Bewijs van ondernemerschap als praktisch alternatief voor Wet DBA.

Josien van Breda-Hoekstra door
6 reacties

OndernemenDe gevolgen van de Wet DBA voor de praktijk van alledag worden steeds helderder. Een wet bedoeld om schijnconstructies te bestrijden en de positie van de zp’er ten opzichte van zijn opdrachtgever te versterken. Een herstel van de balans van verantwoordelijkheden tussen opdrachtgever en opdrachtnemer, zoals dat in ambtelijke taal zo mooi heet. Helaas. De praktijk lijkt zich te ontwikkelen in een andere richting.

Toets arbeidsrelatie is los komen te staan van toets ondernemerschap

Een van de grootste knelpunten is volgens mij dat de toetsing op het niveau van de afspraken tussen opdrachtgever en opdrachtnemer, los is komen te staan van de toetsing op het ondernemerschap.

Een voorbeeld om dat duidelijk te maken. Een ondernemer heeft een eigen taalbureau, waarin hij meerdere zzp’ers inhuurt om opdrachten voor bedrijven en onderwijsinstellingen te geven. Daarnaast schrijft hij lesmaterialen en hij laat zichzelf inhuren als docent door ROC’s.  Nu kan het zo zijn dat de ROC’s niet met hem als zzp’er willen werken, omdat de arbeidsrelatie te veel trekken heeft van een arbeidsovereenkomst. Vervelend, want nu kan deze persoon een deel van zijn werk niet opvoeren als winst uit onderneming.  Voor zp’ers die vanuit een eenmanszaak werken is het extra vervelend als ze hierdoor onder de 1225 uur van het urencriterium duiken. Dit terwijl deze man voldoet aan alle eisen van het ondernemerschap: ondernemersrisico lopen, acquisitie enzovoort.

Ondernemerstoets als zekerheid vooraf

Een ander probleem blijft de toetsing achteraf en het risico op handhavingscontroles door de Belastingdienst. Dat maakt opdrachtgevers extra voorzichtig zijn geworden, misschien wel te voorzichtig. Hoe helder het toetsingskader van de Belastingdienst ook wordt, toetsing vindt pas achteraf plaats.

Hoeveel beter zou het zijn als die toetsing vooraf plaatsvindt?

In 2013 heeft FNV Zelfstandigen met andere zzp organisaties gepleit voor het Bewijs van Ondernemerschap. In het kort komt het voorstel erop neer dat starters vooraf door de Kamer van Koophandel, Belastingdienst of andere instantie getoetst worden. Als ze door de toetsing komen, zijn ze ondernemer. De opdrachtgever weet zeker dat hij met een echte zp’er werkt en is er geen risico op naheffing.  Ook prof. Mr. G. Boot, onlangs benoemd in de expertcommissie Wet DBA, heeft gepleit voor iets dergelijks, een zwaardere VAR, de ZVAR.

Volgens mij is dit de sleutel naar een oplossing. Toetsing vooraf en dan loslaten. Daarmee voorkom je ellende achteraf en kan iedereen gaan werken zonder zich in allerlei juridische bochten te wringen. Wie is voor?

Josien van Breda-Hoekstra

Over Josien van Breda-Hoekstra

Josien van Breda directeur van FNV Zelfstandigen, waar ze sinds augustus 2008 werkt. Ze is zp-expert en gefascineerd door de arbeidsmarkt. Ze is o.a. verantwoordelijk voor lobby en beleid en zet ze zich in om de positie van zelfstandigen te verbeteren. De onderwerpen waar Josien zich momenteel vooral mee bezig houdt zijn het alternatief voor VAR/BGL, mededinging en fiscaliteit.

Bekijk meer artikelen van Josien van Breda-Hoekstra >

Reacties

  1. Duidelijkheid vooraf is altijd beter. Helaas gaat dat met de huidige wetgeving niet lukken omdat niet de vraag of iemand zelfstandig ondernemer is doorslaggevend is, maar de vraag of de opdracht uitgevoerd kan worden zonder dat de opdrachtgever ‘gezag’ uitoefent op de opdrachtnemer.
    Mijn inziens blijft de enige oplossing om de wetgeving zodanig aan te passen dat werken buiten loondienst mogelijk maakt; derhalve een nieuw fiscaal figuur ‘de zelfstandig opdrachtnemer’.

  2. Goed idee om te toetsen op zelfstandig ondernemerschap! Dat is veel zinniger dan alleen maar focussen op arbeid, loon, gezag. Wél moet zelfstandig ondernemerschap dan formeel als uitzondering gaan gelden op loonheffingen op basis van een echte arbeidsovereenkomst. Formeel is zelfstandig ondernemerschap in de huidige wet alleen een uitzondering op een aantal fictieve dienstverbanden.Daarom was de uitbreiding rechtgevolgen VAR destijds nodig. Als de VAR verdwijnt moet het op een andere manier worden geregeld dat echte zelfstandigen per definitie buiten de loonheffingen vallen. Daarvoor is een wetswijziging nodig óf behoud van de VAR met uitgebreid rechtsgevolgen. Overigens moet het natuurlijk mogelijk blijven om als niet-zelfstandige buiten loondienst te werken. Dat iemand geen zelfstandige is maakt hem of haar immers niet automatisch een werknemer. Denk aan een fiscalist in loondienst die voor een fiscaal vakblad maandelijks artikelen schrijft. Dat is geen zelfstandige, voor de uitgeverij is hij ook geen werknemer. Of een psycholoog met een bloeiende praktijk die tegen betaling workshops over obesitas geeft op scholen. Dat die niet in dienst zijn en ook geen zelfstandigen, daar is noch wettelijk noch maatschappelijk iets mis mee. Voor niet-zelfstandigen die in vergaande mate afhankelijk zijn van de opdrachtgever zijn de fictieve dienstbetrekkingen bedacht.

  3. Eindelijk eens een artikel en reacties die het juiste zeggen over de wet DBA. Ondernemerschap is volgens de huidige wet geen uitzonderingsgrond voor de loonheffingen. Hoe beroerd ook, op dit moment past de Belastingdienst alleen masr strict de huidige wet toe. Exact wat Wessel stelt. Dat de toets op ondernemerschap ook de oplossing niet zal worden licht Miranda weer goed toe. Als ondernemerschap alleenbepalend wordt zijn er weer andere ongewensde effecten.

    Misschien is de oplossing in beide richtingen te zoeken. Vrijstelling vooraf voor evidente fulltime ondernemers. Maar dan wel met de echte fiscale toets:
    – ondernemen een economsche hoofdactiviteit is;
    – er aantoonbaar meerdere gelijkwaardige opdrachtgevers zijn (3 per jaar of bij langere opdrachten 5 per 5 jaar);
    – afzonderljke opdrachten laag in omvang (minder dan 2 dagen/week) zijn of niet te lang in duur (maximaal 1,5 jaar bij een opdrachtgever) of een duideljk omschreven SMART projectresultaat;
    Deze aspecten zijn relatief eenvoudig te beoordelen door de Belastingdienst eventueel door dit expliciet te vragen bij de aangifte. Maar ook kan de opdrachtgever dit toetsen (idee bewijsvermoeden zoals bij model tussenkomst)

    En in de tweede plaats beoordeling vooraf op basis van (model)overeenkomsten in die gevallen die Miranda aanhaalt en de niet fulltime ondernemer.

    In beide situaties kan de belastingdienst ook achteraf handhaven. Bij de eerste groep bij de opdrachtnemer (VAR aanpak), bij de tweede groep bij beiden (DBA aanpak).

    • Waarom die rare focus op wat je doet om aan te tonen dat je zelfstandige bent? Waarom niet focussen op het echte probleem (inkomsten overheid, belastingvoordelen, sociale lasten en verzekeringen)?

      Die onwerkbare regelingen gebaseerd op de inrichting van de industriële samenleving van voor 1970 overeind houden is gewoonweg contraproduktief. Is de toekomst niet belangrijker? En wat doen ze in het buitenland? Daar hoor ik nooit iets over. Die fiscale specialisten zijn zo wonderbaarlijk bijziend. Een keer gas geven en je staat in het buitenland in deze postzegel.

      • @Vollebregt In welke oplossingsrichting zit je te denken als het gaan om duidelijk maken wie wel of wie niet werknemers is.

  4. Het artikel roept meer vragen op, dan dat ze antwoorden geeft. De reacties getuigen van een goed inzicht in de wet en regelgeving en geven aan, waar de crux van het manco van deze ‘wetgeving’ DBA zit.
    Het kader voor de beoordeling van een arbeidsrelatie, door de Belastingdienst is nu weer het BW geworden en wel door het vervallen van de VAR. De VAR was een mooi middel om vooraf de illusie te scheppen, dat er geen sprake zou zijn van een (echte) dienstbetrekking. De achterliggende idee was, dat we immers te maken hadden met een zelfstandige. Het BW richt zich op de onzelfstandige beroepsbevolking ergo dus bij een VAR WUO, geen sprake van een ‘onzelfstandige’.
    Dat dit ook in feite niet per se in lijn was met de wetgeving, was geen probleem, zo lang er een vrijwaring was voor de opdrachtgevers, ook als er achteraf toch sprake zou zijn van een ‘onzelfstandige’ (iemand die in dienstbetrekking werkzaam is).
    Krampachtig wordt nu weer gezocht naar een methode om vooraf helderheid of liever weer vrijwaring te hebben. De vraag is, als dat nu toch geprobeerd wordt om te helpen krijgen, waarom dan de VAR is afgeschaft? Blijkbaar is deze wetgever (en de uitvoerder Belastingdienst) nog niet toe aan het geven van helderheid en zekerheid vooraf, omdat dit te categorisch uitsluit, terwijl er geen echte toets heeft plaatsgevonden. Wanneer wel? Misschien na de volgende verkiezingen.