoeken. Hoe kunnen we de flexibiliteit van het platformmodel gebruiken in de huidige modellen? We zijn er nog niet, wordt vervolgd…

Martijn Arets is internationaal platform expert en verkent sinds 2012 de opkomst van de platformeconomie en de impact op de samenleving. Bekijk alle berichten van Martijn Arets

2 reacties op dit bericht

  1. De wet bepaalt niet dat een werknemer minimaal drie uur moet werken, maar wel dat een werknemer recht heeft op drie uur loon indien i) de overeengekomen arbeidsduur per week minder is dan 15 uur en ii) er geen (duidelijke) afspraken zijn gemaakt wanneer de arbeid moet worden verricht. Achterliggende gedachte is dat een werknemer een zekere inkomensgarantie (per oproep) moet hebben. het moet immers wel de moeite waard zijn om daar “je bed voor te willen uitkomen”. Dit lijkt mij een maatschappelijk wenselijk uitgangspunt gericht tegen uitbuiting. Minder regels lijkt mij dus niet de juiste oplossing. Wel juist lijkt mij deze regels toe te passen op alle vormen van arbeid, ongeacht het mogelijke juridische onderscheid.

    • Dag Bas, dank voor je toelichting. Ik kan mij goed voorstellen dat dit met ‘traditionele’ bemiddeling goed werkt, maar bij ‘automatische’ bemiddeling via platformen hoor ik toch ook vanuit de workers de wens voor deze flexibiliteit. Dit ook vanwege het gegeven dat het voor veel aanbieders gaat om bijverdienen en het vullen van de lege uurtjes. Daarnaast kunnen aanbieders op meerdere platformen actief zijn.

      Gevoelsmatig lijkt het mij geen goed idee om deze regels door te trekken naar alle vormen van arbeid. Mijn ervaring als freelancer is dat die flexibiliteit erg goed werkt. En dan spreek ik wel vanuit de positie van een niet ‘precaire’ freelancer. En misschien ligt daar dan ook juist de kern van het probleem.