De groei van het aantal ZZP’ers. De mythe ontrafeld.

Op het Aegon Prinjesdagdebat over ZZP’ers was het weer eens zo ver. Bij de aftrap van dat, op zich prima debat, werd verkondigd dat Nederland in 2020 2 miljoen ZZP’ers heeft. Loek Hermans, voorman van MKB Nederland, deed die voorspelling in 2008 ook al eens. Alleen voorspelde hij toen dat dat getal al in 2010 bereikt zou worden. Die voorspelling kwam in ieder geval niet uit.

Ronald Dekker, arbeidseconoom verbonden aan het Instituut ReflecT van de Universiteit van Tilburg (en auteur bij ZiPconomy), kan zich flink druk maken over het opkloppen van de cijfers over het aantal ZZP’ers in Nederland. Hij ontkent niet de flexibilisering van arbeid en de groei van het aantal ZZP’ers de afgelopen jaren. Maar hij bestrijdt het beeld dat de Nederlandse beroepsbevolking straks voornamelijk uit ZZP’ers bestaat. In een artikel in het Tijdschrift voor Arbeidsmarktvraagstukken dat hij samen met Lian Kösters van het CBS schreef, onderbouwt hij dat. Mooie aanleiding om hem eens een paar vragen te stellen over wat hij zelf de mythe vorming van de ZZP trend noemt.

Om te beginnen: waarom wordt er zo hoog ingezet bij het noemen van zulke cijfers?

Wat je je bij dat soort voorspellingen altijd moet afvragen is welk belang de ‘profeet’ heeft. In het geval van Loek Hermans in 2008 wilde MKB Nederland heel graag de belangrijkste vertegenwoordiger van de ‘nieuwe zelfstandigen’ zijn. In dat verband hebben ze waarschijnlijk gedacht zich een stevige overdrijving van de trend te kunnen permitteren. Met andere woorden een groteske voorspelling trekt de aandacht, een meer doordachte analyse veel minder. Verder passen dit soort voorspellingen in het beeld dat veel Nederlandse werkgevers uit willen stralen, nl. dat ze in de toekomst grote stappen in de richting van verdergaande flexibilisering willen zetten. Wat dan vaak vergeten wordt is dat op een arbeidsmarkt niet alleen de arbeidsvraag van werkgevers belangrijk is, maar ook het arbeidsaanbod van werkenden. Wanneer die in overgrote meerderheid niet mee willen in de flexibilisering zal de uitkomst een stuk minder flexibel zijn dan werkgevers denken. Simpel gesteld: wanneer ruim de helft van de werkenden graag een vast contract wil, en je wil dat als werkgever niet bieden, dan ga je de ‘war for talent’ niet winnen in een krappe arbeidsmarkt.

Hoeveel ZZP’ers zijn er op dit moment dan echt?

Wanneer ik de CBS definitie hanteer, die vergelijkbaar is met de definitie die de SER hanteerde in 2010, waren er in 2009 ongeveer een miljoen zelfstandige ondernemers. Bijna 690.000 duizend daarvan heeft geen personeel in dienst. Dat aantal is sinds halverwege de jaren negentig behoorlijk gegroeid, toen waren het er bijna 400 duizend. Overigens nam in die periode de beroepsbevolking in zijn geheel ook fors toe. Het aandeel zelfstandigen zonder personeel is in die periode toegenomen van 6 tot 9 procent van de beroepsbevolking. Dat is een substantiële groei, maar ter relativering, bijna 9 van de 10 werkenden is nog altijd werknemer.

Zie je het aantal Zelfstandigen zonder personeel niet verder groeien?

Als je de trend van de afgelopen jaren doortrekt dan kom je hooguit op een getal van 850.000 zelfstandigen zonder personeel in 2020. Daarbij moet je wel onderkennen dat er ook nodige factoren zijn die de groei zouden kunnen remmen. Het zou goed denkbaar zijn dat de groei van het aantal zelfstandigen in de komende jaren zal afvlakken.

Leg eens uit?

De belangrijkste remmende factoren op de groei zijn de transactiekosten voor opdrachtgevers en de grote behoefte aan zekerheid bij werkenden.

Gemiddeld genomen is er in Nederland een sterke behoefte aan zekerheid, die zich onder meer uit in de hoge verzekeringsgraad. Door trends als de globalisering en technologische ontwikkeling neemt de behoefte aan die zekerheid eerder toe dan af. Zodra het bij een betere economie en een krappe arbeidsmarkt weer makkelijker wordt om een vaste baan te krijgen, kan die behoefte aan zekerheid wel eens leiden tot een dalende groei van het aantal zelfstandigen. Met name die zelfstandigen die voor het ondernemerschap hebben gekozen uit economische noodzaak, zullen weer voor een baan als werknemer kiezen.

Maar in de jaren negentig groeide het aantal zelfstandigen juist in periodes van economisch groei. Hoe past dat dan in dit beeld?

In de ondernemerschapsliteratuur worden twee motieven onderscheiden om als zelfstandige te gaan werken. Eerder noemde ik al de ‘economische noodzaak’ (‘necessity entrepreneurship’) . In de jaren negentig, met aanhoudende economische groei was ‘opportunity entrepreneurship’ belangrijk. In een periode van economische voorspoed zijn er meer kansen om als zelfstandige meer inkomen te verwerven terwijl je ook aan autonomie wint. Dat kan te maken hebben met het klassieke ‘gat in de markt’, maar ook simpelweg met een hoger uurtarief omdat er geen bemiddelaar (een detacheerder of bedrijf) tussen zit. De behoefte aan autonomie bij professionals is groot in economische voor- en tegenspoed, maar je kunt je voorstellen dat je het risico makkelijker neemt in tijden van economische voorspoed.

In jullie analyse hebben jullie de verschillende factoren, zowel de positieve als de negatieve, voor groei en krimp mee genomen. En dat zowel voor opdrachtgevers en zelfstandigen. Die factoren zijn vervolgens afgezet tegen factoren als sector, leeftijd en geslacht. Tot welke uitkomsten zijn jullie uiteindelijk gekomen?

Op basis van onze analyses voorzien we dat de groei van het aandeel zelfstandigen zonder personeel nog wel enige tijd zal aanhouden. Belangrijkste reden daarvoor is dat de gemiddelde leeftijd van de beroepsbevolking blijft stijgen. Oudere werknemers beginnen vaker voor zichzelf. Dat geldt ook voor hoger opgeleiden, ook die werken vaker voor zichzelf. Doordat het aantal hoger opgeleiden stijgt, kan je ook daarom een groei van het aantal zelfstandigen verwachten.

Daar staat wel tegenover dat die groei ook geremd wordt. Door de wens naar zekerheid bij werknemers en de hoge kosten die gepaard gaan met het steeds weer aantrekken van zelfstandigen. Werkgevers zullen vanwege die kosten in een krappe arbeidsmarkt het werknemerschap weer aantrekkelijker maken. Door in te spelen op de factoren waarom werknemers voor zichzelf zouden willen beginnen. Dus betere voorwaarden, meer mogelijkheden bieden om werk en zorg te combineren en meer autonomie geven in de uitvoering van het werk. Dat zou een rem betekenen op de groei van het aantal zelfstandigen.

Daarom denken we ook dat de groei van het aandeel zelfstandigen zonder personeel in de komende tien, twintig jaar niet veel hoger zal zijn dan in de afgelopen vijftien jaar. Een groeiende en permanente factor in de arbeidsmarkt. Waar zowel beleidsmakers als organisaties rekening mee moeten houden. Prima ook dat ze in de SER vertegenwoordig zijn. Maar de zelfstandigen zullen ook de komende decennia blijft een beperkt aandeel van de totale beroepsbevolking blijven.


.
Bron tabel: Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken 2011 (27) 3

Profile photo of Hugo-Jan Ruts Over Hugo-Jan Ruts

Hugo-Jan Ruts is initiatiefnemer en 'editor-in-chief' van ZiPconomy.
Daarnaast adviseert hij organisaties en bemiddelingsbureaus over ontwikkelingen in de ZiP-economie en geeft hij trainingen en lezingen, over de flexibilisering van organisaties en de arbeidsmarkt, en de consequenties daarvan voor zowel organisaties als interim professionals.


Hugo-Jan Ruts

Reacties

  1. Mark Wernsen zegt:

    Helder en genuanceerd verhaal. Rondald Dekker geeft echter aan dat een van de belangrijkste remmende factoren de groei van de transactiekosten betreft. Hij gaat hier echter voorbij aan het feit dat de transactiekosten door gebruik van innovatieve systemen bij de bemiddeling van ZZPérs veel lager gaan worden.

  2. Beste Mark,

    Je benoemt een terecht punt, de transactiekosten. Die zijn voor veranderingen in het inkoopproces (meer grip, meer zelf doen, online toepassingen, scherpere tarieven, raamovereenkomsten) zeker aan het dalen. De daling wordt niet in de laatste plaats geholpen door de actuele scheve verhouding tussen vraag en aanbod.

    Er zijn hier over nog wel een aantal zaken te benoemen.

    Die transactiekosten zouden in een andere markt wel weer eens kunnen oplopen.

    Bij de tranactiekosten wordt bij veel organisaties momenteel vooral gekeken naar de out-of-pocket besparing. In die berekening wordt niet altijd even reëel gekeken naar de (structurele en incidentele) kosten om die transactiekosten naar beneden te krijgen.

    Bij inhuur van ZZP’er via een bureau wordt als transactiekosten soms wat al te eenvoudig het verschil tussen genomen tussen het tarief dat de ZZP’er krijgt en wat het bureau factureert. Had je de ZZP’er zelf ingehuurd bespaar je die transactiekosten, maar vaak krijgt die ZZP’er in deze situatie meer dan wat hij van het bureau had gekregen (terecht). Een deel van de besparing op de transactie vloeit dus naar de ZZP’er en niet naar de organisatie.

    De transactiekosten bij het werven, aannemen, opleiden en vervolgens weer laten afvloeien van vaste medewerkers zijn ook niet gering. Deze kosten moeten vervolgens over een steeds kortere periode worden afgeschreven, immers de arbeidsduur wordt steeds korter. Deze transactiekosten per gewerkte uur van de vaste medewerker stijgt. Gevolg is dus dat het verschil tussen de transactiekosten van interim en vast kleiner wordt.

    Hugo-Jan Ruts

  3. Ik vraag me af in hoeverre de groei van hybride vormen zijn meegenomen bij de groeiverwachting. Hybride werknemers hebben naast hun baan een bedrijfje ernaast (zijn part-time zzp’er). Ook de Rijksoverheid is aan het bekijken of het hybride ambtenaarschap moet worden gestimuleerd. Naast een aanstelling als ambtenaar ook ondernemer zijn.

    Hoeveel zzp’ers er in de toekomst zullen zijn is wellicht eerder een definitiekwestie (tel je iemand mee als werknemer of als zzp’er?) en minder interessant. Wel is duidelijk dat de behoefte aan flexibele inzetbaarheid van zowel individu als organisatie toeneemt.

    • @Mark B
      We weten dat er veel mensen zijn met meerdere werkkringen (soms wel 3 of meer) en dat dat vaak combinaties zijn van zelfstandig ondernemerschap en werknemerschap. In het TVA artikel gaan we uit van de ‘belangrijkste werkkring’, dwz de werkkring met de meeste uren. Dat van die ‘hybride’ types, dat zijn we nog verder aan het uitzoeken.

      Verder, de behoefte aan flexibele inzet bij organisaties leidt logischerwijs tot meer zzp’ers of flexwerknemers, maar de behoefte aan flexibele inzetbaarheid bij individuen kan ook prima vorm krijgen met vaste (deeltijd)banen, zelfroostering en vormen van HNW.

      @Mark W
      Hoe efficient je je flexibele schil ook organiseert met betere software, de transactiekosten van een netwerk van 100 zzp’ers liggen beduidend hoger dan die van een bedrijf met 100 vaste werknemers.

  4. Wellicht interessante aanvulling? Ik heb de zzp kengetallen verder uitgewerkt. Kijk op http://ikwordzzper.nl tabblad nieuws.

    Groeten Martijn Pennekamp