Wiebes’ plan ter vervanging van de VAR: vier addertjes onder het gras

Hugo-Jan Ruts door
6 reacties

Vorige week stuurde Staatssecretaris Wiebes een brief aan de Kamer waarin hij duidelijk maakt hoe hij de VAR wil gaan vervangen. Het zal u niet ontgaan zijn. Voortschrijdend inzicht en met name overleg met de sociale partners hebben Wiebes op het idee gebracht van de voorbeeldovereenkomsten.

Dit zijn overeenkomsten die per sector opgesteld kunnen worden en die vooraf getoetst worden door de Belastingdienst. Ze geven opdrachtgevers vooraf de zekerheid dat ze geen loonheffing hoeven in te houden wanneer ze zelfstandigen inhuren. Mits natuurlijk de feitelijke situatie overeenkomt met wat in de modelovereenkomst is vastgelegd. Het is een mooi plan, maar wanneer we wat scherper kijken, liggen er nog wel een paar addertjes onder het gras. Voor zelfstandigen, de organisaties die ze inhuren en voor de intermediairs.

** UPDATE: zie hier voor artikel over het definitieve voorstel van Wiebes plus het negatieve advies daarover van Actel

Plan Wiebes ligt in handen van complex krachtveld

In de pers werd het plan van Wiebes goed ontvangen. Wiebes bracht het nieuws in de Volkskrant ook vooral als een manier om schijnzelfstandigheid te kunnen bestrijden. En daar is natuurlijk niemand tegen. Er ligt nu geen compleet wetsvoorstel, maar een brief waarin hij wijzigingen van zijn eerdere plan uitwerkt (voor de puristen onder u: het wetsvoorstel voor de BGL wordt niet ingetrokken, maar aangepast).

Erg veel zal afhangen van de verdere invulling. Het voorstel geeft zowel mogelijkheden voor het standpunt “ondernemen wordt weer zoals het bedoeld is: ruimte voor ondernemen zonder overbodige administratieve lasten”, de woorden van Wiebes, als mogelijkheden om de “doorgeschoten flexibilisering van de arbeidsmarkt een halt toe te roepen”, zoals minister Asscher (Sociale Zaken) op de plannen reageerde.

Dat wordt dus balanceren in de politiek. En in de polder, waar de verschillende vertegenwoordigers – niet zelden met uiteenlopende visies en belangen – zich uitgebreid warmlopen. Want daar moet veel worden uitgewerkt en dus ligt het plan van Wiebes ook midden in dat krachtveld.

Er liggen dan ook nog wel een paar addertjes onder het gras in het Plan Wiebes.

Addertje #1: Oude wijn in nieuwe zakken: Knelpunt rond ‘gezag’ en ‘persoonlijke arbeid’ niet opgelost

Het plan van Wiebes wordt soms gepresenteerd als iets geheel nieuws. De vorm is anders: een modelcontract in plaats van een verklaring. De verantwoordelijkheid is anders: Wiebes krijgt zijn zo gewenste mogelijkheid om in een keer hele groepen zzp’ers bij één opdrachtgever te controleren en de rekening bij die opdrachtgever te leggen. De onderliggende wetgeving en regels blijven hetzelfde. Van een aanpassing van wetgeving aan de realiteit anno 2015 is geen sprake.

Zowel bij de toetsing vooraf als bij de controle achteraf vindt een beoordeling plaats of er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Op basis van een bekend lijstje factoren die Wiebes nog eens op een rij zet (o.a. persoonlijke arbeid, wel of geen leiding en aanwijzingen krijgen, wel of geen vaste werktijden, de werkzaamheden wel of niet een wezenlijk onderdeel bedrijfsvoering). Ze komen uit een tijd waarin de wereld nog overzichtelijk was. Werknemers deden persoonlijke arbeid; ondernemers leverden diensten ‘van stoffelijke aard’.

Vijftig jaar later zitten we in een diensteconomie. Het gros van de zelfstandig ondernemers waar we het hier over hebben, levert een dienst die rechtstreeks verbonden is aan zijn eigen persoonlijke kwaliteiten en er is altijd sprake van enige vorm van opdrachtverstrekking, toezicht, enzovoorts. Met dit rijtje criteria kun je 90 procent van de huidige interim-professionals zo kwalificeren als werknemer. Dat wil niemand (nu ja, bijna niemand) en dus gebeurt het niet.

Toch wordt het ook niet opgelost. Met het risico dat in de modelovereenkomsten een Haagse werkelijkheid wordt gecreëerd die niet overeenkomt met de praktijk. Een vergelijking met de Wet Werk & Zekerheid (WWZ) dient zich hier aan (zie ook het commentaar van prof. Wilthagen over de WWZ gisteren in het FD: “De politiek geeft verkeerde antwoorden op een veranderende arbeidsmarkt”).

Addertje #2: Het Poldermoeras: wordt het complexer in plaats van simpeler?

Wiebes wil dat de sociale partners sectoraal tot een voorbeeldovereenkomst komen die vervolgens wordt getoetst. Een mooie polderoplossing, waar de polder ook zelf mee is gekomen. De polder bestaat hier overigens uit opdrachtgevers, de zzp-organisaties maar ook uit traditionele vakbonden. Ook de intermediairs (waarover later meer) vragen (terecht) om aandacht voor hun rol. Wiebes wil al rond oktober zo’n 40-tal verschillende sectorale en generieke overeenkomsten hebben getoetst en gepubliceerd.

Dat wordt dus hard werken voor de polderpartijen. Ze lopen zich al flink warm, want er zijn hier een boel – en heel uiteenlopende – belangen te vertegenwoordigen. Onderling bij de zzp-organisaties, tussen werknemers en zelfstandigen, om niet te spreken van de enorme economische belangen bij de branche van bemiddelaars.

Er is al een voorbeeld van een voorbeeldovereenkomst (vijftien pagina’s overigens). Deze overeenkomst voor zzp’ers in de thuiszorg is opgesteld door FNV Zelfstandigen en BTN (Belangenbehartiger Thuiszorg) en is goedgekeurd door Wiebes. Fijn. Maar ondertussen stelt Edwin Bouwers, dagelijks bestuurder bij FNV: “modelovereenkomsten zoals deze in de zorg tot stand is gekomen wijst de FNV helemaal af”. Het is maar een voorbeeldje.

Addertje #3 : Wie is de opdrachtgever? De eindklant of de intermediair?

Ongeveer de helft van alle zzp’ers heeft momenteel een VAR (de andere helft heeft die niet nodig, omdat ze bijvoorbeeld in de handel zitten, zelf iets produceren of hele korte opdrachten doen). De mensen met een VAR lopen uiteen van bouwvakkers, pakketjesbezorgers, zorgpersoneel tot it-ers, zelfstandig adviseurs en interim-managers. Hun product: dat zijn ze zelf.

Een zeer groot deel van deze zelfstandigen werkt via een bureau. Dat is de partij waar hij of zij een contract mee heeft, niet met de organisaties waar de opdracht feitelijk wordt uitgevoerd. Merkwaardig genoeg staat deze situatie nauwelijks uitgewerkt in de brief van Wiebes en het roept een aantal cruciale vragen op.

De bureaus en intermediairs zijn er in verschillende varianten. Bijvoorbeeld een bureau dat de bemiddeling tot stand brengt tussen vraag (de feitelijke opdrachtgever) en het aanbod (de zelfstandige) of een bedrijf dat alleen een administratieve schakel vormt tussen de opdrachtgever en de zelfstandige, de brokers. Bijna altijd is het zo dat die intermediaire partij de contractpartij is voor de zelfstandige. De intermediair sluit ook een overeenkomst af met de opdrachtgever; de eindklant, in vakjargon. De zelfstandige doe zijn opdracht voor (en ook bij) die eindklant, maar heeft dus een contract met de intermediair. Zeker bij brokers kent hij die alleen van naam, de contractafhandeling is een puur digitaal proces (vergelijk het met payrollers).

De kern van het plan van Wiebes is dat hij de verantwoordelijkheid grotendeels bij de opdrachtgever neerlegt. Hij kondigt ook aan bij de opdrachtgevers te gaan controleren of de feitelijke situatie overeenkomt met hetgeen in de modelovereenkomst staat omschreven. Zo niet: dan vordert hij loonheffing (plus boete) bij de opdrachtgever. Die controle kan met terugwerkende kracht over vijf jaar. Zo hangt er fors risico boven de markt. Maar bij wie eigenlijk?

De intermediair is de juridische opdrachtgever. Dus het risico ligt primair daar. Maar de controle (“was er toch niet sprake van gezagsverhouding, geven van leiding, persoonlijke arbeid”, om een greep te nemen uit de criteria genoemd in de brief van Wiebes) kan alleen plaats vinden bij de organisatie waar de zelfstandige zijn opdracht doet (of deed).

Wiebes noemt in zijn brief nadrukkelijk de UWV-route. Hij roept zelfstandigen op om naar de rechter te stappen wanneer ze zelf vinden dat de praktijk gedurende de opdracht niet overeenkomt met wat in de modelovereenkomst staat. Dan kan de ‘zelfstandige’, die blijkbaar niet zo zelfstandig was, alsnog sociale voorzieningen claimen. En krijgt de opdrachtgever (nu werkgever) een naheffing. Ook niets nieuws, dit kan nu ook. Maar wel opvallend dat Wiebes dit zo nadrukkelijk benoemt.

De vraag is hier hoe intermediair om gaan met dit forse risico. Gaat ze dat risico doorschuiven naar hun opdrachtgevers? Of leggen ze het risico bij de zelfstandigen neer (‘indien bij ons loonheffing wordt teruggevorderd claimen wij die ook terug bij u’, zo stond er voor de komst van de VAR in overeenkomsten)?

Dit punt gaat ongetwijfeld terugkomen in de sectorale overleggen tussen de sociale partners. Een eenvoudige oplossing ligt er niet, dus is het zaak voor elke partij in deze tripartiete verhouding alert te zijn. Immers, met name rond dit punt liggen de belangen in die driehoek uiteen.

Addertje 4# : Geen ‘bewijs’ van ondernemerschap. Stap richting afschaffing zelfstandigenaftrek?

De VAR kregen zelfstandigen nadat ze een aantal vragen beantwoordden die zowel gingen over hun werkrelatie met opdrachtgevers als over hun ondernemerschap. Dat was geen garantie dat je (mits ook voldaan aan het urencriterium) in aanmerking kwam voor de voor veel zelfstandigen zo belangrijke zelfstandigenaftrek, maar je had in ieder geval iets.

Wiebes stelt nadrukkelijk dat zijn nieuwe plan geen uitspraken doet over het ondernemerschap van de zelfstandige en “er kunnen dus ook geen gevolgen aan worden verbonden wat betreft de fiscale ondernemersfaciliteiten”. De beoordeling van de relatie met de opdrachtgever staat centraal en wordt dus losgekoppeld van de beoordeling van het ondernemerschap. Op zich logisch, want het is niet aan een opdrachtgever om te zien of de zelfstandige bijvoorbeeld meerdere opdrachtgevers heeft.

Indien u een beetje argwanend bent ingesteld, dat kunt u dit ook zien als een stap in het ontkoppelen van de status van ‘zelfstandig werkende’ van die van ‘ondernemer’. Dat die ‘fiscale ondernemersfaciliteiten’ (lees: de zelfstandigenaftrek en MKB-vrijstelling) wel door zzp’ers wordt genoten zonder dat ze de intentie hebben door te groeien naar een zelfstandige met personeel, is velen in Den Haag een doorn in het oog. Deze ontkoppeling biedt de mogelijkheid om de criteria voor zelfstandigheid fors aan te scherpen zonder de bestaande werkrelaties tussen organisaties en hun flexibele schil in gevaar te brengen.

Gaat gezond verstand het winnen?

Deze hele exercitie is ingezet omdat de Belastingdienst malafide constructies nu niet effectief kan aanpakken. Het zijn vaak schrijnende gevallen en het is meer dan terecht dat daar op gereageerd wordt. Ondertussen hebben we het hier over een paar procent tot hooguit 10 procent van de hele zzp-markt.

De rest wordt nu wel geconfronteerd met de gevolgen.

Hoe groot zijn die gevolgen? Tja, dat hangt er dus sterk vanaf hoe het politiek en het maatschappelijk middenveld hier mee omgaat. In potentie kan deze regeling sterk vereenvoudigend werken. Komt er een focus op de gevoelige sectoren en wordt de rest met rust gelaten? Komt er voor hen een simpel a4-tje? Of kan het nog simpeler, zoals we onlangs voorstelde, door de zelfstandig ondernemers die evident (vrijwillig) zelfstandig opdrachtnemers zijn buiten deze regeling te houden? Staatssecretaris Wiebes constateerde in een eerdere brief aan de Kamer al dat er momenteel veel te vaak een VAR wordt aangevraagd, ook voor situaties waarin dat helemaal niet nodig is.

Het belangrijkste is dat er snel duidelijkheid én zekerheid moet komen. Vooral voor de verreweg meeste situaties waarin zelfstandigen en organisaties (plus bemiddelaars) graag en met wederzijdse instemming met elkaar werken.

Er ligt een schone taak voor alle betrokkenen om het gezond verstand te laten zegevieren.

Ondernemerschap en regelgevig

Hugo-Jan Ruts

Over Hugo-Jan Ruts

Hugo-Jan Ruts is ‘editor-in-chief’ en uitgever van ZiPconomy.

Bekijk meer artikelen van Hugo-Jan Ruts >

Reacties

  1. Mooie analyse.
    Addertje 2 lijkt me het ergste.
    Dat nu al omstreden model van 15 pagina’s is een voorbode voor veel creatief poldergeneuzel, vrees ik!

  2. Inderdaad mooie tekening van deze ‘slangenkuil’.

    Mijn ideaal voor de modelcontracten: Standaardovereenkomst voor opdrachtverlening (Ovo) op max 2 A4 voor alle inhuur van zzp’ers en alle opdrachtgevers. En per branche of sector -waar nodig- een supplement als bijlage bij deze standaard-overeenkomst.

  3. Aan het plan van Wiebes blijven haken en ogen zitten. De uitkomst van het verhaal: de beoogde zekerheid is er echt niet. Ik prijs me gelukkig jaren terug al gekozen te hebben voor het Uniforce-concept (met de zogenoemde VUR): sociale voorzieningen voor de zelfstandig professional en gegarandeerd geen naheffing voor de opdrachtgever. Onbegrijpelijk dat veel zelfstandig professionals, opdrachtgevers, maar ook bureaus deze door de Belastingdienst goedgekeurde constructie niet kennen. Simpel kan het echt wel.

    • @Frans. Het uniforce concept is me bekend. Het lijkt een eenvoudige administratieve oplossing, maar is ondertussen natuurlijk ook een dure. Een beetje ondernemer loopt geen risico tav de VAR en mocht het voorstel van Wiebes gunstig uitpakken dat wordt de zekerheid vooraf alleen maar grotere en dus de reden voor de Uniforce oplossing alleen maar kleiner.

      • @Frans: Is er al een idee over de gevolgen voor de huidige Uniforce-constructies als er straks gewerkt gaat worden met modelcontracten?